Doctoraatsverdediging van Georges Ruyssen sj
Rome 16 febr. 2007
Vrijdag 16 februari 2007 heeft Georges-Henri Ruyssen sj aan de Gregoriana Universiteit te Rome ‘summa cum laude’ zijn proefschrift verdedigd binnen de faculteit Canoniek Recht, met de titel ‘De communicatio in sacris de Eucharistie. Evolutie van het universele normenstelsel en vergelijking met enkele lokale normen.’ Zijn promotor was James Conn s.j., als copromotor trad Janusz Kowal s.j. op en de verdediging werd voorgezeten door Michael Hilbert s.j.
Bij de communicatio in sacris (c.i.s.) gaat het enerzijds om het ontvangen van sacramenten door katholieken uit handen van niet-katholieke bedienaren en anderzijds om het toedienen van sacramenten aan niet-katholieken door katholieke bedienaren. In zijn verdediging zette Georges uiteen dat de communicatio in sacris wordt gereguleerd vanuit twee principes: dat van de eenheid van de Kerk en van het laten deelnemen aan genademiddelen. Dit brengt een spanning met zich mee tussen belemmeringen in de ‘communicatio’ en het toestaan in bijzondere gevallen.
Na het tweede Vaticaanse concilie heeft zich een verruiming voorgedaan van de mogelijkheden tot c.i.s. binnen het universele normenstelsel, waarbij zoals bekend een onderscheid wordt gemaakt tussen de orthodoxe kerken en andere christelijke kerkgemeenschappen. Promotor James Conn heeft deze ontwikkeling nog meegemaakt in de Verenigde Staten: voor het concilie ging hij uit principe niet naar binnen in een protestants kerkgebouw, hoewel hij wel protestante vrienden had; na het concilie veranderde deze situatie. Hij was vol lof over de presentatie en het proefschrift van Georges, vanwege de ‘helderheid, compleetheid en actualiteit ervan. Georges bekritiseert weliswaar enkele officiële documenten, maar doet dit steeds beargumenteerd en gecontroleerd.’
De rol van de copromotor is een andere: deze dient het proefschrift te bekritiseren, aldus Kowal, die zich met enige moeite in deze rol schikte. ‘Het proefschrift verdient een zeer positief oordeel vanwege de deskundigheid en grote ijver van de schrijver die zich onder meer laat zien in de overvloedige bibliografie.’ Toch had hij ook enkele punten van kritiek kunnen vinden, die hij wellicht beter op een briefje had kunnen zetten, onder andere betreffende de enorme hoeveelheid voetnoten.
Substantiëler was de discussie die volgde over de reikwijdte van de toestemming voor c.i.s. in bijzondere gevallen, met name waar het gemengde huwelijken betreft van een katholieke en een protestante partner. Volgens Georges kunnen ‘bijzondere spirituele noden’ zich ook voordoen gedurende hun huwelijksleven, bijvoorbeeld bij hoogfeesten, bij de eerste communie en vormsel van de kinderen, bij retraites, etc. Hij beriep zich hierbij op het begrip ‘huiskerk’, o.a. gebruikt door Johannes Paulus II in het document ‘Familiaris Consortio’. Kowal was echter de mening toegedaan dat er hierbij geen sprake is van ernstige noodzaak. Het oordeel in deze situaties is voorbehouden aan de lokale bisschop of bisschoppenconferentie, die richtlijnen kunnen formuleren, waarvan Georges diverse voorbeelden gaf.