Lodewijk Makeblijde s.j.

1564-1630

Missionaris

Lodewijk Makeblijde was afkomstig uit de Vlaamse stad Poperinge. Ingetreden in de Sociëteit van Jezus werd hij in 1611 vanuit Brussel naar de Hollandse Missie gestuurd als assistent en opvolger van Pater Cornelis Duyst (+ 1612), die al vanaf 1592 vanuit Delft heel Holland doorkruiste om de katholieke gelovigen te bedienen. Voortdurend clandestien aan het werk en opgejaagd door maatregelen van de overheid met name tegen de jezuïeten, werd hij daarnaast overste van alle jezuïeten werkzaam in de Hollandse missie. In 1617 - zo lezen we in de Delftse kroniek - kon Pater Lodewijk Makeblijde alleen 's nachts op pad vanwege de vervolgingen. Wel vijf maal dat jaar zat de schout hem op de hielen, maar Makeblijde wist uit zijn handen te blijven. Dat had wel tot gevolg dat hij telkens ergens anders onderdak moest vinden. Maar in 1619 was het raak. Hij werd gearresteerd toen hij het Evangelie voorlas voor een verzamelde groep gelovigen; pas na een borgsom van liefst 600 guldens werd hij weer vrijgelaten. Het jaar daarop deed de schout weer een inval in een woning waar Makeblijde juist op dat moment met een groep katholieken bijeen was; hij ontsnapte.

Van het begin af aan hadden de Hollandse jezuïetenmissionarissen van hun provinciale overste 'monita' (= waarschuwingen) meegekregen. Diens opvolgers, resp. de paters Florentinus en Veranneman werkten voortdurend aan verbeteringen en aanpassingen. In 1612 werd een herziene uitgave gezonden naar hun onderdanen, die in Holland werkzaam waren. Naarmate de paters meer bekend werden met de verschillende situaties ter plaatse, konden de richtlijnen ook steeds gerichter en duidelijker worden. Zo ontvingen de jezuïeten rond 1620 een nog gedetailleerder lijst 'industria' (= aandachtspunten). Gegeven het feit dat ze zijn samengesteld op grond van concrete ervaringen, bieden zij een levendig beeld van de omstandigheden waaronder de priesters en de gelovigen in die dagen leefden. We lichten er een aantal adviezen uit (daarbij werd de tekst samengevat en herordend, wat men kan merken aan de vreemde opeenvolging der nummers):

 1.           Als je gebruik maakt van het openbaar vervoer per koets of boot, doe je er het beste aan maar helemaal niks te zeggen; anders zouden de mensen aan je tongval kunnen horen dat je vreemd bent in deze streek en dat levert maar lastige vragen op.

 2.           Het beste kun je het openbaar vervoer maar helemaal vermijden; gebruik liever de mogelijkheden die vrienden je kunnen bieden. Als je toch met het openbaar vervoer reist, stap dan uít, voordat je de stad ingaat, en ín, nadat je de stad verlaten hebt. Reizen er vrienden met je mee, neem dan altijd de minste plaats in.

 3.           Eenmaal in de stad gekomen, kun je het beste binnenshuis blijven tot het donker is geworden.

 9.           Vertoon je nooit op straat met een bekende katholiek. Als iemand je de weg moet wijzen, laat hem dan een ruim aantal passen voor je uit lopen.

10.          Waarschuw de katholieken dat ze je op straat niet groeten met de eerbied die ze je verschuldigd zijn.

 8.           Wees op je hoede voor verraders.

 4.           Het verdient aanbeveling vaak een andere hoed, kraag of mantel te dragen, en de baard anders te knippen.

 5.           Op het platteland moet je zorgen dat de mensen uit de omgeving pas bij het donker naar je toekomen.

18.          Zorg dat er steeds een vluchtmogelijkheid is in het huis waar je samenkomsten houdt.

19.          Omdat de mensen graag praten, moet je niet te lang achtereen op hetzelfde adres verblijven.

 7.           Als de mensen je daags tevoren vragen waar morgen de samenkomst zal plaats vinden, kun je het beste moeilijkheden voorkomen door te zeggen dat men het morgen wel zal horen.

24.          Als je niet weet of er tijdens de samenkomst onraad dreigt van buiten, kun je beter schoenen dragen bij het opdragen van de mis dan pantoffels; en zorg ervoor hoed en mantel bij de hand te hebben.

16.          Zorg ervoor dat er tijdens de mis twee mannen het huis bewaken, zodat er ééntje bij gevaar veilig kan gaan waarschuwen.

28.          Ga na beëindiging van de samenkomst het eerste weg, liefst in gezelschap van een ander die niet zo bekend staat als katholiek.

Het jaar 1622 vormde het dieptepunt van de vervolgingen. Op 26 februari en 30 augustus van dat jaar vaardigden de Staten-Generaal der Nederlanden plakkaten uit waarin alle jezuïeten van Hollandse of buitenlandse afkomst als vijanden worden beschouwd; het staat ieder vrij hen bij de overheid aan te geven; bij de eerste arrestatie zal een zo hoog mogelijke boete worden geëist; gebeurt het een tweede keer, dan staat hem een openbare geseling te wachten en daarna verbanning; bij een derde keer zullen de lijfstraffen nog zwaarder zijn.

Verder wordt bepaald dat ieder die een jezuïet herbergt, beboet zal worden 'met honderd pond Vlaams den eersten keer, met verdubbelde som den tweeden keer en met verbanning en confiscatie van zijn bezittingen den derden keer'. Pater Makeblijde was op dat moment overste van de jezuïeten in de Hollandse missie. Dit laatste plakkaat vormde voor hem de aanleiding tot het schrijven van een brief, waarin hij zijn medebroeders aanspoorde een voorbeeld aan Christus te nemen, die ook vervolgingen had ondergaan, terwijl Hij slechts de eer van de Vader had gezocht.

Daarnaast maande hij tot nog meer voorzichtigheid. Intussen verkeerden er soms elders in Holland medebroeders in gevangenschap, voor wier welzijn hij zich als overste verantwoordelijk wist. Op 31 augustus 1623 werd in Den Haag pater Tack gearresteerd en overgebracht naar de gevangenpoort. Hij kreeg daar gezelschap van pater Maillard die al enkele maanden eerder in Gouda was gearresteerd en vastgehouden. Op 21 januari werden ze zelfs overgebracht naar de cel voor de ter dood veroordeelden, maar daar maakte Prins Maurits persoonlijk snel een eind aan. Niettemin kwam Tack pas vrij in juni van dat jaar en Maillard samen met Ophoven op 21 november! In 1626 belandde pater Nicolaas Borluyt voor drie maanden in de cel. Wat moet het betekend hebben om constant onder een dergelijke druk te moeten werken!

Het moet gezegd dat in de daarop volgende jaren de zaken niet steeds zo scherp hebben gelegen. Wellicht dat ook daarom juist al die plakkaten van de Staten Generaal zo nodig waren? In dit verband maken we melding van de zogeheten 'recognitiegelden'. In ruil voor deze welkome aanvulling op hun inkomen waren de schout en de baljuw bereid allerlei activiteiten van de katholieken en hun priesters door de vingers te zien.

Het is tragisch dat de jezuïeten bijna van het begin af aan in conflict leefden met de seculiere geestelijkheid (gewoonlijk aangeduid met wereldheren); zij staan onder de kerkelijke hiërarchie, in feite de plaatselijke bisschop. Regulieren zijn lid van een orde, en in eerste instantie verantwoording schuldig aan hun overste. De jezuïeten vormen in dit verband nog een bijzonder geval: bij hun stichting hadden zij zich immers onvoorwaardelijk aan de paus aangeboden met de bedoeling dat deze hen daarheen zou zenden waar het hem het meeste nodig leek. Daarmee werden ze onttrokken aan de directe zeggingsmacht van de plaatselijke bisschoppen.

Op het moment van hun komst in Delft zetelde er geen enkele bisschop meer in de Noordelijke Nederlanden. Sinds de Staten-Generaal overgegaan waren naar de nieuwe leer, waren er alweer haast twintig jaar verlopen. Als er temidden van de gevluchte en afgevallen priesters destijds nog enkelen op hun post gebleven waren, dan hadden die intussen al een vergevorderde leeftijd bereikt of ze waren gestorven. Van nieuwe aanwas kon natuurlijk nauwelijks sprake zijn.

Bij hun komst in 1592 hadden de eerste vier jezuïeten contact met één van de weinige overgebleven priesters, de Delvenaar Sasbout Vosmeer (+ 1614). Deze was in 1583 door de kerkelijke overheden benoemd tot apostolisch vicaris in onze gewesten. Hij had zich in datzelfde jaar te Delft gevestigd en was in zijn eentje energiek aan het werk gegaan om met name in de omringende dorpen te redden wat er te redden viel. Hij had het voordeel dat zijn familie er talloze relaties had; de familie van zijn moeder scheen er veel land verpacht te hebben. Onder het mom dat hij rondreisde om de vervening en landontginning te inspecteren, probeerde hij gedemotiveerde oude priesters te enthousiasmeren. Niet zelden liep hij stuk op hun schraapzucht.

Op de vele plaatsen waar een priester ontbrak, zocht hij geschikte mensen om gebedsoefeningen te leiden, voor te lezen uit de Schrift of een of ander vroom boek en om  samenkomsten bijeen te roepen. Rogier vestigt er de aandacht op hoe revolutionair en bewogen deze man te werk is gegaan:

"Dat een rijk en deftig priester, een patriciër, die een lange academische studie achter de rug had en aanvankelijk niet gedroomd kan hebben van een werkkring in de praktische zielzorg, zich onbaatzuchtig betoont en zelfs zijn eigen kapitaal voor de heilige zaak beschikbaar stelt, was waarlijk geen gewoon verschijnsel. Bovendien moet dit sluipen langs de wegen, deze clandestiene en gevaarlijke bediening in schamele vermomming voor een aanzienlijk man bepaald vernederend geweest zijn."

Zou hij niet op de hoogte geweest kunnen zijn van de initiatieven van de voormalige pastoor van de eerbiedwaardige Hippolytuskerk, Maarten Donk en diens opvolger Pastoor Smit, in de richting van de jezuïeten? Of had hij er zelfs mede de hand in gehad? En zal hij niet als vanzelfsprekend verondersteld hebben, dat zij zich bij zijn activiteiten zouden aansluiten? Dat zij de medehelpers zouden worden van hem, de Apostolisch Vicaris?

Als dat zo is, dan is hij bedrogen uitgekomen. Formeel gesproken beschikte hij niet over de volmachten van een bisschop. Maar zelfs al had hij die wel bezeten, dan nog waren de jezuïeten gewoon te handelen naar eigen goeddunken. Zij waren uiteindelijk slechts rechtstreeks verantwoording schuldig aan de paus. Dat waren hun manieren. In hun 'monita' stond dan ook niets over goede kontakten met de plaatselijke hiërarchie. Die was er immers niet. Holland was missiegebied en vereiste naast de nodige omzichtigheid initiatief, pioniersgeest en ondernemingszin. Het is bekend dat zowel Duyst als De Leeuw bij hun aankomst te Dordrecht Sasbout, die daar op dat moment verbleef, met een bezoek hebben vereerd.

In 1621 wordt Pater Lodewijk Makeblijde die intussen een vaste woning betrokken had op de Oude Langendijk vlak tegenover de Nieuwe Kerk, overste van de Hollandse Missie. In die functie voerde hij een onophoudelijke competentiestrijd met de wereldheren. Dat bracht hem herhaaldelijk in botsing met Stalpart van der Wiele, de aartspriester (een soort deken), die op het Bagijnhof woonde. Voor de buitenstaander is er veel meer dat deze beide mannen verbindt dan scheidt: beiden zijn zij hardwerkende en pastoraal diep bewogen priesters; beiden beperken hun arbeid niet tot de stad alleen, maar zoeken ook de mensen in de omliggende dorpen op; beiden hebben een beminnelijk en edel karakter; beiden zijn schrijvers, ja dichters van niet geringe verdienste. Hoe breed de kloof ook geweest mag zijn die hen van elkaar scheidde, er valt altijd iets van wederzijdse hoogachting te bespeuren. Is dat de reden waarom ze elkaar zo weinig ontmoetten; dat ze er in die omstandigheden het beste van maken door elkaar - in stil respect - de ruimte geven?

Van Lodewijk Makeblijde wordt opgemerkt dat hij zijn zorgen vooral wijdde aan Delft en de Delvenaren, maar ook dat hij onvermoeibaar rondtrok in de omgeving van Delft: Berkel, Pijnacker, Abtswoude, Maassluis, Maasland, Naaldwijk, Wateringen, Voorburg, Vlaardingen, Overschie, Schipluiden, Poeldijk, Kethel, 't Woudt, Monster, De Lier, Rijswijk, Stompwijk, Nootdorp, Voorschoten, 's Gravenzande, Delfgauw, Zoetermeer en Rhoon. Hij schreef een wijdverbreide katechismus en is de dichter van het ochtendgebedje:

'O Heer, ik draag U op vandaag,

al is het klein van waarde:

al wat ik ben,

alwat ik ken,

alwat ik heb op aarde."

Hij stierf op 17 augustus 1630 en werd in Voorschoten begraven. Zijn grafschrift luidde 'God maakt hem blijde'.

Hij is nooit heilig of zalig verklaard.

Pedro Arrupe >>

Nicolas Bobadilla >>
Antonio Criminali >>
Joseph Gelineau >>
Nico Kluiters >>
Lodewijk Makeblijde >>
Robert Regout >>
Jacob Rem >>
Egied van Broeckhoven >>


IHS > gezellen van Jezus > bekende Jezuïeten > Nicolas Bobadilla