Interview met pater Koen Meens SJ .
Door Wim Swüste F.I.C.
“Sinds 1988 ben ik betrokken bij de pastorale zorg van de bewoners van “Vinkenslag”. De omgang met deze mensen raakt mij diep. Voorheen leefde ik al te zeer op het kompas van mijn verstand. Maar na een moeilijke periode in mijn leven met succes doorstaan te hebben, koers ik nu ook op het kompas van mijn gevoel. Wijlen Pastoor Wiel Wiertz uit Heer zei ooit tegen mij: “Jij leidt als jezuïet een Franciscaans leven.” Ik ben nu nog steeds aangenaam verrast door de in mijn ogen rake typering van die onvergetelijke priester.
Pastor Koen Meens SJ ( * 1944 Beek [ L ]) heeft het in dit gesprek over zijn werk in de “Vinkenslag”, een van de grootste en natuurlijk gegroeide woonwagencentra van Nederland, over zijn diaconaat en over de Sociëteit van Jezus, waarvan hij een toegewijd lid mag zijn.
Hart voor zwakkeren
“Ik héb wat met mensen die uit de boot vallen. Wellicht heb ik dat van huis uit meegekregen. Toen mij medio 1988 door de toenmalige Deken van Maastricht, Monseigneur Maessen, werd gevraagd om de bejaarde en alom gewaardeerde Pater Piet Denis SCJ op te volgen als “pater” van het woonwagencentrum Vinkenslag, heb ik niet meteen ‘ja’ gezegd. Zijn verzoek viel mij wel erg koud op mijn dak. Ik had het idee dat dit werk haaks stond op wat ik tot dan toe met zoveel plezier gedaan had: jarenlang mijn oudere medebroeder, Pater Sjef Evers SJ, pastorale assistentie verlenen in de zorgcentra voor ouderen te Valkenburg en nadien in Cadier en Keer en Bunde en daarnaast ook de pastoors in de naburige parochies Gronsveld en Rijckholt en vooral in mijn thuishaven, de parochie Sint Petrus Banden te Heer. Maar na een behoedzame verkenning van de mij nagenoeg onbekende plek begon het mij toch te dagen dat dit wel eens mijn stek zou kunnen worden. Toen de Deken mij na een half jaar weer hierop aansprak, heb ik hem toch weer met enige terughoudendheid te kennen gegeven het te willen proberen. En zo gebeurde het dat ik in de nachtmis van Kerstmis 1989 voor het eerst in mijn leven voor woonwagenbewoners mocht preken en daarna van mijn voorganger de sleutels van hun kapel kreeg aangereikt met de woorden: “Zó, nu ben jij de baas!” Sindsdien ben ik er aan het werk en ik moet zeggen dat dit heel eigensoortige apostolaat bij tijd en wijle wel heel ‘heftig’ kan zijn. Maar wellicht ben ik mij mede daarom heel nauw verbonden gaan voelen met ‘mijn’ mensen, en zij ook met mij”.
Zijn allereerste nadere kennismaking met de woonwagenbewoners vond plaats op een zondagochtend in november. Bij de kerkdeur wachtend op pater Denis, die echter niet kwam opdagen voor de mis, werd hem door een tweetal kerkgangers, een oma met haar kleindochter, gevraagd wie hij was. Koen maakte zich aan hen bekend als de nieuwe pater. Tijdens de stilte daarna bekeek de dame hem aandachtig van top tot teen. Wat zij in hem gezien heeft, is nooit ter sprake gekomen. Een feit is dat zij hem enige ogenblikken later uitnodigde in haar wagen voor een kop koffie. Onderweg daarheen, dwars over het centrum, zwaaiden her en der de raampjes van enkele woonwagens open en klonk de vraag in koor: “Betje, wie is die man?” Haar antwoord ‘ónze nieuwe pater’ was meteen zijn introductie en installatie tegelijk. Toen hij na de visite terugliep naar zijn fiets gingen her en der ook deuren open. Die sombere novemberochtend vond zijn lichtzijde in een wel heel opmerkelijke en vooral hartelijke bejegening bij die eerste gedenkwaardige ontmoeting.
“Op het terrein wonen heel wat mensen in goeden doen. Zij wonen in prachtige wagens, die meer lijken op bungalows of chalets”, zegt Koen Meens. “Onderling leven zij in grote solidariteit. Naar buiten toe hebben zij echter het gevoel dat de wereld rondom hen met argwaan bejegent. Ik probeer vooral goed naar hen te luisteren en dan blijkt dat de meesten van hen een gouden hart hebben. Ze stellen het hogelijk op prijs dat er aandacht voor hen is en dat je hen vooral serieus neemt. Communicatie met hen verloopt over het algemeen op een emotioneel niveau. Hun reageren is vooral gevoelsmatig en direct. Bovendien ontdek ik steeds meer dat de kampbewoners op een ongecompliceerde wijze leven. Zij leven bij de dag en dat is eigenlijk heel evangelisch, in de trant van Jezus’ gelijkenis over de vogels in de lucht en de lelies op het veld… Maar ik heb mettertijd helaas toch ook moeten constateren dat er zich intern zaken voordoen die het daglicht niet kunnen velen. Daartegen is de overheid dan ook gaan optreden en dat met alle nare gevolgen van dien.”
Ontruiming
“Een en ander kwam overduidelijk aan het licht bij de onverkwikkelijke gebeurtenissen in april 2004. Vooraf moet ik er nogmaals op wijzen dat ik zelf al geruime tijd heel wat prangende vragen had over het doen van een deel van de woonwagenbewoners ter plekke, maar ook over de nalatigheid van de overheid. Maar al te lang heeft die overheid een gedoogbeleid gevoerd, lokaal én landelijk. Op de vraag ‘waarom’ is geen afdoend en eensluidend antwoord voorhanden. Maar opeens was er die omslag in beleidsvoering. Reeds kort na zijn aantreden vond burgemeester Leers, terecht, dat het roer om moest. Na slepende en uiterst moeizame besprekingen met alle betrokkenen over een normaliseringproces bleek zo is mij pas achteraf ter ore gekomen dat een kleine maar militante groep bewoners het niet eens was met de eisen van overheidswege. Tijdens een confrontatie in besloten kring werd er op 13 april ’s avonds laat besloten tot een protest van bescheiden omvang. Dat zou inhouden dat er op de A2, ter hoogte van het bewuste kruispunt, enig afval gedumpt zou worden. De volgende dag moest ik met het hele land vol ontzetting onder ogen zien dat de stoppen helemaal waren doorgeslagen en dat men met man en macht die vitale plek hermetisch had afgesloten. Ik heb met de rillingen over mijn rug en in ongeloof de averij ter plaatse en met eigen ogen gezien. Toen heb ik eens te meer ondervonden hoe emotioneel en explosief die doorgaans zo gemoedelijke en zachtaardige lui kunnen zijn. Hun escalatie was niet koelbloedig gepland, maar vloeide voort uit een langdurig smeulende veenbrand van ongenoegen en frustratie, die de vlam eensklaps in de pan doet slaan.
De bewoners waren nagenoeg unaniem kapot bij het zien van de desastreuze gevolgen: ontzettend veel en vooral op sensatie beluste interesse van de media, heel wat aangeslagen mannen in de cellen op het hoofdbureau van politie, diepe onderlinge onrust en verdeeldheid, een gevoel van onbegrip naar de buitenwereld toe maar vooral ook naar elkaar toe.
In die periode heb ik menig zweetdruppeltje gelaten en overuren gedraaid. Alsmaar luisteren naar mensen, voortdurend hen trachten te kalmeren en moed in te spreken en de jongens achter slot en grendel bij herhaling bezoeken, met mijn clandestien meegesmokkelde mobiele telefoon tot hun beschikking en het boterhammetje van moeder de vrouw weggestopt in de zakken van mijn jas. Bomen van kerels gingen omver en gaven mij onder tranen te kennen ‘dat dit nooit de bedoeling was geweest en dat wij alleen maar hadden willen aangeven dat wij het er niet mee eens waren.’ Zelf was ik niet of nauwelijks verbaasd dat de publieke opinie de kant koos van het gezag, maar ik vond dat men wel heel gemakkelijk stelling nam. Uit eigen observatie wist ik maar al te goed dat de woonwagengemeenschap in haar geheel keihard werd afgestraft voor wat slechts een kleine groep uit haar midden te weeg had gebracht. Toen ik op tv de beelden van de invallen zag en onder ogen moest zien hoe leden van de Mobiele Eenheid een weerloze moeder in het zicht van haar kinderen letterlijk in elkaar sloegen, raakte ik buiten mijzelf. De mentale ontreddering van de kinderen en van veel ouderen en de vaak zinloze vernielingen ten gevolge van buitensporige machtsontplooiing, die ik kort na de invallen ter plekke te zien kreeg, schokten mij diep. Dat zal mij voor de rest van mijn leven bijblijven. Voor mij waren de rapen toen echt gaar. Ik kon eenvoudigweg niet meer zwijgen. De media wisten mij vliegensvlug te vinden. In een mum van tijd volgde het ene telefoongesprek na het andere. Mij werd zowel in de lokale en landelijke pers en zelfs daarbuiten naar mijn mening gevraagd. Ik was te geëmotioneerd en wellicht ook te gepassioneerd om vage en ontwijkende antwoorden te geven. Mijn vinnige reacties naar de burgervader toe werden mij bepaald niet in dank afgenomen, door hemzelf niet maar ook door menige Maastrichtenaar niet. Ik besefte al gauw dat ik mijn boekje te buiten was gegaan. Ik heb mij daarvoor tegenover de burgemeester verontschuldigd. Gelukkig is de vrede daarna weer spoedig ingetreden. Over en weer hebben de heer Leers en ik elkaar verzekerd van ons oprecht streven om ons ieder op eigen wijze in te blijven zetten voor het gemeenschappelijke doel, namelijk het welzijn van de woonwagenbewoners te Maastricht en de ‘nare perikelen’ ver achter ons te laten. Nu, ruim twee jaar later, ben ik oprecht blij over mijn goede verstandhouding met deze in mijn ogen gedreven maar integere bestuurder en met zijn naaste medewerkers.”
Terugblik
“Als ik op deze roerige periode in mijn pastorale leven terugkijk, dank ik de hemel dat er geen ernstige persoonlijke ongelukken zijn gebeurd. Je moet weten dat er inderhaast allerlei woonwagenbewoners uit omliggende plaatsen naar de kruising op de A2 toe kwamen. Dat zorgde voor een extra druk op het gebeuren, terwijl de meeste van hen maar half wisten waar het eigenlijk om ging. Dat er toen geen wapens zijn gebruikt, mag je een wonder noemen. Zoals ik in het voorgaande al te kennen gaf, ben ik vlak bij de kruising geweest. Maar bij intuïtie wist ik dat ik me niet zou moeten wagen op de plek zelf. Ik zou voor de politiecamera’ s zijn gekomen, met alle gevolgen van dien. Van mijn persoonlijke hulp aan de mensen in nood was dan nadien in het geheel geen sprake meer geweest. Achteraf kijk ik daar nog altijd met enige opluchting en zelfs bevreemding op terug. Wat of wie heeft mij toen daarvan weerhouden? Ik heb mij, na dat uiterst gevaarlijke incident van de blokkade, weken lang intens bezig kunnen houden met de opvang van geëmotioneerde bewoners. Mede daardoor kon de situatie beetje bij beetje worden genormaliseerd. Het is mij destijds vooral opgevallen dat met name de politie zich niet alleen correct maar zelfs vriendschappelijk heeft gedragen. De jongens in de cel werden met respect behandeld en hun pater bovendien. Ik mocht naar ze toe als dat wenselijk was en er werd ook niet gekeken op een kwartier langer dan de geldende voorschriften toelieten. Dat heeft allemaal bijgedragen tot het herstellen van de rust en het vertrouwen.”
Sanering
“Maastricht ondergaat thans een ware metamorfose. Her en der wordt er druk gebouwd aan de toekomst. Het stadscentrum en hele wijken moeten eraan geloven. Het zorgt voor veel ongemak, maar dat zal, naar het zich laat aanzien, te zijner tijd ook heel wat gaan opleveren. Van dat omvangrijke saneringsplan vormt de “Vinkenslag” een onderdeel. Het huidige woonwagencentrum zal worden verkleind en omgevormd tot een bedrijventerrein. Dat vergt een langdurige en omvangrijke logistieke operatie. Na veel overleg wordt geleidelijk aan duidelijk wie er blijven wonen. Een groot deel van de bewoners zal evenwel moeten verhuizen naar reeds gerealiseerde of nog in aanbouw zijnde locaties. Met veel van hen heeft de overheid al afspraken daarover gemaakt. Er is ook een deel dat van geen wijken weet. Zij wachten maar af wat er met hen gaat gebeuren. Voor velen van hen brengen deze ingrijpende veranderingen heel wat teweeg aan onrust en onzekerheid. De delicate en vitale weefsels van de sociale geledingen in de gedurende meer dan honderd jaar gegroeide natuurlijke leef- en werkgemeenschap worden er ernstig door belast en zichtbaar verzwakt. Voor mij als pastor is het in deze fase van het omvormingsproces een hoofdtaak om met regelmaat te vertoeven op de oude en nieuwe woonplekken. Zo kan ik mijn eigen spreekwoordelijke steentje bijdragen aan de overbrugging en verwerking. Veel mensen verkeren echt in een soort rouwproces. Zij moeten hun oude en vertrouwde wereld los durven laten. Dat gaat gepaard met angst en het doet vooral ook veel pijn. Die angst en pijn moet je samen met mensen ondergaan en doorstaan en zeker niet wegpraten. Een volgende stap is dan de verhuizing en de gewenning aan de nieuwe omgeving. Luisteren en nog eens luisteren is hier geboden. Dat is echt wat je noemt l’ apostolat de la présence.”
Helaas treedt er momenteel enige stagnatie op in de uitvoering van de saneringsplannen. De Noordpunt van het centrum is inmiddels genormaliseerd. Het oogt fraai. Op korte termijn volgt de Zuidpunt. Dat laatste houdt in dat de sportaccommodatie van FC Vinkenslag en het gemeenschapsgebouw, waarvan ook de kapel deel uitmaakt, binnenkort plaats moeten maken voor het nieuw in te richten bedrijventerrein. Het is de bedoeling om mettertijd voor de voetbalclub en de kerk nieuwe plaatsen in te richten. Of de geplande realisatie in 2007 helemaal wordt gehaald, is nog afwachten. Maar hoe en op welke termijn het totale project in de komende tijd ook zal reilen en zeilen, de overheid blijft ernaar streven om nieuwe en aan de huidige levensstandaard aangepaste stand en werkplaatsen voor de woonwagenbewoners te creëren, die, zoals een van de ambtenaren de pastor verzekerde, “van eenzelfde kwaliteit als het Centre Céramique” zullen zijn. Er wordt daadwerkelijk heel veel geld en mankracht in die plannen gestoken. Dat beseffen ook alle betrokkenen terdege. In hun reactie valt te beluisteren dat men er nu blij om is, blij ook dat het tij is gekeerd en de ernstigste misstanden inmiddels zijn opgelost, heel erg blij zelfs dat er gelukkig weer op een menswaardige manier over en weer wordt gecommuniceerd tussen overheid en bewoners, maar ook tussen de bewoners onderling. Allengs worden geschonden relaties weer hersteld. Het gaat daarbij eerst en vooral om de toekomst van de jongeren.
Pastorale taak
Vanzelfsprekend is het werk als woonwagenpastor voor Koen Meens gelukkig niet altijd zo heftig als hierboven beschreven.
“Ik ben onder de mensen werkzaam als diaken. Het onderscheid tussen een priester en een diaken speelt voor hen geen al te grote rol. Sommigen verwoorden dat verschil aldus: ‘U bent geen echte pater, hé.’ Ik moet daar altijd weer om lachen en besef dan hoe ontwapenend hun doorgaans traditionele visie op de Kerk en ook hun geloofsbeleving is. Overigens doet de secularisatie zich ook in hun midden gelden. Spreken de ouderen mij nog gewoontegetrouw aan als ‘pater’, de jongeren noemen mij meer en meer bij mijn voornaam. Ik vind dat heel gewoon. Werken als diaken acht ik immers een functie met soortgelijke ontwapenende eenvoud. Van de Kerk heb ik de zending gekregen om zoals de Heer temidden van deze mensen dienstbaar te zijn en bij hen te blijven en zo voor hen de Kerk als een levend Sacrament van menslievendheid en persoonlijke aandacht tegenwoordig te stellen. Dat klinkt ‘duur’, maar ik probeer dat op een simpele manier waar te maken door gewoon mijzelf te zijn en er niet uit hoofde van een ambt in functie te zijn. ‘Être présent et sourire un peu’, zegt Bernanos op onnavolgbare wijze in zijn befaamde roman ‘Journal d’un Curé de Campagne’. Ik ga veel op huisbezoek en praat met de bewoners, met jong en oud. Als er problemen zijn, weten zij mij te vinden. Ik bedien de sacramenten, voor zover dat van mij als diaken wordt verwacht: dopen en, in overleg met de pastoor, huwelijken inzegenen. Verder bereid ik jaarlijks kinderen voor op hun Eerste Heilige Communie. Ik ga voor in Woord en Communievieringen en breng maandelijks ons Heer naar zieken en ouden van dagen. En dat alles op de fiets, winter en zomer, weer of geen weer! Mijn lijfspreuk luidt dan ook: ‘Eerst was er niets en toen kwam de fiets!’ Bij dit mobiele apostolaat heb ik onnoemelijk veel te danken aan de zusters van de Voorzienigheid in Heer. Hun klooster is een oase van groen en hun liefdevolle gastvrijheid naar de woonwagenbevolking is in al die jaren alsmaar toegenomen. Ik ben hen er intens dankbaar voor.
Een heel essentieel onderdeel van mijn dienstwerk is de stervensbegeleiding. Vanaf 1990 heb ik ruim 50 bewoners mogen begeleiden in hun sterven en op hun laatste tocht naar het graf. Zij hadden de leeftijd van 0 tot 95 jaar. Voor de woonwagenbevolking zijn sterven en begraven worden grenservaringen en waarlijk grootse gebeurtenissen. De sfeervolle begraafplaats ‘Oostermaas’ in het Wittevrouwenveld is hun favoriete plek. Zoals dat ook geldt voor de vieringen rondom de Eerste Communie en het huwelijk, komt ook bij de plechtigheid van een uitvaart op een heel uitzonderlijke wijze hun eigen cultuur van leven en vieren uitbundig tot uiting. Het kan niet mooi en ook niet duur genoeg zijn. Vooral de kwaliteit van de lijkkist en de veelal overdadige bloemversieringen vallen iedereen steeds weer in het oog. Tijdens de dienst, vanouds in de grote kerk van Heer, treden er samen met het dameskoor vaak solisten op, zangers met een populair repertoire of instrumentalisten, die bij hun toehoorders de gevoelige snaar trefzeker weten te raken. Op het kerkhof haal je hun grafmonumenten er meteen uit. Veel ‘zuidelijke’ invloed. De grafplaats met soms nog een extra rustbank is overdekt met opsmuk. Zij schromen niet om bij de tocht naar kerk en begraafplaats een ‘leger’ van volgauto’ s voor nabestaanden én bloemen te laten aanrukken. Vóór de cortège steevast bereden politie die op de voet wordt gevolgd door de lijkwagen met op de voorbank naast de chauffeur in tenue de pater. Alles vindt nog een geanimeerd vervolg tijdens een uitvoerige koffiemaaltijd voor de doorgaans talrijke aanwezigen. De officiële rouwperiode vindt met een zeswekendienst en een jaardienst een waardige afsluiting. Tussentijds worden de steeds met lichtjes en levende bloemen getooide graven druk bezocht. Dat gaat nog jarenlang zo door. En het is nog steeds niet ongewoon dat nabestaanden een tijd lang rouw dragen of zelf een jaar lang geen tv kijken, noch mee gaan naar een café voor vertier of zelfs thuis alcohol drinken gedurende een langere periode. Mij is zelfs iemand bekend die het graf van zijn vrouw ruim 15 jaar na haar overlijden nog elke dag in alle vroegte bezoekt.
Ik heb in de loop van de jaren geleerd om deze in mijn ogen oerdegelijk rooms-katholieke stijl van leven en vieren naar waarde te schatten en ik ga er van harte in mee. Zo tracht ik hen op mijn manier te kennen te geven en vooral ook te laten voelen dat zij in onze heilige Moeder-Kerk een eigen plaats innemen en dat zij er volop meetellen als gelovigen, ook al zitten zij heus niet elke zondag in de kerk.
Trouw lid van de Sociëteit
Koen Meens trad in 1964 in bij de Sociëteit van Jezus. Hij deed zijn noviciaat in Grave en voltooide daarna de zesjarige basisopleiding in Nijmegen en Amsterdam. Verder studeerde hij een jaar aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Hij streefde er naar om ooit uitgezonden te worden naar de missie in het Nabije Oosten. Een basiskennis van modern Hebreeuws en Arabisch waren daarvoor noodzakelijk. Vervolgens was hij, na een stagejaar in het internaat Katwijk-De Breul te Zeist, gedurende drie jaar in Straatsburg bezig met een promotieonderzoek. Daar ook was hij tevens als aalmoezenier werkzaam in een joodse kliniek. In het laatste jaar in het buitenland liet zijn gezondheid het echter afweten. De druk van het jarenlang studeren en de wisselende standplaatsen hadden te veel van zijn krachten gevergd.
“Na moeizaam herstel mocht ik mij in 1977 aansluiten bij onze communiteit aan de Lage Kanaaldijk in Maastricht. Een bijzondere levensfase temidden van medebroeders van formaat! Twee en een half jaar later heb ik in goed overleg besloten om alleen gaan wonen in de Demertstraat te Heer. Ik was inmiddels begonnen aan een zesjarige lerarenopleiding aan de Stadsacademie van Maastricht. Deze vond na voltooiing een vervolg van enige jaren in de vakopleiding Beeldhouwen. Toen diende zich, na een uiterst levendig contact met beeldende kunstenaars in spe, het basispastoraat aan. Monseigneur Bomers wijdde mij in 1984 tot diaken. Na mijn wijding vond ik in de parochie van Heer een ideale werkplek. Ik woonde er immers al jaren en had al die tijd op vrijwillige basis meegedraaid in het pastorale team. Dat duurde tot 1989. Enige jaren later ontmoette ik, in verband met het afleggen van mijn Laatste Geloften in de Orde, te Rome onze generale overste, de van origine Nederlandse jezuïet pater Kolvenbach. Tegenover hem heb ik toen in een persoonlijk onderhoud herhaaldelijk mijn bereidheid tot een eventuele priesterwijding te kennen moeten geven. Dat indringende gesprek met de ‘Generaal’ ligt weliswaar weer heel wat jaren achter mij, maar het gesprek daarover met mijn oversten is sindsdien gestaag voort gegaan. Intussen fiets ik fluitend voort en voel ik mij als diaken goed in mijn vel zitten. De vrouw van een melkboer uit Heer, mijn buurlui, dichtte kort na mijn wijding: ‘Feni, Fidi, fitchie, Koen rijdt op z’ n fietsie.” En zo is het maar net! Ik ben warempel in mijn element, zeker in het Wittevrouwenveld, waar ik sinds 1991 woon. Ik voel mij erg ingenomen met de ruimte die ik vanuit mijn orde én vanuit de lokale kerkgemeenschap in Maastricht alsmaar krijg om dienstbaar te zijn voor anderen. Dat kan, zoals in het voorgaande blijkt, wel eens heel emotioneel en spannend zijn, maar in het leven van alledag gelukkig meestal rustig en nabij aan goede mensen. Daarin voel ik mij echt op mijn best. Goddank!”