De laatste eer bewezen

Gegrond of niet: er waren machtige mannen in het achttiende-eeuwse Europa die een intense hekel hadden aan de Sociëteit van Jezus. De eerste minister van Portugal was zo’n man, Sebastiaan de Carvalho e Melo, markies van Pombal.

Jesuitica >>

Nijs >>
De Markies van Pombal >>
Nadal, Ignatius’ rondreizende spreekbuis >>

Naast een zwakke koning Jozef I was hij sedert 1750 de eigenlijke regeerder van het land, dat hij op hardhandige wijze trachtte te moderniseren volgens de beginselen van de Verlichting. Ergerniswekkend had hij de boetepredikatie van bepaalde jezuïeten gevonden die de grote aardbeving van Lissabon in 1755, met 30.000 doden, de straf noemden voor de zonden van Portugal. Woedend was hij geworden, toen enkele jezuïeten in Lissabon zich in 1756 uitspraken tegen de gedwongen verplaatsing van de Guaraní uit hun leefgebied in de Portugese kolonie Paraguay. De “reducties” waar de Guaraní woonden, werden geleid door jezuïeten en hoewel de paters ter plaatse conform het bevel van hun algemene overste niet tussenbeide waren gekomen, was het protest van de paters in de hoofdstad al voldoende aanleiding om de jezuïeten uit Paraguay te verbannen. De predikers en biechtvaders van de Sociëteit aan het hof waren de volgenden die werden verwijderd. Vermeende financiële malversaties, betrokkenheid bij een aanslag op het leven van de koning: de markies greep alles aan om de jezuïeten moreel en fysiek te isoleren. In januari 1759 werden de eersten gearresteerd, een maand later de meeste huizen in Lissabon gesloten, in april de hele orde uit Portugal verbannen. Elfhonderd jezuïeten moesten het land verlaten en 250 werden gevangen gezet. Licht was er niet in de ondergrondse hokken van Pombal, lucht drong er niet door; vochtige holen waren het, vol stank en ongedierte. ‘Alles verrot hier’, zei de gouverneur van zo’n gevangenis, ‘alleen de paters verrotten niet.’ ‘Inderdaad schijnt het – reflecteerde een van hen – dat wij door een waar mirakel behouden blijven om voor Jezus Christus te lijden.’

‘De ongelukkige...’

Portugal was ook het eerste land waar het tij begon te keren, nadat de Sociëteit in 1773 door paus Clemens XIV was opgeheven. Koningin Maria, die haar vader Jozef I was opgevolgd in 1777, liet de 45 resterende jezuïeten vrij uit hun kerkers; haar vroegere biechtvader mocht terugkeren aan het hof. Nog datzelfde jaar werd het proces van 1759 tegen de orde herzien en ontving zij plechtig eerherstel, in oktober 1781. Sebastiaan de Carvalho, markies van Pombal, werd schuldig verklaard aan het onrecht dat de paters was aangedaan, aangeklaagd wegens corruptie en verbannen naar zijn landgoed. Hij stierf al een jaar later, vol berouw over zijn daden en verzoend met de Kerk. Daarmee was de Sociëteit van Jezus overigens nog niet in haar rechten hersteld. De wetgeving die Pombal had geïnitieerd en vooral de verhouding tussen Kerk en staat werkten tegen hen. En de vijandige verhalen... Zo werd nog rond 1820 beweerd dat de Franse novicen ‘op Goede Vrijdag een dolk stoten in het standbeeld van Clemens XIV, die volgens hun in het vuur van de hel geketend ligt, en ook in de beeltenissen van Pombal en zijn zwakke vorst’. Het was een Franse jezuïet, Delvaux, die met vijf pater en twee broeders naar Portugal ging in 1829, toen prins Miguel het eindelijk waagde om de orde terug te roepen. Op reis van Lissabon naar het college van Coïmbra kwamen zij op 17 februari 1832 aan in het stadje Pombal. Onder klokkengelui werden zij ontvangen door de priesters en gelovigen, om hen in feestelijke processie naar de parochiekerk te brengen. Delvaux en een broeder gingen echter ongemerkt naar de kerk van de franciscanen om daar te bidden bij het graf van hun voormalige aartsvijand Sebastiaan de Carvalho. ‘Maar de ongelukkige heeft geen graf. Al wat wij vonden, was een lijkbaar, dichtbij het hoofdaltaar, overdekt met een armzalig kleed. Pater gardiaan verzekerde ons dat dát het lijk van Pombal was. Tevergeefs wachtte hij hier op de eer van een begrafenis sinds 5 mei 1782. In waarheid kan ik getuigen dat na een halve eeuw van verbanning de eerste daad van de Sociëteit bij haar terugkeer in het bisdom Coïmbra een mis geweest is, opgedragen in aanwezigheid van de dode, voor de zielenrust van hem die haar had verbannen. Toen ik de stad Pombal verliet, wist ik nauwelijks of ik gedroomd had of niet: het lijk aanwezig, de naam Sebastiaan uitgesproken in het  liturgisch gebed, en daarbij het klokkengelui van de hele stad bij de terugkeer van de Sociëteit: het was allemaal zó vreemd! De indrukken die ik toen beleefd heb, zullen wel nooit meer uitgewist worden uit mijn hart.’

Symbool

Toen koningsmoord en revolutie in 1910 de weg vrij hadden gemaakt voor de fel antiklerikale republiek werden de jezuïeten opnieuw “voor eeuwig” uit Portugal verbannen. Zeven jaar later werd in het centrum van Lissabon de eerste steen gelegd voor het kolossale monument ter ere van de markies de Pombal, ooit verbannen wegens wanbeheer, nu geëerd als groot hervormer. Aan zijn zijde een leeuw, het symbool van seculiere macht.


IHS > geschiedenis > thematisch