Darwin en zijn nazaten in Rome

In de pauselijke SJ-universiteit van de Gregoriana zou je geen groot congres verwachten over de biologische evolutietheorie. En toch is dat onlangs gebeurd, van 3 tot 7 maart 2009: acht uiteenzettingen per dag, in plenaire zittingen met 400 aanwezigen. Hulde aan hun volhardende aandacht voor een hele reeks biochemici en biologen, voor een aantal wetenschapsfilosofen en voor enkele theologen. (Richard Dawkins was er niet bij. Die werd in dit hoge gezelschap nauwelijks vernoemd.)
Guido Dierickx sj
De toon werd gezet door de befaamde Oxfordse bioloog Simon Conway Morris. Conway Morris heeft al vroeg naam gemaakt door zijn controverse met de nog altijd zeer gerespecteerde Stephen Jay Gould van Harvard. Het was hun te doen over de oorsprong van de gewervelde dieren in de periode van het Cambrium. Gould beweerde dat de stamboom van die gewervelde dieren zich uitspreidde in zowat alle richtingen en dus geleid werd door blind toeval. Als de evolutie zou kunnen worden teruggespoeld in de tijd zou een tweede evolutie er heel anders uitzien en zou er allicht geen mens ontstaan zijn. Conway Morris, daartegen, ontwaart veel meer gerichtheid in de evolutie. De soorten differentiëren zich, maar al gauw ontwikkelen vele daarvan zich daarna in min of meer parallelle richtingen. Hij gewaagt van de convergente evolutie van de soorten en laat vermoeden dat het ontstaan van de homo sapiens geen blind toeval was, maar waarschijnlijk en wellicht onvermijdelijk.
Befaamde sprekers traden Conway Morris bij. Lynn Margulis, Stuart Kaufmann, Robert Ulanowicz en anderen betoogden dat ze in de organische materie een tendens tot zelforganisatie hadden ontdekt en tot samenwerking tussen de (bestanddelen van de) cellen. De discussie tussen de conventionele en deze rebelse neodarwinisten zou ik als volgt samenvatten. Het Darwinisme gaat uit van een proces van vraag en aanbod. De vraag is de natuurlijke selectie die vele variaties van de soorten elimineert. Deze selectie heeft, over de eeuwen heen, een rol gespeeld die vergelijkbaar is met die van de kunstmatige selectie die al langer bekend was. Maar wat met de aanbodzijde van dit proces? De conventionele neodarwinisten hebben dit ingevuld met de “toevallige mutaties” van de moderne genetica. Maar nu blijkt de toevalligheid van deze mutaties niet helemaal blind te zijn. Ze brengen, in kleine stappen, steeds meer complexe systemen tot stand. Overigens bracht de evolutie, ook toen nog geen mutaties mogelijk waren, emergente levensvormen voort. Dus levensvormen die niet herleidbaar zijn tot hun voorafgaande bestanddelen. Zo verlaten zij het paradigma van het materialistisch reductionisme voor het paradigma van het emergentisme. In de menswetenschappen is men al langer met het begrip “emergentie” vertrouwd. Een orkest is meer dan tachtig individuen die ieder hun eigen muzikale ding zouden doen. Het is een groep musici die samen spelen en daarom een symfonie kunnen uitvoeren.
Waar is het verschil met Intelligent Design? De voorstanders van ID steunen hun interpretaties op wat de evolutiebiologen (nog) niet gevonden hebben, op leemten in het evolutieproces. Om deze leemten te overbruggen doen ze graag een beroep op de interventie van een Schepper. De niet-conventionele neodarwinisten steunen zich op wat al wel ontdekt is, op de processen van emergentie die ze beschrijven in mathematische modellen. Daarom hoeven ze de goddelijke interventie geen plaats te geven naast andere secundaire oorzaken, om in Thomistische termen te spreken. Anderzijds zijn ze minder dan de reductionistische, conventionele neodarwinisten geneigd om hun beschrijvingen te beschouwen als adequate verklaringen. Ze hopen elementen van verklaring van een verschijnsel te kunnen ontdekken, bijvoorbeeld noodzakelijke voorwaarden maar niet alle voldoende voorwaarden.
De emergentie is een verschijnsel dat uitnodigt tot levensbeschouwelijke interpretatie. Wie oog heeft voor relatievorming, complexificatie en systeemvorming, dus voor diverse aspecten van emergentie, moet het al wonder vinden wat leeft. Zo kunnen de gelovigen de Schepper aan het werk zien, niet op zeldzame momenten, als een “God of the gaps”, maar overal in de evolutie. Dat geldt trouwens ook voor de “levenloze” natuur. Want ook de handhaving van de natuurwetten, die volgens het antropisch principe zo nauwkeurig op elkaar afgestemd zijn dat ze het ontstaan van het leven in ons heelal mogelijk maken, is een wonderlijk gegeven. Daaraan herinnerde in de slotsessie Bill Stoeger sj van de Vaticaanse sterrenwacht.
Deze bijdrage is een door de auteur zelf ingekorte versie van een artikel verschenen in Tertio