De notie ‘sociale rechtvaardigheid’ in de recente geschiedenis van de Sociëteit van Jezus.

Antwerpen, 24 januari 2008

N aar aanleiding van de publicatie van de Nederlandse vertaling van het  “Compendium van de Sociale Leer van de Kerk” hield  Ludwig Van Heucke, sj volgende voordracht aan het UCSIA

Het thema sociale rechtvaardigheid genoot de laatste veertig jaar groeiende belangstelling binnen de katholieke Kerk en dus ook binnen de jezuïetenorde. We bekijken vooral hoe de jezuïeten er na het Vaticaans Concilie mee zijn omgegaan.

Meneer Leo

Priester in de gevangenis >>

Gerechtigheid in historisch perspectief >>
Gerechtigheid in de ignatiaanse traditie >>

Sociaal apostolaat van de jezuïeten >>

Sociaal apostolaat en spiritualiteit >>
Jesuit Refugee Service >>
UCSIA >>
Jezuïet op vinkenslag >>
Pit-Stop >>
Operatie Kolbe >>

Vooraf moeten we stellen dat de sociale belangstelling van de jezuïeten geen recent verschijnsel is. Reeds voor de stichting van de Sociëteit van Jezus, hebben Ignatius van Loyola, de stichter, en zijn eerste gezellen zich sociaal geëngageerd. Hun sociale bekommernis nam de toen gangbare vormen aan van de zeven werken van barmhartigheid zoals Christus dat vroeg.[i] Voor die eerste jezuïeten was het ‘lief-dadigheid’ in de betekenis van de liefde die zich beter uitdrukt in daden dan in woorden.[ii] In hun streven naar uitmuntendheid, consolideerden zij hun directe hulpverlening in duurzame sociale projecten om zo op langere termijn maatschappelijke invloed te kunnen uitoefenen.[iii] Jezuïeten zijn vooral bekend geraakt om hun onderwijsinstellingen. Men volgde klaarblijkelijk het gezegde: “geef armen een vis, ze overleven één dag; leer hen te vissen ze helpen zichzelf voor het leven”.

In de negentiende eeuw voegde men aan dat gezegde een moderne vereiste toe: “geef de visser ook het visrecht”. De Kerk en de jezuïeten ontdekten, met Karl Marx en anderen, dat armoede niet uit de wereld wordt geholpen met hulpverlening alleen. De Italiaanse jezuïet en theoloog, Luigi Taparelli, S.J. (1793-1862), die onder zijn studenten de latere Paus Leo XIII had, ontwikkelde de noties van ‘sociale rechtvaardigheid’ en ‘subsidiariteit’ – basisbegrippen in de encycliek Rerum Novarum (1898) en wat we nadien de katholieke sociale leer zijn gaan noemen.[iv] Telkens opnieuw hebben markante jezuïeten na hem zich in de sociale actie en het sociaal denken van de Kerk ingeschakeld.[v]

In 1938 had de 28ste Algemene Vergadering van de Sociëteit van Jezus het Sociale Apostolaat (het sociale denken en doen van de Kerk) aanbevolen als “een van de meest dringende vormen van hulpbetoon in onze tijd”. Na de Tweede Wereldoorlog in 1949 zou de Algemeen Overste van de jezuïeten, de Belg Jean-Baptiste Janssens, in zijn Instructie over het Sociale Apostolaat (10-11-1949) uitleggen dat het zeker nodig is dat een jezuïet diep aanvoelde hoe armoede iemand levenslang kan vernederen. Is een jezuïet bestemd voor het Sociale Apostolaat, dan moet hij daarvoor speciaal worden opgeleid met de Sociale Leer van de Kerk op zijn programma.

Desondanks bleef het Sociale Apostolaat specialistenwerk voor enkelingen. Men zag het toen nog niet als een typisch oeuvre van de jezuïeten.

Aggiornamento

Het Vaticaans Concilie (1962-1964) zou ook hierin verandering brengen. Het concilie riep op tot een algemene vernieuwing (een aggioranmento) in de Kerk. Ook aan religieuze orden en congregaties werd toen gevraagd zich te herbronnen en hun oorspronkelijke inspiratie, hun charisma authentiek te beleven in de moderne tijd van vandaag. In respons besloot de 31ste Algemene Vergadering (1962-1965) van de jezuïeten onder meer het volgende:

Ze [de 31ste Algemene Vergadering] vond dat het hele bestuursapparaat van de Sociëteit aan de huidige behoeften en leefgewoonten diende aangepast te worden, dat onze ganse geestelijke en wetenschappelijke opleiding moest worden omgedacht; dat zelfs ons geestelijk en apostolisch leven aan een vernieuwing toe waren; dat de beoordeling van onze werken volgens het criterium van de ‘grotere en meer universele dienst van God’ in de moderne wereld moet geschieden in de pastorale geest van het concilie; ja dat zelfs het geestelijk erfgoed van de Orde, dat tegelijk nieuw en oud bevat, moet uitgezuiverd worden van wat versleten is en opnieuw verrijkt met nieuwe verworvenheden.” [vi]

Over het Sociale Apostolaat verklaarde de 31ste Algemene Vergadering dat het erom ging de sociale structuren in de samenleving ‘om te buigen’ niet enkel ‘te beïnvloeden’ zoals Jean-Baptiste Janssens het in zijn Instructie nog had uitgedrukt.[vii]

Voor de kersverse Algemeen Overste, Pedro Arrupe, was het heel duidelijk: het Concilie heeft gesproken, onze eigen Algemene Vergadering heeft gesproken, Gods Geest heeft gesproken. “Let’s do it” herhaalde hij steeds. Maar tegelijkertijd stelde Arrupe ook lastige vragen omtrent de rechtmatigheid van sommige prestigieuze jezuïetenwerken. “Is dat nu wat God van ons vraagt vandaag?” “moeten wij daarin blijven investeren?”. Arrupe daagde het oud-leerlingencongres in Valencia (1973) uit door rechtuit te vragen: “hebben wij, jezuïeten, u opgevoed tot rechtvaardigheid?”. En hij bekende: “nee, wij hebben dat niet gedaan”.[viii] In 1971 namen de jezuïeten in Mexico het besluit hun elitaire school, de Instituto Patria, op te heffen.[ix] Maar zulke drastische uitspraken en ingrepen betekenen nu niet dat alle jezuïeten zich plots als één man onder hetzelfde ‘banier van het kruis’ hadden geschaard. Het is onjuist, denk ik, de Sociëteit van Jezus af te schilderen als een eensgezinde stoottroep voor gerechtigheid & vrede. Het grootse vernieuwingsproces na het concilie verliep nergens kalm en ordelijk, en de jezuïeten waren hierin geen uitzondering.

Promotio iustitiae

De besluiten van de 31ste Algemene Vergadering hadden zich toegespitst op de interne organisatie van de Orde. Wat de voornaamste opdracht van de hedendaagse jezuïet naar buiten toe omvatte was nog ongewis. “Wat is de rol van de jezuïet van vandaag?” Hierover klaarheid brengen was de taak van een volgende, de 32ste Algemene Vergadering (1974-1975). Hierbij speelde het debat rond sociale rechtvaardigheid een beslissende rol. De algemene zending, de ‘missie’ van de jezuïeten werd als volgt geherformuleerd:

"De zending van de Sociëteit van Jezus vandaag is de dienst van het geloof [diakonia fidei, in het Grieks-Latijn], waarvan de bevordering  van de rechtvaardigheid [promotio iustitiae] een absolute vereiste is, in zoverre deze hoort tot de verzoening van de mensen met elkaar, die van ze gevraagd wordt op grond van hun verzoening met God”. [x]

Deze nieuwe missieverklaring, met het befaamde tweeluik “geloof & gerechtigheid”, leverde de jezuïeten veel onterechte kritiek op. In feite hadden de jezuïeten hiermee enkel herhaald wat de bisschoppensynodes van 1971 en 1974 hadden gezegd: namelijk, dat de promotie van de rechtvaardigheid een “constitutieve dimensie” van de evangelisatie is.

In de aula van de Algemene Vergadering in Rome, proberen over 200 afgevaardigde jezuïeten van overal ter wereld met respect naar mekaar luisteren; men gelooft immers dat Gods Geest tot mij kan spreken door de mond van mijn metgezel. Zoiets is nooit eenvoudig. Op de 32ste Algemene Vergadering, hadden de Latijns Amerikanen met promotio iustitiae duidelijk de ontvoogding van de armen op hun continent voor ogen. Ze hadden het ook over de internationale dimensies van de armoede in de wereld, over structureel onrecht, en structurele zonde. Oost-Europese jezuïeten daarentegen kregen plots het onbehaaglijke gevoel dat ze, in plaats van naar de Heilige Geest, naar Radio Moskou aan het luisteren waren. Sommige delegaten verstonden onder de term iustitia Bijbelse gerechtigheid. Anderen dachten dan weer aan socio-economische gerechtigheid, aan ethische of wettelijke gerechtigheid, en zo meer.

Promotio iustitiae, de ‘bevordering van de rechtvaardigheid’, was uiteindelijk een compromisuitdrukking. De ambiguïteit van de notie ‘iustitia’ maakte het mogelijk dat tenslotte iedereen met haar ‘promotio’ instemde. ‘Promotie’ klinkt voor sommigen als een slogan in de koopjesweek. Men koos inderdaad voor een eerder milde, en vooral geweldloze uitdrukking. Paus Johannes Paulus II zou later onomwonden spreken over de ‘strijd’ voor de rechtvaardigheid en ook uitleggen dat ‘solidariteit’ geen goedkoop gevoel van meeleven is, maar een volharde toeleg ten dienste van de armen en vernederden. Aan het einde van de dag kan men zeggen dat met het tweetal “geloof & rechtvaardigheid”, als definitieve uitdrukking van hun algemene doelstelling, de jezuïeten trouw bleven aan de 100-jarige ontwikkelingen binnen de sociale doctrine van de Kerk.

Toch liep er iets mank. In de besluittekst had de 32ste Algemene Vergadering de twee elementen ‘geloof’ en ‘rechtvaardigheid’ wellicht iets te losjes naast mekaar geplaatst. Sommigen kregen er de valse indruk door, dat een jezuïet nu te kiezen had in zijn werk. Ofwel werkt hij voor de verspreiding van het geloof, ófwel zet hij zich in voor sociale rechtvaardigheid. Die dichotomie was wellicht de grootste valkuil voor de Sociëteit van Jezus. In een grote provincie heeft deze misvatting tot een regelrechte splitsing geleid. Nochtans had de Algemene Vergadering duidelijk gestipuleerd dat het Sociale Apostolaat niet louter één werkterrein is onder vele andere, maar “een bekommernis voor ons hele leven en een dimensie van al onze apostolische activiteiten”.[xi]

Om die bovengenoemde tweeslachtigheid te boven te komen waren niet enkel twintig jaar nodig. Jezuïeten hebben ook een dure prijs betaald. De zes jezuïeten, die in 1989 vermoord zijn aan de Universiteit van Centraal Amerika (UCA) in San Salvador, hadden precies aangetoond hoe een universitaire instelling een excellent instrument kan zijn voor maatschappelijke verandering, gerechtigheid, dialoog, solidariteit, vrede en nationale verzoening.

De 34ste Algemene Vergadering heeft in 1995 dan ook veel moeite gedaan om de symbiotische samenhang te verduidelijken die bestaat tussen geloof, cultuur, rechtvaardigheid en interreligieuze dialoog.[xii]

Caritas vandaag en morgen

Vandaag kan de Sociëteit van Jezus spreken over een aantal verworvenheden. Ook al maakte de Algemeen Overste, Peter-Hans Kolvenbach, S.J., zich in het jaar 2000 zorgen dat steeds minder deskundige jezuïeten zich voltijds aan het expliciet Sociale Apostolaat wijden,[xiii] er is vandaag een nieuw soort vanzelfsprekendheid waarmee jezuïeten sociale uitdagingen beantwoorden. De jezuïeten in Kenia, bijvoorbeeld, reageren nu spontaan op de crisis in hun land door het hele gamma van liefdadigheid in te schakelen. Samen verlenen ze directe humanitaire hulp, zetten duurzame ontwikkelingsprojecten op, organiseren gebedsdiensten, openen bankrekeningen, en bundelen krachten ten voordele van structurele maatschappelijke verandering, zonder daarbij de ene aanpak te willen uitspelen tegen de andere. Het is allemaal liefdewerk.

Er is ook een ‘cultuur van dialoog’ gegroeid. Ruimte scheppen om samen te luisteren naar elkaar en naar wat God ons nu te zeggen heeft, is iets dat jezuïeten vandaag koesteren. Hoewel, een Algemene Vergadering blijft in de Sociëteit van Jezus een bonte markt. Een nieuwe Algemeen Overste kiezen gaat gewoonlijk heel vlot. Een eenduidig beleid uitstippelen blijft een ambitieuze opdracht. Men zal zich het veelbesproken besluit herinneren over de jezuïet & de vrouw, het Dekreet 14 van de 34ste Algemene Vergadering in 1995. Over het onderwerp had elke jezuïet zo zijn eigen mening. Jezuïeten uit West Europa en Noord Amerika waren erg tevreden met de verklaring over “de Jezuïeten en de vrouw in Kerk en samenleving”; Latijns Amerika reageerde eerder met mannelijke reserve; Afrikanen schenen te denken dat er geen behoefte aan was; Oost Europeanen wisten niet wat ze er na veertig jaar onder Communistische isolatie mee moesten aanvangen; Aziaten stonden voor een raadsel met uitzondering van een paar delegaten uit India die het wél zagen zitten. Eén Oost-Europeaan ging er zo heftig tegen tekeer dat het decreet over de jezuïet & de vrouw tenslotte, met een iets grotere meerderheid wellicht, werd aangenomen.[xiv]

Of het nu gaat over vrouwenrechten of het recht van toekomstige generaties op een gezond leefmilieu, de Sociëteit van Jezus weet dat het belangrijkste hierbij de liefde blijft die zich meer uitdrukt in daden dan in woorden.

De strijd voor vrede en gerechtigheid geschiedt altijd in het licht van de diakonia fidei, de dienst aan het geloof.[xv] De jezuïeten doen daarom niet alleen mee met professionele sociale analyse, de jezuïeten willen ook met Gods ogen kijken naar de wereld van vandaag. Zodoende horen zij een duidelijke oproep om in solidariteit mee te werken aan de opbouw van het rijk van de ‘Eeuwige Koning’: een rijk van liefde, rechtvaardigheid en vrede.[xvi].

Niet elk streven, hoe nobel ook, is noodzakelijk ook wat God de jezuïeten graag ziet doen. Elk apostolisch project wordt daarom vooraf, niet alleen strategisch doordacht, maar ook in gebed afgewogen om te zien waar mijn drang om iets te gaan doen vandaan komt en waar die naar toe voert; en om te zien of onze plannen wel passen in Gods strategisch plan. Als het goed zit zal de inzet ook stille vreugde en rustig zelfvertrouwen geven. Het wordt dan een echte missie, een zending, want die gebeurd in opdracht van Iemand. En werken voor rechtvaardigheid wordt een priesterlijke dienst.

Dit is het geheim van de missionaris. Werken onder arme mensen is soms hard en wreed, maar de strijd is nooit bitter en hopeloos. In wezen, is het allemaal een zwoegen met God[xvii] die in alle dingen  zwoegt voor mij.[xviii]



[i]     De eerste zes werken van barmhartigheid zijn gebaseerd op het Evangelie naar Matteüs 25, 35-36. Paus Innocentius III (1198-1216) voegde er in 1207 een zevende werk bij: 'de doden begraven'  ontleend aan het boek Tobit 1,17.

[ii]    Ignatius van Loyola, Geestelijke Oefeningen, vertaald en ingeleid door Mark Rotsaert, S.J., Averbode /Gooi & Sticht Baarn, 1994, §230, p. 136.

[iii]   Zie vooral: John W. O’Malley, The First Jesuits, Cambridge Massachussets: Harvard University Press, 1993

[iv]   Luigi Taparelli, S.J. (1793-1862) zorgde in de jaren 1820 voor een heropleving van de scho-lastieke theologie aan het Collegio Romano waar de toekomstige paus Leo XIII zijn leerling was. Voortbouwend op het scholastieke Natuurrecht, ontwikkelde Taparelli de concepten van ‘sociale recht-vaardigheid’ en ‘subsidiariteit’.

[v]    We denken hier aan Heinrich Pesch, S.J. (1854-1926) en Oswald von Nell-Breuning, S.J. (1890-1991) in Duitsland, Gustave Desbuquois, S.J. (1869-1959) die in Frankijk in 1903 het Action Populaire stichtte, Sisinio Nevares, S.J. (1878-1946) in Spanje, en John La Farge, S.J. (1880–1963) die in de Verenigde Staten vocht voor rassengelijkheid.

[vi]   Eigen vertaling uit: Padberg, John W., S.J. (Editor), Documents of the 31st and 32nd General Congregations of the Society of Jesus: An English Translation of the Official Latin Texts.  St. Louis: The Institute of Jesuit Sources, 1977, GC 31, d.2, n.3 (21), p. 74.

[vii]   Dekreten van de 31ste Generale Congregatie 1965-1966, uitsluitend voor de leden van de Sociëteit van Jezus, Den Haag, 1967, Decreet 32, 1, pp. 108-109

[viii] Pedro Arrupe, S.J. Men For Others. Education for social justice and social action today, Toespraak to het 10de Europees Oud-leerlingencongres, Valencia, 31 juli, 1973. Beschikbaar:  http://www.creighton.edu/CollaborativeMinistry/men-for-others.html , gedownload 10-01-08.

[ix]   Torres y Robles, Patricia: Historia del proceso de un cierre anunciado: el Instituto Patria, Colegio Jesuita, 1958-1976, Ciudad de Mexico: Universidad Iberoamericana (UIA), Departamento de Historia, Maestría en Historia, 1999.

[x]    32e Algemene Congregatie van de Sociëteit van Jezus, 1974-1975, voorlopige uitgave, Brussel – Den Haag, 29 juni 1975 , Decreet 4, 2, p.1.

[xi]   32e Algemene Congregatie, Decreet 4, 47.

[xii]   Decreten van de 34e Algemene Congregatie, Brussel / Den Haag, 1995.

[xiii] Peter-Hans Kolvenbach, S.J., On the Social Apostolate, Letter to the Whole Society, Rome, 24 January 2000, #5. http://www.sjweb.info/documents/sjs/docs/LetterSocAp.pdf

[xiv] Zie: John W. Padberg, SJ, Expect the Unexpected,Preludes to the 35th General Congregation,  lezing Wisconsin Province Days, Marquette University, Milwaukee, Wisconsin, June 8, 2007. Beschikbaar: http://www.jesuit.org/AboutJesuitConference/gc35/gc35ownwords/500.aspx, gedowload 10-01-2008.

[xv]   De 32ste Algemene Vergadering wilde niet kiezen voor het agressief klinkende ‘propaganda’ van het geloof. Dat riep teveel beelden op van een gewelddadig, koloniaal verleden. In dezelfde geest zou Paus Johannes Paulus II met de Apostolische Constitutie Pastor Bonus, juni 1988, de Congregatie van de Propaganda Fide de nieuwe naam van “Congregatie voor de Evangelisatie van de Volken” geven. Men opteerde voor het nederig in dienst treden als ambassadeur van het Woord dat zich nooit opdringt maar steeds uitnodigend aanbiedt.

[xvi] Ignatius van Loyola, Geestelijke Oefeningen, §§ 91-98, pp. 77-80.

[xvii]    Laborare mecum, uit de meditatie van ‘De oproep van de aardse koning’, Ignatius van Loyola, Geestelijke Oefeningen, § 93, p.78.

[xviii]   Ignatius van Loyola, Geestelijke Oefeningen, §236, p.138.