Mystiek in de fabriek

Over de Godservaring van Egied Van Broeckhoven sj

Priester-arbeider

 (1933-1967)

God kan je vinden in alle dingen, zo leert ons Ignatius. Dus ook in ruige ongeschoolde arbeid in de zestiger jaren van de vorige eeuw. Mystiek in de fabriek. Neen, het is geen slogan, maar de dagdagelijkse ervaring  van priester-arbeider Egied Van Broeckhoven sj. Hugo Carmeliet sj was een gepriviligieerd getuige van het korte leven van Egied. In onderstaande bijdrage vertelt hij het leven van Gied en laat hij vooral Gied zelf aan het woord.

Mystiek in de fabriek

>>

Egied Van Broeckhoven, priester-arbeider en jezuïet, kwam op 28 december 1967 om het leven door een arbeidsongeval. Hij liet een dagboek na. Zij die zijn geestelijke nalatenschap in handen kregen, vroegen zich af wat er met die 26 schriften, 1640 blz. om precies te zijn, wat er met die warrelige massa van vaak moeilijk te ontcijferen notities, moest gebeuren. In 1970 werden ze door Georges Neefs sj gedeeltelijk gepubliceerd onder de titel: ‘Dagboek van de vriendschap’. In zijn verantwoording drukt hij de wens uit dat “velen in het dagboek van Egied de spiritualiteit zullen ontdekken waarnaar ze verlangend uitzien”.

Vandaag, veertig jaar later, blijkt deze wens overvloedig vervuld. Dit dagboek werd vertaald in meerdere talen. Nog altijd gaat er van dit boekje een inspirerende werking uit en worden teksten hernomen in allerlei publicaties. Maar, het ‘Dagboek van de vriendschap’ is sinds lang niet meer verkrijgbaar. Een nieuwe herdruk leek ons te hoog gegrepen. Vandaar het plan om ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van Egieds afsterven een ‘Bloemlezing’ uit dit boek te publiceren met als titel: “Trek je sandalen uit.”

Egied – met roepnaam ‘Gied’ – werd geboren in Antwerpen in 1933. Zijn moeder stierf toen hij nog maar enkele dagen oud was. Wat betekent dit voor een kind? Een diep verborgen, nooit uitgesproken leed, dat wellicht aan de oorsprong lag van zijn soms weemoedige blik,en zeker van zijn spontaan aanvoelen van menselijk leed. Gied is altijd heel dankbaar geweest voor de liefde van zijn pleegouders – Nonkel en Tamie (tante Miet) zoals hij hen noemde -, bijzonder voor de bescheidenheid van hun liefde die zich nooit tussen hem en zijn moeder plaatste.

In 1950 trad hij in de jezuïetenorde. In 1959 behaalde hij aan de KU-Leuven een licentie in de klassieke filologie.

Gied was iemand die opviel door zijn jovialiteit, de ongedwongenheid van zijn goed humeur en zijn non-conformisme. Zonder enige verheffing was hij zich ook bewust van zijn charisma als mysticus.

Ik ervoer God. Dat is een realiteit die ik niet kan wegcijferen, wegdenken, verpsychologiseren, als ik serieus wil zijn

Zo schrijft hij op 7 april 1966. Maar dan wel die mysticus die zelf zijn gesprekspartner uitnodigde om met hem een glas te gaan drinken.

De drama’s van Vondel zijn wel een beetje uit de tijd, maar wie ooit eens een toneelstuk van Vondel zag die herinnert zich misschien nog hoe, alvorens het drama begint, er eerst een bode verschijnt, nog vóór het doek opengaat. Hij wil de toeschouwers op weg zetten om wat volgt beter te verstaan.

Misschien kan dat ook ons wat helpen vooraleer we verder lezen. Het dagboek vertelt ons het verhaal van zijn dagelijks leven, die eenheid die zo treffend is door haar diepte én door haar eenvoud. Deze eenheid berust op de ervaring van drie dingen die in het leven van zoveel mensen slechts zeer los samenhangen: de godservaring, de ervaring van de vriendschap en het apostolaat in de wereld.

De godservaring.

Ik had een zeer diep en zuiver en echt heimwee naar God          22 sept. 1961

Dit heimwee ligt aan de basis van zijn opwindende, ononderbroken zoektocht naar God. Gied speelt zelfs met de gedachte kartuizer te worden.

God trok me naar zich in mijn gebed op een onvergetelijke wijze. Het deed me natuurlijk denken aan het kartuizersleven; ik ervoer dat ik daar zo gelukkig zou zijn door daarin alles te vinden                                          17 maart 1962

Maar toen hij in 1964 priester werd gewijd stond zijn latere levensoriëntatie vast.

God heeft met laten inzien dat mijn verlangen om totaliter voor Hem te leven niet moet gerealiseerd worden in de eenzaamheid en de onthechting van een Kartuizerij, maar in het gaan naar de mensen die het verst van God verwijderd leven, dat is voor mij het contemplatieve milieu dat God me schijnt aan te wijzen.  3 oktober 1964

De vriendschap

Mijn roeping is: aan de mensen de mystieke diepte van de vriendschap te leren (7 maart 1966)

Egied waagt zich aan het avontuur en ook aan de nacht van de menselijke vriendschap. Die vriendschap die zich verdiept tot waar hij de andere ontmoet in zijn diepste kern, waar hij niet meer zichzelf toebehoort maar ‘van God is’.

Evenals een bloem, bijvoorbeeld een tulp, die men in het tegenlicht beziet, zodat de zon erdoorheen schijnt, daardoor veel rijker en dieper schoon wordt,

en evenals er velen – hoe is het mogelijk! – dat nog nooit zagen;

zo pas aanschouwt men de mens in zijn eigenlijke diepste rijkdom, wanneer men het licht ziet dat zijn diepste intimiteit en ook de rest doorgloeit, God,

zo ook – hoe is het mogelijk – zagen velen dat nooit.     2 mei 1959

Het apostolaat

Het apostolaat is niets anders dan de diepste vriendschap, zij is de voorbode van de hemelse liefde waar we voor elkaar een dageraad zullen zijn van Gods intiemste Liefde. Dit is de enige bestaansreden van het apostolaat.             23 januari 1960

Dit heimwee naar God en de mystieke diepte van de vriendschap brengen hem niet naar een kartuizerklooster maar in een armenbuurt in Anderlecht en een fabriekswerkplaats.

Misschien nog dit: drie figuren en hun geschriften hebben Gied heel sterk beïnvloed, het zijn Ruusbroec, Hadewych en Teilhard de Chardin.

 

Met dit als achtergrond mag het gordijn verder open. We onderscheiden twee perioden.  De tijd van voorbereiding (de jaren 1959 – 1965) en de tijd van inzet (1965 – 1967).

I.                  Tijd van voorbereiding: 1959 – 1965

Ik had een kostbare parel,

en God zei:

Werp hem in het diepste van mijn hart,

en ik deed het

en voelde me ellendig;

want ik kende de diepte van Gods Hart niet:

het was als wierp ik alles in de duisternis

Oh noche amable más que el alborada!

(O nacht, ‘bekoorlijker’ dan de dageraad !)                    1 mei 1959

Als het niet waar is dat de diepste liefde tot een mens gevonden wordt in de diepste liefde tot God, dan is heel mijn leven een onhoudbare contradictie. Gelukkig, zo kan ik nooit ver van God leven.                                                     15 juni 1958

Ik verlang één ding, dat is Uw liefde, en die liefde bij de mensen brengen. Al de rest is voor mij flauwe kul.                                           5 juli 1958

Men kan de andere maar werkelijk beminnen als men hem thuis kan ontmoeten; dit is het dubbel ‘heimwee’ van de mysticus: zelf thuis zijn en de anderen thuis vinden, namelijk bij God.                                                        25 januari 1959

Wie de liefde niet aan kan en God niet aan kan, werpt zich op de letter. 27 september 1959

Heer, ik wil door niets anders een persoonlijkheid worden dan door U gezocht te hebben.                                                                        7 november 1959

Het diepste inzicht dat God me in de nacht geleerd heeft: dat hij de diepste intimiteit van de mens is, en dat hij langs daar kan gekend worden. Ik hoef het niet te vulgariseren; het moet mijn diepste leven zijn en zo zal ik het meedelen. 17 mei 1960

Mijn vriend is een bekoorlijke dageraad van Gods eeuwige liefde. 11 juli 1960

Ik zag hoe het diepste apostolaat in de kerk moet gebeuren in het huwelijksleven. 23 november 1960

Wat men bemint wordt op slag ongevaarlijk, zo bv. het communisme. 11 december 1960

Ik zag dat het verlangen voor de mens de enige voorwaarde is om God te bezitten, want God is reeds bij ons. Iets wat men heeft, maar niet verlangt, bezit men niet. Het verlangen is de openheid voor de liefde. Wie verlangt kan ontvangen – de Liefde.

                                                                                          28 augustus 1961

Ik zag dat een mens de hele dag door in zijn diepste Intimiteit het inwendig gebed kan beoefenen. Toch is het nodig zich daar soms expliciet voor vrij te stellen: zo beleeft men expliciet de prioriteit van dat gebed boven al de rest.       6 september 1961

Heer, als Ge mij op een heel andere manier tot U wilt doen naderen dan ik tot nu toe heb gedaan, dan vraag ik niet beter; want niet de manier waarop ik nader, maar Gij zelf zijt voor mij van belang. Zo ook als Ge me anders tot de anderen wilt doen naderen dan ik deed, is dit goed; want henzelf wil ik vinden, niet de manier waarop ik hen tot nu toe vond.                                                                            11 januari 1962

God trok me naar zich in mijn gebed op een onvergetelijke wijze. Ik verloor me in God, zoals ik het vroeger nog deed, als de mysterieuze aantrekkelijke God aan wie men alles kan opofferen…

Het was het gebed van de avonden in het bos van Schilde, van mijn intiemste verlangens op het college.

Een verdere ontwikkeling van die ontmoeting maakte me oneindig gelukkig en leerde me oneindig veel: ik zag als het ware de Vader gekeerd naar mij met het gelaat (de Zoon) en in zijn ogen zag ik de ogen van mijn vriend, in mekaars ogen zagen we in de ogen van God.                                                                        17 maart 1962

NB: Met dit ‘vroeger’ verwijst Egied naar zijn jeugdjaren in Schilde. Het roept spontaan een tekst van Bernardus op: ‘Je verneemt meer in de bossen dan in de boeken. De bomen en de rotsen zullen je dingen leren die je elders nooit zou vernemen’. Het is ook goed om weten dat Egied de humaniora aanvatte op tienjarige leeftijd en zestien was toen hij intrad in de sociëteit.

Heer, als ik persoonlijk, zonder de hiernavolgende beschouwing, te kiezen had, dan zou ik met hart en ziel getrokken worden naar de vorm van religieus leven die me het best Uw aantrekkelijkheid (en die van mijn vriend) in zijn zuiverste volheid laat beleven. Als ik die voorkeur opgeef, is het een levensoffer.

Het enige wat mij ervan kan afbrengen, is het verlangen naar U in Uw trinitaire Liefde met alle mensen, het verlangen namelijk om de mensen die diepste ervaring die ik in het kartuizersleven volkomen zou vinden, mee te delen; om zo velen in die zuivere ruimte te brengen, waar ze voor Uw aanschijn staan, door U aangetrokken, en van waaruit ze mekaar ten volle kunnen beminnen.

Om dit te beleven moet ik me een volledige onthechting en een doorgezet contemplatief gebedsleven eigen maken en een diepgaande apostolische liefde inleven.

Ik denk niet dat ik een apostel kan zijn die ook nog bidt, maar enkel een gebedsman en contemplatieve die van daaruit groeit tot het diepste apostolaat. 9 april 1962

Ik zag hoe belangrijk het is dat men zijn persoonlijke roepinggeschiedenis overweegt; dit moet uitgroeien tot een voortdurende contemplatio ad amorem (beschouwing om tot liefde te komen). Dat is de sleutel tot het enige echte gebed. 13 november 1962

Het probleem van het gebedsleven is niet: hoe moet ik bidden, wanneer moet ik bidden; maar hoe raakt God mij? wanneer raakt God mij?      24 oktober 1963

Wij zijn als een zeediertje op het strand dat alleen bij vloed bewogen wordt door de Zee. We zouden in de Zee moeten liggen, dan zouden we altijd bewogen worden door God.

                                                                                          23 oktober 1964

Met de wereld op de afgrond gaan staan en hem helpen springen in de afgrond van God, dat is mijn roeping.                                                      2 november 1964

We vinden God niet: niet omdat we er te weinig tijd naar zoeken, maar omdat we er niet totaal genoeg met heel ons hart naar zoeken.                        17 maart 1965

Celibaat is een sprong in de liefde, niet een afwijzen van de liefde. Een duiken naar de bron van de liefde.                                                          27 maart 1965

                                         

Durfden we werkelijk het goddelijke zien in het uitbloeien van het menselijke, we zouden de mensen, onze vrienden, ons werk, de kunst, etc. met een goddelijke onstuimigheid beminnen en God met een menselijke spontaneïteit.

Maar we worden nu geremd in onze menselijke door onze zogenoemde goddelijke liefde, en we worden geremd in onze liefde tot God door onze zogenoemde menselijke liefde.                                                                             14 mei 1965

Stilaan groeiend inzicht waartegen ik me zolang mogelijk verzette. God heeft me veel geopenbaard over de liefde, meer dan aan de anderen. God roept me tot onbetreden diepte van de liefde, waar ik alleen zal in mogen doordringen, dieper dan de vrienden, maar niet zonder hen, en ook niet tenslotte alleen. God zal ons tenslotte samen brengen.

                                                                                          12 juni 1965

De wereld moet in vuur staan; nu slaan we alleen nog maar wat vonken uit stenen.

                                                                                          20 juli 1965

God wordt nog te veel tussen haakjes gezet, in plaats van de grote onbekende van het leven te zijn, waar we met alle kracht naar zoeken;

                                                                                          20 juli 1965

                                                                                 

II.                                 Tijd van inzet (1965 – 1967)

In 1965 vestigde hij zich, samen met twee medebroeders, in een arme volksbuurt – tevens migrantenbuurt – in Anderlecht (Brussel), in de omgeving van het Zuidstation.1965! In maatschappij en kerk leek toen alles mogelijk. In de kerk leefde de dynamiek van het concilie. De economie bloeide en er was werk te over voor iedereen. Er waren zelfs werkkrachten te kort. Naast Italianen, Spanjaarden, Grieken en andere nationaliteiten waren het vooral Marokkanen die toen de sprong naar België waagden en zich hier vestigden in deze vroegere jodenbuurt. Gied wilde hun leven, wonen en werken delen.

We moeten niet op de eerste plaats Gods heilsgeschiedenis verkondigen, maar eerst en vooral zelf een stukje heilsgeschiedenis worden. De Kerk moet in ons worden: de tastbaarheid van Gods Liefde voor deze concrete wereld van nu.       14 mei 1967

Het werden echte wittebroodsjaren. Door de brievenbus van de woonruimte die vroeger winkel was geweest, keken kinderen met grote verbaasde ogen naar binnen. Het was de tijd van de jeugdclub in de kelder, van echte vriendschappen in de buurt en op het werk. Er was de ontdekking van het arbeidsmilieu en het enthousiasme van al wat nieuw is.

Eerste middag: gieten van ijzer: “Prachtig! heel goed”. Rode schijn op plafond, 800 à 1000 graden: vloeibaar als water, ik nam een stuk van het ijzer dat er overgelopen was, dacht aan Teilhard; vriend van Albert vraagt me: “Getrouwd? “ “- “Nee” – We zullen een schoon mokke (meisje) voor u zoeken”.Ik vraag aan Albert of het werk van ijzer gieten zwaar is. “Dit hier is het zwaarste”. Ik zat aan de grootste van de vier machines. Goede douches. Eerste dag meer zand dan margarine gegeten. Eerste maal plezier in werk, kracht uitleven.                                                      12 december 1965

           

Gisteren morgen ervaring: toen ik van werk kwam op de grote weg naar Brussel centrum zag ik dat heel die concrete wereld een schepping is van de Vader in de Zoon met de kracht van de Geest: dus geen profane wereld, maar de schepping van God, waarin Hij zich meedeelt en openbaart, le Milieu Divin; nu, hierin spreekt de Vader het Woord tot mij in kracht.                                                   19 januari 1966

                                                                                        

Het leven is schoon (mooi) hier: heel reëel schoon (mooi); volledig communiceren met deze wereld, deze concrete wereld van nu en dat is Gods schepping nu: Brussel, die concrete mensen, in die smerige gieterij, onze vrienden ook, dat alles is de realiteit en die realiteit is heilig, want het is de enige plaats waar God ons kan raken en dus raakt.

Zelfs als ik kon kiezen tussen het brandende braambos en Brussel, ik zou Brussel kiezen.

                                                                                         13 maart 1966

En nog kernachtiger:

Brussel, het brandende braambos van Gods Tegenwoordigheid.       10 augustus 1967

Dank, God.

‘Dank, God’ voor die ontmoeting, voor dat gesprek, voor die situatie. Het is het kernthema van het dagboek, dat tientallen keren heel concreet wordt geformuleerd.

Bezoek achterhuis bij Youssef. en familie: het is grandioos zo bij de armsten thuis te mogen zijn: we dronken thee, allemaal op de grond zittend. Vreugdevolle ontmoeting met de kleine Ismaël die in mijn armen liep.

Bezoek Ahmed.: lang hand in hand .- ‘Nous sommes pobres’. – God, dank voor deze gewone dag; hij is me dierbaarder dan welke grote gebeurtenis en belevenis ook, omdat ik dàn vooral weet dat Gij altijd bij mij zijt, dat het gewone leven zin heeft, dat er niets is buiten U. Dank voor deze gewone mensen…                Einde maart 1966

Toen Christus zei: “Zalig de armen”, was dat geen vooronderstelling maar

een vaststelling.                                                                Einde maart 1967

Wij moeten méér Christus bij de mensen brengen dan “de Kerk”; meer God dan “Christus”, omdat de Kerk en Christus alleen zo hun ware diepte krijgen die ze nu niet genoeg meer hebben.                                                 6 april 1966

Apostolaat is niet: organisaties, niet in eerste plaats iets doen. Het is wel Gods Tegenwoordigheid doen toenemen.                         6 augustus 1967

De plaats waar men God ontmoet is die waar men alles achterlaat voor deze wereld; dan wordt deze het brandende braambos (“doe uw schoenen uit”); het hart van de wereld is de mens, het hart van de mens is de Liefde, (het hart van) de Liefde is God.

Zo is zich verliezen aan de wereld gelijk aan zich verliezen aan de vriend, gelijk aan zich verliezen aan God.

Er is geen echte Godservaring waar deze niet het wezenlijke element wordt in de concrete te verlossen wereld van nu.                              augustus 1967

Bezoek aan Abdelazis: hoogstaande menselijke goedheid en vriendschap. In al zijn miserie (ongeluk kostte hem bij de 50.000 fr.) kocht hij nog een boek voor mij waar hij niets voor wilde.                                                              1 november 1967

            Ik moet een Gods man zijn.

            Mozes - Abraham- Jezus

            In dit milieu dat ik gekozen heb:

            God zoeken, ervaren, meedelen.

            Een steun voor mijn broeders                                   17 december 1967

            Comme un homme a besoin d’une femme (de la femme), moi j’ai besoin de mon Dieu.

            Comme un homme a besoin de sa femme, moi j’ai besoin de mon Dieu.    27 april 1967

Harde realiteit

Maar die realiteit is ook hard. In zijn dagboek wisselen gevoelens van dankbaarheid af met de zwaarte van het arbeidersleven en de fabriek.

De mens wordt puur als een machine gezien in dienst van de productie. Maandag: 60 à 70 stuks, dinsdag 80, woensdag 85, donderdag 105, en nog kwam de ploegbaas het ritme opdrijven: er alles uitpersen! Morgen werk ik weer trager: hij kan mijn….                                                                                                            

                                                                                              20 januari 1966

          

Oscar gaf me een aantal stukken! Ik was aangedaan, kapotgewerkt. 3 maart 1967

 En even verder

Ongeveer 8uur: ongeluk. Stroom weg, ik wilde machine met de hand zetten, bleef automatisch gaan: duim 5 seconden ertussen geplet: lelijk gezicht, liep naar bureel.

Grijze frak (jas) speelde op: na twee maanden, hoe is ’t mogelijk! In het begin zou ik het nog kunnen begrijpen; hoe is het gekomen? Ik vertel: automatisch en niet automatisch.

Ge moet roepen als het niet gaat, ge zult nog geslapen hebben 25 januari 1966

Zo deelde Gied het leven van zijn kameraden: hun noden, hun werk, hun werkverlies, hun zoeken naar ander werk, hun zoeken naar een beter appartement, hun koude op het bedrijf, hun gevaren…hun dood.

 20 man ontslagen, ik ook. Ik was blij dat ik geen uitzondering maakte.       Van iedereen  afscheid nemen. Laatste handdruk.                         25 mei 1967

Gied vond opnieuw werk in een grote ijzerfabriek. Maar ook hier gaat het er niet veiliger aan toe

Twee zware bijna dodelijke ongevallen: kabel brak, van plus minus 5 ton (arm gekwetst; een plaat schoot weg uit grijper (bijna middendoor). Minstens om de veertien dagen een accident! (Er is een eindejaarspremie voor wie geen accident had!!!). Laatste drie ongevallen: 1/12: Italiaan brak zijn voet (lange staaf viel er op);

4/12: Marokkaan kreeg spoel op been; 11/12: Gentenaar kreeg kabel van laadbrug tegen het hoofd.                                                                 11 december 1967

De nacht

Ik voelde me totaal alleen, verlaten in een vreemde wereld: mijn engagement in die Godverlaten wereld: contemplatief zijn, God tegenwoordig brengen. Diepe pijnlijke ervaring van nacht: hoop (op Godsontmoeting?).           8 oktober 1967

      

 God kan ervaren worden, laat zich ervaren: dat GELOOF ik, dat HOOP ik. Dat is de grond van mijn leven, het brandpunt.                              19 oktober 1967

Brussel, het brandende braambos van Gods Tegenwoordigheid, schreef Egied in zijn dagboek op 10 augustus 1967. Maar ook wat Eloï Leclerc schrijft is hem niet vreemd gebleven: De plaats van verlatenheid en afwezigheid is het brandend braambos geworden.

Een verslag van een recollectie gehouden op 20 november 1967, enkele weken voor zijn dood, geeft ons nog het best een beeld van wat er in hem omging.

Hij zegt daar:

Het laatste half jaar heb ik heel mijn geloof moeten in vraag stellen. Echt bij de grond gezogen. En dan heb ik ontdekt:

1° ervaring van vriendschap. Als dat er niet meer is, dan verzuipt ge.

2° Er zijn in mijn leven momenten geweest van Godservaring.

En die twee: vriendschap en Godservaring vullen elkaar aan.

En al ik alles in vraag stel dan is dit het punt: dat ik in alle geval iedere dag

opnieuw aan ’t werk ga. Dat is mijn fundament.

Het is oktober 1967. In het dagboek verschijnt iets als een vaag voorgevoel van wat komen gaat.

Als ik hier nog lang blijf, kan het vroeg of laat mijn leven kosten”, bekende hij eens. Maar hij besliste te blijven: “Ik zou niet graag anders worden behandeld dan mijn kameraden”.

De laatste dagen leek hij onrustig en bedrukt. Hij leed eronder dat de Kerk in haar geheel nog zo ver stond van de wereld van deze kleinen. Was het dàt wat hem bedroefde? Hij had juist zijn laatste Kerstmis gevierd bij hem thuis in Schilde. “Het was onze droevigste Kerstmis”, zei Tamie, zijn pleegmoeder, “hij was zo onrustig”. Het leek of hij geweend had. Hij was rechtgestaan en had haar omarmd. Misschien werd hij die laatste dagen ook bezield door een groot verlangen naar God. In zijn dagboek vermeldt hij in die dagen meerdere keren zijn ervaren van een ‘verlangen naar God’. In een schriftje dat in zijn werkkastje lag op zijn bedrijf vond men deze zin: “God is liefde, verlangen God te zien. – Exodus 33,9-11

Hoe is het gebeurd?

Samen met Georges, zijn werkmaat van de laatste maanden, was hij aangeduid om metalen platen van zes bij anderhalve meter, die door een laadbrug werden aangebracht, op te vangen en de klemmen van de kraan los te maken. De platen werden verticaal gestapeld tussen ijzeren paaltjes. De klem van een plaat bleef haperen en Gied ging achter de stapel staan om ze los te maken. Op dat ogenblik brak een van die steunpilaren, de andere begaven, het hele pak, met een gewicht van verschillende duizenden kilo’s, viel omver. Door het gewicht van de vallende platen werd Gied met geweld achterover geslagen, tegen een rechtstaande plaat achter hem. Door de harde slag brak zijn nekwervel. Hij stierf meteen de armen wijd over de platen geopend. Hij was juist 34 geworden. Het was ook de sterfdag van zijn moeder…

‘Totterdoot’

Als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht” Joh. 12,24. Was het daarom dat Gieds uitvaart op een koude regenachtige dag reeds iets feestelijks had? Het kerkhof van Groot-Bijgaarden was bedekt met een dun laagje sneeuw en rond het graf lagen de vele bloemen van Gieds vrienden. Alles ademde vrede.

God leeft in de vriendschap die we geven, maar vooral krijgen van al die mensen waartussen we leven.                                                14 mei 1967                                                                                     

Gied kon niet meer weg uit de greep van God en de mensen. Zijn leven was verpacht tot de dood toe. Naar aanleiding van de dood van een jonge medebroeder in november 1965 schreef Gied in zijn dagboek

Staf brengt me dieper dan ik tot nog toe leefde in mijn apostolaat; ik moet ‘met Christo lijden totterdoot’ (Hadewych): ontslag op werk, etc.           27 november 1965

Twee jaar later, op 14 mei 1967, lezen we:

Aangezien de totale vriendschap voor mij de enige echte, soms moeizame, maar zeer troostvolle weg is waarlangs het Rijk Gods groeit in de wereld van nu, kan en mag ik niet meer terugkomen op mijn keuze van priester-arbeider.        14 mei 1967

Deze woorden heeft hij met het offer van zijn leven onderschreven.

Zelf kon hij zijn leven slechts ‘besteden’, door zijn dood heeft hij het ook ‘gegeven’.

Méér dan zijn gedachtenis, zal zijn hart midden onder ons blijven leven.

Klik om een grotere afbeelding te zienOm de brochure met de teksten van Egied Van Broeckhoven sj te bestellen, klik hier.