Gedichten van Gerard Manley Hopkins sj

Zend mijn wortels regen

Ja, Heer, rechtvaardig zijt Gij als ik strijd met U;
Toch stel ik U mijn vraag terecht.
Waarom gedijen zondaars?
Waarom ligt teleurstelling op al mijn doen altijd?

Waart Gij mijn vijand, Gij, o Gij mijn vriend,
Zoudt Gij, vraag ik mij af, nog erger dan gij nu doet,
Mij tegenwerken en verslaan.
Zomaar bloeit méér wie zuipt, zijn wellust dient,

Dan ik, die mijn leven toewijd.
Zie, struiken, dik in  ’t blad, en akkers afgezet met kervelkant,
Golvend in koele bries.

Kijk, vogels bouwen – ik niet;
ik verzet als eunuch werk en broed;
uit komt het niet.
O dat Gij, Levensheer, mijn wortels regen zendt!



Hemel - Haven

Een non neemt de sluier aan

   Ik heb verlangd te gaan
      waar bronnen zijn,
naar velden waar geen scherpe hagel vlijmt
   en een paar lelies staan.

   Ook vroeg ik om een stee
      waar storm niet komt,
waar de groene zwalp in de haven verstomt,
   en buiten de zwaai van de zee.
 


Felix Randaal

Felix Randaal de hoefsmid, O is die dood dan? mijn taak totaal verleden, die zijn mal van een man, bonk-bottig en stoer-stukkig, heeft zien
kwijnen, kwijnen, tot de tijd dat de rede raaskalde erin
en vier fatale kwalen, daar op vlees uit, elkaar totaal bestreden?

Ziekte brak hem. Ongeduldig vloekte hij eerst, maar herstelde
bij de zalving en zo; ofschoon al enkele maanden voordien
een hemelser hart begon, sinds ik hem van ons had toegediend
zoet respijt en losprijs. Ach, God hebbe hem wat hij ook heeft overtreden!

Dit bezoeken van zieken weet hen bij ons en ook onszelf geliefd te maken.
Mijn tong had u troost geleerd, aanraking had geblust uw tranen,
uw tranen die mijn hart raakten, kind, Felix, arme Felix Randaal;

hoe ver van toen vandaan in de geest, al uw meer rumoerige jaren,
toen gij in de rommelige woeste smidse, krachtig tussen kameraden,
voor het grote grijze trekpaard maakte zijn stralende, stampende sandaal!



Ijsvogel

Zoals een ijsvogel vuur vangt, een libel in vlam schiet;
  zoals getuimeld over de rand van een rondige put
  stenen klinken; zoals elke beroerde snaar vertelt, elke klok geluid
om haar naam breed uit te strooien zwaaiend taal vindt;
doet elk sterfelijk ding één en hetzelfde ding:
  deelt dat wezen dat binnen ieder woont uit;
  zelft - gaat zelf; mijzelf spreekt en spelt het,
roepend Wat ik doe is ik: daartoe kwam ik.

Ik zeg méér: de gerechte - gerechtigheid maakt hij;
  houdt genade; dát maakt al zijn gangen genadig;
doet in Gods oog wat in Gods oog hij is, hij -
  Christus. Want Christus speelt op tienduizend plaatsen,
lieflijk in leden, en lieflijk in ogen (niet zijn)
  door de gezichten van mensen voor de Vader.

Uit het Engels vertaald door P. Begheyn sj


IHS > activiteiten > cultuur > God is mooi