Na vierentwintig jaar aan het hoofd te hebben gestaan van de Sociëteit van Jezus (de jezuïetenorde), zal de Nederlander Peter-Hans Kolvenbach s.j. zijn ontslag aanbieden aan de Algemene Congregatie van zijn orde. Ruim 220 jezuïeten, gedelegeerden uit de hele wereld, komen vanaf 5 januari 2008 in Rome bijeen om een nieuwe generale overste te kiezen. Tijd om met pater Kolvenbach de balans op te maken van een lange bestuursperiode.
Pater Kolvenbach, welke aanleiding is er voor u om nu een Algemene Congregatie bijeen te roepen, waarbij onder andere over uw opvolging zal worden besloten?
“De Kerk en de huidige Sociëteit hebben te maken met vraagstukken die een aandachtige en creatieve bestudering vereisen. De globalisering, de emigratie, de massale volksverhuizingen, het relativisme, de secularisatie en zoveel andere zaken, zijn uitdagingen waarmee in meerdere of mindere mate alle landen mee te maken hebben, en die om belangrijke veranderingen vragen in onze apostolische planning.
Tijdens ons jubileumjaar in 2006 heeft paus Benedictus ons eraan herinnerd wat de Kerk heel nadrukkelijk van de Sociëteit verwacht op het gebied van filosofie en theologie die van oudsher door de jezuïeten beoefend worden. Als voorkeuren op ‘geografisch’ gebied v oelen wij ons geroepen om op bijzondere wijze bij te dragen aan de evangelisatie van Afrika en China.
Bij deze zeer belangrijke redenen komt een andere met een persoonlijk karakter: de vele jaren dat ik belast ben met het bestuur van de Sociëteit. Zo God het wil, zal ik in 2008 tachtig jaar oud zijn en vijfentwintig jaar algemene overste. Dit zijn omstandigheden die terecht vragen of het niet wenselijk is een punt te zetten achter een zo lange periode.”
Wat zijn de voornaamste vreugdes en wat zijn de zorgen van deze periode?
“Ik heb de vreugde en het voorrecht gehad zo’n beetje
overal ter wereld mijn medebroeders te kunnen bezoeken en te zien hoe zij de Heer dienen door de blijde boodschap te verkondigen in talloze omstandigheden, die in materieel of mentaal opzicht vaak moeilijk of hard zijn. Soms is de hulpverlening aan christenen die in situaties van armoede of grote tegenstand zitten zelfs dankbaarder dan te moeten preken in een woestijn van onverschilligheid en religieuze leegte. Dit dienstwerk uit zich in een
grote variëteit aan pastorale en sociale, spirituele en pedagogische werkzaamheden, in geestelijke begeleiding en in massacommunicatie.
Naast deze vreugdes is er de zorg niet te kunnen beantwoorden aan alle verzoeken en aan alle verlangens van de Heer van de wijngaard. De bijna twintigduizend jezuïeten kunnen niet meer dan hier en daar planten en begieten, in samenwerking met alle levende krachten in de Kerk, en daarna bidden dat de Heer een overvloedige oogst zal geven.”
In 2003 maakte u aan de Sociëteit vijf apostolische prioriteiten bekend: Afrika, China, het intellectuele apostolaat, de internationale werken en huizen in Rome en hulp aan migranten. Laten we er één uitlichten: China. Waarom juist daar?
“De jubileumvieringen van vorig jaar hebben opnieuw de grote populariteit duidelijk gemaakt van
St. Franciscus Xaverius, die stierf voor de kust van China. Hij kon zijn missie niet als afgesloten beschouwen zonder China te laten kennismaken met het goede nieuws van Christus. Later is de Italiaan Matteo Ricci erin geslaagd de dialoog met de Chinezen op te stuwen tot het hoogste niveau van hun cultuur. Zijn steekwoord was ‘vriendschap’, in de overtuiging dat de Chinezen hém iets konden leren en in de zekerheid dat hij hen een ware schat had aan te bieden. Aan die benadering in de ontmoeting met het immense China heeft paus Johannes Paulus II herinnerd, die erop wees om niets op te leggen, maar alles voor te stellen. Chinese universiteiten staan open voor onderzoekers uit de academische en technische wereld en zoeken naarstig naar uitwisselingen over religie en het christendom, zo hebben recente congressen laten zien. De deur staat ook open voor wat Johannes Paulus II ‘de verbeeldingskracht van de christelijke liefdadigheid’ noemde: het verlangen om bijvoorbeeld de vele leprapatiënten en blinden te helpen, die vaak worden uitgesloten. Bovendien heeft ook in China de ineenstorting van ideologieën de deur geopend voor een rijkdom aan spiritualiteit. Hij die er zich begeeft om zonder eigenbelang te dienen, zal een hartelijke ontvangst en vriendschap vinden.”
In uw boek uit 1990, ‘Men of God, men for others’ wees u de secularisering en de groeiende religieuze onverschilligheid aan als de grootste uitdagingen voor de Kerk en dus voor de Sociëteit van Jezus. Zijn deze uitdagingen nog steeds actueel, of zijn er andere?
“De jezuïeten hebben zich altijd herkend in de figuur van St. Paulus. Terwijl St. Petrus geroepen was zijn broeders te bevestigen in de kerkelijke gemeenschap, voelde Paulus zich uitgenodigd het hart van de Kerk te brengen voorbij iedere grens. Grenzen die geografisch kunnen zijn, zoals in het voorbeeld van China of Afrika, maar ook cultureel: onder onze ogen zien we dat samenlevingen die sinds lange tijd zijn gevormd door het christelijk geloof, zich verwijderen van het christendom en een maatschappij voorstaan waarin evangelische waarden marginaal zijn. Benedictus XVI heeft bovendien gewezen o p een andere grens, namelijk de verhouding tussen geloof en rede, die je niet van elkaar kunt scheiden maar die elkaar wederzijds kunnen verrijken. Ten overstaan van deze grenzen of uitdagingen heeft de missie van de jezuïeten niets aan actualiteit verloren.”
De laatste jaren spreekt men wel van een ‘terugkeer van God’ of zelfs van een ‘revanche van God’. Neemt de vraag naar religie inderdaad toe?
“Hoe kun je spreken van een terugkeer van God, als de gebeurtenissen ons duidelijk maken dat God nooit uit de harten van de mensen, noch uit het leven van de mensheid is weggeweest? Er zijn momenten waarop men meent te kunnen

leven alsof God niet zou bestaan, maar plotseling stuit de mens dan op onoverkomelijke moeilijkheden, op een crisis in het ethisch handelen, en dan doet zich vaak een terugkeer voor naar de
spiritualiteit. Onze grootouders zeiden al dat nood leert bidden.
Om de waarheid te zeggen, de grote problemen van het terrorisme, de onderontwikkeling, de hongersnood en het milieu zouden kunnen worden opgelost dankzij de technische vooruitgang. We zouden de vruchten van de aarde op een gelijkwaardiger manier kunnen verdelen en stoppen met de atoombewapening, het probleem is dat we dat niet echt willen. We worden dus niet geconfronteerd met een wetenschappelijke of technische onmogelijkheid, maar met de onwil van onze harten, die verhard zijn tot steen: alleen de bewuste of onbewuste tegenwoordigheid van God, die voor ons liefde is, kan onze harten omvormen in harten van vlees en barmhartigheid. De terugkeer van God laat zich vandaag de dag in veel religieuze verschijningsvormen zien en zegt ons op een manier die soms verwarrend is maar toch concreet, dat als God de stad niet met ons bouwt, wij tevergeefs onze weg vervolgen.”
Tegelijkertijd gaat de toenemende vraag naar religie gepaard met een groeiend fanatisme in de diverse religies.
“Het religieuze fanatisme, het fundamentalisme en het integralisme hebben een weerstand gemeen die vaak agressief en gewelddadig is, tegen alles wat nieuw en modern is in de samenleving. Al die bewegingen strijden tegen de ontwikkeling en dominante opinie en leggen als enige oplossing een terug- keer naar de traditie en vroegere gewoontes op. Elke verandering in onze levensstijl, onze waardenschaal, ons geloof in God, kan die weerstand oproepen, soms fanatiek, die uitgaat van het volgen van de letter van de wet of het heilige karakter van een gewoonte. Omdat we in een periode van veranderingen zitten, groeit dit verschijnsel. Ook als het puur gaat om een politieke of sociale verandering, kan de weerstand gemakkelijk gemanipuleerd worden door deze op het religieuze te betrekken. Die manipulatie van het religieuze om politieke redenen zien we bijvoorbeeld vaak in het Midden-Oosten.”
Zijn religieus fanatisme en politieke ideologieën voortekenen van de gevreesde ‘Clash of Civilizations’?
“Samuel Huntington heeft de uitdrukking ‘Clash of Civilizations’ bedacht, in eerste instantie doelend op het conflict tussen de westerse maatschappij en de islamitische cultuur, waar de aan- of afwezigheid van bepaalde symbolen deel van uitmaakt: de hoofddoek bijvoorbeeld. De auteur denkt aan twee blokken, de islam en het Westen, die tot een confrontatie veroordeeld zouden zijn. In werkelijkheid bestaan die twee monolitische blokken niet. De situatie in Irak laat al zien dat de islam niet één geheel is. Op andere plaatsen voeren gematigde moslims een echte dialoog met de westerse wereld, die trouwens een rijke variëteit vertoont. Het christendom zoals dat in de Verenigde Staten wordt beleefd, verschilt behoorlijk van wat wij in Europa kennen. Dus in de ontmoeting tussen culturen en ideologieën, tussen de religieuze stromingen en de scholen van spiritualiteit, is er ofwel een bron van leven ofwel ruimte voor confrontatie. Wij zijn het die moeten kiezen.”
Vindt u niet dat de oecumenische en de interreligieuze dialoog zich in een patstelling bevinden?
“Dat lijkt me niet. De oecumenische dialoog is zozeer een dimensie van de Kerk van de Heer geworden dat ontmoetingen tussen christenen of de aanwezigheid van andere christenen in een ‘katholiek’ evenement ons niet meer verwonderen. Dat is een positief feit. Anderzijds ervaren veel christenen hun onderlinge verdeeldheid niet langer als scandaleus, terwijl de Heer toch zelf heeft gebeden dat allen verenigd mogen zijn in Hem (Joh 17,21). Ons antwoord op dit gebed van de Heer kan niet inhouden dat wij de verdeeldheid accepteren als een gegeven waar we ons bij neer moeten leggen. We moeten bidden en handelen opdat allen één mogen zijn, hoe en wanneer de Heer dat wil.
De interreligieuze dialoog trekt nog meer de aandacht, omdat de politiek zich opvallend inzet voor een min of meer vreedzaam naast elkaar bestaan van de grote religies. Johannes Paulus II, zich verenigend met vertegenwoordigers van diverse religies in Assisi, heeft het voor elkaar gekregen dat gelovigen zich hebben verenigd in de eis, bijvoorbeeld, om niemand te doden in de naam van God. De religieuze dialoog is een belangrijke bijdrage aan de wereldvrede.”