|
Kennismaking met Bart Beckers sj
Wanneer en waar heb je je eerste geloften afgelegd?
De eerste geloften heb ik samen met Walter Ceyssens afgelegd op 16 september 2006 in de kapel van Godsheide. Het feit dat dat daar kon gebeuren had me zeer verheugd, want Godsheide heeft in de tijd voor en tijdens het noviciaat een grote rol gespeeld. Ik heb daar mijn (bewogen) retraite gedaan voor de intrede en tijdens mijn experiment in Delft ben ik met Bert ten Berge (NER) mee geweest voor een bezinningsweekend met leraren van het Stanislascollege, wat ook bijzonder was. In de wetenschap dat Godsheide daarna gesloten zou worden, maakte de geloftenviering (en natuurlijk de aanwezigheid van Pater Generaal) grote indruk. Daarbij ben ik zo ongeveer om de hoek opgegroeid, dus kon mijn familie er makkelijk bij zijn en voelde het bijna als een ‘thuiswedstrijd’.
Vertel eens iets over je leven vóórdat je intrad bij de jezuïeten.
Ik ben geboren en getogen in Maastricht, als oudste van een gezin met vier kinderen. Na mijn eindexamen was er net een universiteit gesticht in die stad en daar heb ik geneeskunde gestudeerd. Van mijn militaire dienstplicht had ik vanwege deze studie uitstel gekregen, waardoor ik na afsluiting van de studie als militair arts twee jaar gewerkt heb in Apeldoorn. Achteraf gezien geen slechte plek om het vak te leren, vooral omdat ik niet in een ziekenhuis wilde werken. De baan was een combinatie van huisarts en bedrijfsarts en ik had het geluk in een mooi nieuw gebouw met leuke collega’s te werken; niet alleen artsen, maar ook verplegenden, fysiotherapeuten en maatschappelijk werk. Na de diensttijd heb ik gesolliciteerd voor een baan buiten het ziekenhuis en ben aangenomen in een verpleeghuis in Alkmaar. Werk en woonomgeving bevielen dermate goed dat ik er de opleiding verpleeghuisgeneeskunde gedaan heb, een studie aan de V.U. in Amsterdam. Het laagdrempelige en multidisciplinaire teamwerk in dat vak heeft me altijd bijzonder bekoord. Alhoewel werken in een verpleeghuis heel druk kan zijn, word je als medewerker gedwongen het tempo van de oudere medemens te volgen en dat voorkomt, gelukkig, voor een groot deel dat je als arts je patiënt voorbij holt. Na acht jaren ben ik verkast naar een verpleeghuis in Hoofddorp, waar ik naast het medische werk managementtaken had. Na drie jaren in die locatie heb ik nog twee jaren in Aalsmeer gewerkt, voordat ik naar het noviciaat in Birmingham verhuisde.
Hoe heb je de jezuïeten leren kennen ?
In de periode, een aantal jaren geleden, waarin ik (weer eens) bezig was met de vraag of ik een roeping had en hoe dan wel, ging een goede vriendin van mij werken in het Ignatiushuis in Amsterdam. Al pratend over haar nieuwe baan, hoe dat bevalt en zo, kwam het activiteitenprogramma ter sprake. Daar was niets bij wat mij echt boeide, in die zin dat het antwoorden wou geven op de vragen, die mij toen bezig hielden. Via de daar genoemde website kwam ik in contact met het Stanislashuis in Delft en ik heb toen in de vastentijd een lezingencyclus over Ignatiaanse spiritualiteit gevolgd. Dat klonk goed en voelde redelijk positief. De paters wisten (denk ik) niet van deze achtergrond, en ik zelf was nogal afwachtend. Het jaar daarop ben ik terug gegaan voor de voordrachten over de Jezuïetenmissie door de eeuwen heen en die combinatie (het “hoe-en-wat”, zal ik maar zeggen) heeft me een duwtje in de juiste richting gegeven. Een goede schoolvriend woonde en werkte in die tijd in de Verenigde Staten en ik bezocht hem en zijn gezin elke zomer. Hij wist van mijn overwegingen en plannen en bood aan gesprekken te regelen met bevriende Jezuïeten aan zijn universiteit (Creighton University, Omaha, Nebraska). Die hebben me bemoedigd het ingeslagen pad verder te volgen. Terug in Nederland ben ik via Delft in Amsterdam terecht gekomen voor individuele geestelijke begeleiding, ik woonde toen in Haarlem.
Toen ik mijn ouders vertelde dat ik van plan was in te treden in de Sociëteit, vertelde mijn vader tot mijn verrassing dat ik niet de eerste jezuïet in de familie zou zijn. Hij toonde me de foto’s van een neef van zijn moeder, mijn grootmoeder, Pater Jules Janssen (IDO), gestorven in 1991, die lang in Indonesië was en in Nijmegen begraven ligt.
Wat is je meegevallen in je leven als jezuïet tot nu toe, en wat is tegen gevallen ?
Iets dat me tot op vandaag iedere keer zeer aangenaam verrast is de gastvrijheid van de communauteiten die ik kortere of langere tijd bezocht. Dat is in verschillende landen geweest en ook de samenstelling en grootte was steeds anders. Misschien is het meest bijzondere wel de vanzelfsprekendheid, waarmee je erbij hoort als je intreedt in de Sociëteit, zelfs al in het noviciaat. Het heeft me iets getoond van het internationale karakter van de Sociëteit en heeft me gesterkt in mijn roeping, elke keer als ik dat ervaren mocht.
Wat niet makkelijk was en is, is na een werkzaam leven van vijftien jaren weer ‘opnieuw te beginnen’. Zeker tijdens het noviciaat waren er momenten van sterke gevoelens mijn tijd verspild te hebben en dat het zo lang zou duren door de nieuwe opleidingen (op zich een prachtige nieuwe kans) voor ik met en voor mensen kon werken. Langzaam heb ik geleerd dat ik nu, anders dan destijds bij geneeskunde, iets dat ik vandaag leer, morgen terug kan geven - dat heeft geholpen het vol te houden.
Ik ben blij dat ik in München naast de studie gelegenheid heb voor sociaal werk en op het spirituele vlak met studenten bezig kan zijn.
Sinds september 2006 woon ik in het Berchmanskolleg. Ik studeer aan de naastgelegen Hochschule für Philosophie, een van de grootste werken van de Duitse Provincie. Ik doe er het “Grundstudium Philosophie”, de tweejarige basisopleiding. Als scholastieken volgen wij ook colleges Fundamentaaltheologie, Inleiding Oude Testament en Inleiding Nieuwe Testament.
Je hebt het verslag gelezen van de Provinciale Congregatie van onze provincie.
Je was er zelf niet bij. Wat valt je dan op ?
Ik vind het een open en eerlijke analyse. Aan de ene kant de erkenning en bewondering voor alles wat in het verleden bereikt is en voor de mensen die dit samen en individueel gedaan hebben; aan de andere kant is het duidelijk dat in de 21e eeuw een andere sociëteit, een andere provincie, in een andere Nederlandse samenleving aan het werk is dan in het verleden. Als ik het goed gelezen en begrepen heb, wil de provinciaal in de toekomst de jezuïeten voor Nederland behouden en wel duidelijk herkenbaar: levend in communiteiten midden onder de mensen, terwijl ze datgene leveren waar ze goed in zijn: “zielen helpen”, vooral in een combinatie van parochiewerk, pastoraat en geestelijke begeleiding, in een vorm aangepast aan de tijd, lokale situatie en de noden van de (plaatselijke) kerk. Ik ben hier blij mee en voel me er door bemoedigd. Toen ik overwoog in te treden was een van de belangrijkste vragen waarop ik een antwoord moest vinden, de mogelijkheid dat ik voor de rest van mijn leven zonder de geneeskunde zou leven: zou ik dat wel kunnen. Het antwoord was dat dat wel zou gaan voor de technische kant van het vak, maar niet voor de menselijke. In de verpleeghuiswereld zijn de contacten tussen arts en patiënt erg direct en laagdrempelig, wat een groot voordeel, maar ook een aanzienlijk uitdaging is, want verschuilen achter te veel professionaliteit werkt niet. De toekomst, zoals idealiter door Jan Bentvelzen geschetst, valt wat dat betreft precies in mijn “verwachtingsprofiel”.
Je woont in een studiehuis met scholastieken van veel andere provincies - geeft dat een andere blik op de thuissituatie ?
Niet echt, in die zin dat ik het grootste deel van mijn “jezuïetenbestaan” buiten Nederland doorgebracht heb: noviciaat in Engeland met een experiment in Delft, de geloften in Godsheide en vervolgens meteen door naar München. Wat dat betreft is in een heel aantal opzichten de Nederlandse provincie vreemder voor mij dan menige buitenlandse. Daarom was ik blij met dat experiment in Delft en is het goed communauteiten te bezoeken als ik in Nederland ben. Ofschoon, toen we vorig jaar oktober met de groep scholastieken uit München onze vakantie in Nederland gehouden hebben en de communauteiten van Delft, Den Haag en Amsterdam bezochten, had ik al het goede gevoel dat ik ze “mijn” provincie kon laten zien, een sterk gevoel van gastheer te zijn en ook een beetje trots. Samenwonen met zoveel verschillende nationaliteiten geeft een goed beeld van de internationale dimensie van de Sociëteit en voor mij is dat bijna de “normale”. Ik verbaas me dan ook wel eens, ofschoon ik het in individuele situaties goed begrijpen kan, als jezuïeten opmerkingen maken waaruit blijkt dat ze niet veel verder dan de eigen provinciegrenzen kijken.
Welke communauteit of welk apostolaat in Nederland ken je het beste ?
Tijdens het noviciaat heb ik mijn eerste experiment gedaan in Delft. Ik ben met iedereen overal naar toe gegaan en heb een goed overzicht gekregen van het zeer diverse werk in deze communauteit, in de school, pastoraat, geestelijke begeleiding van groepen, gebedsweek etc. In dat stadium van mijn vorming was het goed om te zien hoe divers het werken als Jezuïet zijn kan en te ervaren hoe dat bij me past. De communauteit was erg gastvrij en ik heb me toen, en elke keer als ik er nadien was, zeer welkom gevoeld.
|