Gerard Manley Hopkins SJ (1844-1889)

Jezuïet en dichter

Omdat originaliteit in de Victoriaanse tijd veeleer als een afwijking dan als een talent werd beschouwd, heeft Hopkins tot dertig jaar na zijn dood moeten wachten voor er een bundeltje met een beperkt aantal van zijn gedichten het licht zag.  Nog eens twaalf jaar later verscheen er een nieuwe bundel, maar die luidde dan wel zijn erkenning in als voorloper van de moderne Engelse poëzie. Niet alleen Hopkins’ poëzie maar ook zijn leven speelt zich af in de schaduw. 

Onder invloed van de Oxford Movement, een hernieuwingsbeweging in de Anglicaanse kerk, en vooral naar het voorbeeld van John Henry Newman trad  Hopkins, student aan het Balliol College,  in 1866 toe tot de rooms-katholieke kerk. Zijn intrede bij de jezuïeten in 1868 bezegelde de breuk met  zijn familie en met de dominante victoriaanse cultuur. Hopkins zette zijn literaire ambities op een laag pitje en verbrandde zijn poëtisch jeugdwerk. Een tragische gebeurtenis, de schipbreuk van de Deutschland in 1875 die een aantal slachtoffers van de antikatholieke wetten in Duitsland aan boord had, deed zijn poëtische ader weer vloeien. In The Wreck of the Deutschland, een gedicht van 35 strofen met een originele beeldspraak, een vernieuwde prosodie en een virtuoze zegging, breekt Hopkins met de victoriaanse poëtische conventies en legt hij de basis van de moderne Engelse poëzie. 

De vernieuwing die Hopkins introduceerde in de poëtische expressie is terecht vaak beklemtoond. Minder belicht is echter zijn vernieuwing van de religieuze poëzie. Critici vinden het vaak een beperking dat Hopkins haast uitsluitend religieuze poëzie schreef. Hopkins zou dit vreemd hebben gevonden want voor hem bespeelt religieuze poëzie niet een of ander godsdienstige snaar of esoterisch gevoel maar de hele mens, zijn gevoel, zijn psyche en zijn geest.

Wat Hopkins betreft: zijn persoon is klassiek gevormd, vertoont Victoriaanse trekken zoals een zekere preutsheid, afstandelijkheid en puritanisme, maar vooral is ze doordrongen van de Ignatiaanse spiritualiteit, met name van de Geestelijke Oefeningen (GO). Twee gedichten kunnen dit illustreren. Omdat ik ze vanuit de inhoud benader en niet zozeer vanuit de vorm, worden ze hier in vertaling aangeboden.


Gevlekte pracht

Glorie zij God voor bontigheid,

Voor hemelen, marmerend als koeiehuid;

Voor bloemsproetjes uitgestippeld op vlugge forellen;

Vers vonkgepoft kastanje-herfstlicht; vinkvlerk; wijd

Landschap siergekaveld: eg-ploeg-braak geruit;

En alle beroepen, hun gerei, tuig, toestellen.

Ieder net ander, zeldzaam eigenaardig ding;

Alles wat grillig uitschift (en wie weet hoe uit?)

In snel, sloom; zoet, zuur; hel, gedoofd;

Hij vadert voort boven verandering:

Hij zij geloofd.


De vertaling of liever hertaling van Leo Vroman is op zich een kleinood en is dan ook een eigen leven gaan leiden. Dit gedicht kan men lezen als een poëtische expressie van enkele grondthema’s uit de Geestelijke Oefeningen, met name van het zogenaamde Grondbeginsel, GO, 26: “De mens is geschapen om God onze Heer te loven”. Het gedicht is een kijkoefening in de lijn van wat Ignatius schrijft in GO, 235: “Kijken hoe God woont in de schepping: in de elementen door ze het bestaan te geven, in de planten door ze te doen groeien, …”. Het treffende beeld van de voorlaatste regel,‘Hij vadert voort’, vertolkt het blijvende scheppingswerk van God dat Ignatius prozaïsch verwoordt in GO, 236: “Nagaan hoe God in alle geschapen dingen op het aardoppervlak voor mij zwoegt en werkt … Bijvoorbeeld in de hemel, de elementen, de planten, de vruchten, het vee, enz….”.

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van hoe Hopkins zich de Ignatiaanse spiritualiteit heeft eigen gemaakt en ze poëtisch weet te vertolken.

Het gedicht  Mijn eigen hart is een samenspraak van het ik met zijn hart, zijn gemoedsgesteltenis. In de Richtlijnen betreffende de Onderscheiding van de geesten, GO, 313-336, biedt Ignatius een subtiel instrument aan om de bewegingen van het eigen gemoed en de invloeden die het ondergaat te onderkennen en er zinvol mee om te gaan. Dit gedicht biedt enkele poëtische echo’s van deze existentiële zelfanalyse en van hoe men gelovig omgaat met troosteloosheid.


Mijn eigen hart

Laat mij milder omgaan met mijn eigen hart; laat

mij voortaan welwillend zijn jegens mijn desolaat

ik, minzaam; met dit gekweld gemoed bij leven

niet langer dit gekweld gemoed kwellen.

Ik reik naar troost, om mij heen tastend

in mijn troosteloosheid vind ik die niet

zoals blinde ogen de dag niet en dorst zich niet

kan laven aan een verdronken wereld.

Ziel, zelf; kom, arme drommel, ik wil je raden

jij, afgejakkerde, laat maar; laat die gedachten

Schieten; laat troost nu thuiskomen; laat vreugde kiemen

Om God weet wat of wanneer; zijn glimlach

wordt niet afgedwongen, hij zoekt je onverwacht

- zoals de lucht tussen bergen oplicht – belicht Hij je pad.


Het inzicht dat de dichter in dit gedicht verwoordt is dat hij niet alleen gekweld wordt maar ook zichzelf kwelt. Zijn goede voornemen, verwoord in het eerste kwatrijn, moet het in het tweede kwatrijn al meteen afleggen tegen een zelfkwellend herkauwen van zijn troosteloosheid. In het tweede deel van het sonnet richt de spreker zich als het ware tot een vriend en daarmee schept hij de nodige afstand tegenover zijn gekweld ik. In Ignatiaanse termen beschrijft het eerste kwatrijn de ervaringen van iemand die stilaan weggroeit  uit troosteloosheid. In Ignatius’ woorden: “Bij wie van goed naar beter gaan raakte de goede engel de ziel lieflijk, licht en zacht aan…’

(GO, 335). De eerste terzine is een haast letterlijke verwoording van de raad die Ignatius geeft aan iemand die in troosteloosheid verkeert: “Wie in troosteloosheid is …moet bedenken dat hij weldra vertroost zal worden” (GO, 321). Dat vertroosting geen eigen maaksel is, geen vrucht van ascetische oefeningen maar een gave Gods, daarop wijst Ignatius met de woorden: “Het komt alleen God onze Heer toe om zonder voorafgaande oorzaak de ziel vertroosting te geven…. ‘Zonder oorzaak’: daarmee bedoel ik, zonder dat de ziel ook maar iets vooraf voelt of kent waardoor deze vertroosting zou komen door middel van de eigen werking van verstand en wil” (GO, 330). Dat inzicht verwoordt Hopkins in de tweede terzine. En, wie herkent in de woorden ‘belicht Hij je pad’ – ‘lights a lovely mile’ -  niet een echo van het gedicht Lead, kindly Light van Hopkins’ mentor John Henry Newman!

Vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw is de interesse in en de waardering voor de klankrijkdom, de originele prosodie en de gedurfde woordcombinaties van Hopkins’ poëzie steeds gegroeid. Zij inspireerde ook andere kunstuitingen. Zo zette de bekende componist Benjamin Britten een aantal van zijn gedichten op muziek. Maar slechts weinigen stoten door tot de bron van zijn poëtisch handwerk: de ervaring van een altijd grotere God wiens aanwezigheid nochtans kan gelezen worden in het bonte schouwspel van de wereld, en de ervaring van de mens die in al de vezels van zijn wezen – zijn zinnelijkheid, zijn affectiviteit en zijn verstand – op een unieke wijze aangesproken wordt door zijn Schepper.

Klik hier voor meer gedichten van Hopkins.

Aanbevolen lectuur:

  • Phillips Catherine, Gerard Manley Hopkins, Oxford University Press, Oxford, 1986.

  • Gerard Manley Hopkins. Gedichten. Keuze uit zijn poëzie met vertalingen en commentaren samengesteld door W. Bronzwaer, Ambo Tweetalige Editie, Uitgeverij Ambo, Baarn,1984.

  • Faesen, Rob, Ellende als genade. Twee Terrible Sonnets van G.M. Hopkins, Streven, juli 1985, blz. 791-798.

  • White, Norman, Hopkins. A Literary Biography, Clarendon Press, Oxford, 1992.

Hugo Roeffaers sj


IHS > activiteiten > cultuur > God is mooi