Sint Jan Berchmans

Jan (Johannes) Berchmans: 'Het Gewone met Liefde'

geboren                       1599.03.13

ingetreden                    1616.09.24

gestorven                     1621.08.13

zaligverklaard               1865.05.09

heiligverklaard               1888.01.15

Even over achten in de morgen van de 13e augustus van het jaar 1621 stierf op de ziekenafdeling van het Romeins College der jezuïeten frater Jan Berchmans, tweeëntwintig jaar oud. Diezelfde dag nog werd hij opgebaard in de St.-Ignatiuskerk naast het College. Onmiddellijk stroomden gelovigen en souvenirjagers toe. Er ontstond een enorm gedrang; er werd geroepen: "Mirakel. Mirakel!" Na afloop van de gebedsdienst bleek dat velen een stukje van zijn kleding of van het kleed op de baar hadden afgescheurd en meegenomen. Het lijk moest opnieuw worden aangekleed. Het bleek zelfs een teen te missen...

Hoe was het mogelijk dat een jonge Vlaamse jezuïet, die amper drie jaar in Rome verbleef voor zijn studies, reeds zo beroemd was geworden, en onmiddellijk na zijn dood als een heilige werd vereerd?

Ruim een maand tevoren, op 8 juli, had hij de aandacht op zich gevestigd doordat hij als de beste leerling van de opleiding het afsluitende dispuut had mogen houden. Dat was een soort openbaar examen, dat aan het eind van het schooljaar werd georganiseerd. Alle kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en andere notabelen van Rome werden uitgenodigd. Ieder die graag gezien wilde worden als weldoener van Gods Kerk, gaf acte de présence. Zij waren de sponsors. Vaak hing de grootte van hun schenking af van dat Openbaar Examen. Verliep dat goed, dan verkondigden zij in hun kringen met trots, dat zij daaraan bijdroegen.

De beste student van het jaar werd door een college van docenten en gastdocenten van concurrerende opleidingen aan de tand gevoeld over alle onderwerpen van de studie. De student moest telkens het betoog van de hooggeleerde vragensteller uit het hoofd samenvatten, punt voor punt nalopen en aantonen wat er juist in was en wat niet. En dat alles volgens de regels van de Latijnse welsprekendheid van het Latijn. Frater Jan had daarbij met zijn zachte stem beminnelijkheid gekoppeld aan ferme standpunten, bescheidenheid aan ontwapenende humor. Iemand in het publiek had gefluisterd: "Als je niet beter wist zou je zweren dat daar niet een jongeman stond, maar een engel."

Een maand later, afgelopen 6 augustus, had Jan als gastspreker de opleiding mogen vertegenwoordigen op een soortgelijk dispuut aan het Grieks College. Omdat de dagvoorzitter op het laatste moment verhinderd bleek, was hij gevraagd als invaller. Ook daar had hij de aanwezigen voor zich ingenomen door zijn hartveroverend optreden.

Onmiddellijk na afloop van die zware dag in de hitte van de Romeinse zomer had hij zich met hoofdpijn bij de ziekenbroeder gemeld. In de dagen daarna verslechterde zijn toestand zienderogen. Hij was totaal uitgeput. Een week later stierf hij met een kruisbeeldje, zijn rozenkrans en het regelboekje in de hand.

Wat was zijn geheim? Zijn huisgenoten vertelden, dat Jan altijd vriendelijk was en opgewekt. Ze hadden hem tenslotte de bijnaam Frater Hilaris gegeven. Hij was een ijverige student. Als hij door verplichtingen overdag, te weinig aan zijn studie was toegekomen, zag je tot diep in de nacht licht branden op zijn kamer. Hij was voorkomend, deed alles wat hem gevraagd werd met een verbazingwekkende opgewektheid. Een van zijn medebroeders zei: "Hoe hij het klaarspeelt weet ik niet, maar als ik in een sombere bui ben, ga ik in zijn buurt zitten; dan is het zo over." Als de jezuïeten een goede indruk wilden maken op mensen van buiten, dan werd bij voorkeur Frater Hilaris gevraagd. Hij nam de mensen voor zich in; geen moeite was hem teveel. Dat was tenslotte ook zijn dood geworden.

Dat bleek eens te meer, toen zijn rector, Pater Cepari, Jans persoonlijke aantekeningen doorbladerde. Daarin stond te lezen hoe vroom Jan was; hoeveel waarde hij hechtte aan zijn gebedsleven. Hoe hij probeerde in alles God te dienen, met name in de gewone dingen van alledag. Precies zoals hij het in het noviciaat van zijn novicenmeester geleerd had: "Het belangrijkste in het leven is niet buitengewone dingen te doen, maar om de gewone dingen op buitengewone wijze te doen." Voor hem was elke dienst die hem gevraagd werd, een dienst aan Jezus zelf. Studie, tegenzin en zelfs lichamelijk ongemak telden niet. Pater Cepari ontdekte dat Jan al maanden voor zijn dood leed aan hoofdpijn en chronische moeheid. Daar hadden ze in huis nooit iets van gemerkt. Jan had zich daar consequent overheen gezet. De anderen en zijn studie waren belangrijker: zo diende hij God; en hij droeg zijn pijn op als zijn bijdrage aan Jezus' lijden.

Pater Cepari besloot een boek aan Jan te wijden, en stuurde twee Vlaamse studenten naar huis terug met een relikwie van Jan. Zij moesten in Vlaanderen navraag doen naar Jans jeugd: in zijn geboorteplaats Diest, en in Mechelen waar hij in de kost was geweest en het noviciaat had doorlopen. Zijn vader was meester maatschoenmaker, en zat in het stadsbestuur; zijn moeder was burgemeestersdochter. Jan was de oudste van vijf kinderen die binnen zes jaar geboren werden. Omdat moeder ziek werd, leerde hij vroeg zich thuis aan te passen, mee te helpen in het gezin, niet teveel lawaai te maken, allerlei karweitjes te doen, met de kleintjes buiten te spelen, zichzelf in een hoekje terug te trekken. In die tijd groeide al in hem het verlangen priester te worden. Op zijn tiende werden de kinderen toch uit huis geplaatst. Jan kwam bij een naburige pastoor die hem gezien zijn karakter en kwaliteiten voor een redelijke vergoeding graag in huis nam. Na twee jaar verhuisde hij naar Mechelen om er naar de 'Grootschool' te gaan. Hij woonde in bij een kanunnik en verdiende er de kost als huisknecht en door de zorg voor twee Hollandse jongetjes op zich te nemen. Al was hij pas dertien jaar, toch ging hem dat goed af, want hij had nooit anders gedaan. Als hij overdag teveel tijd kwijt was aan zijn verplichtingen, studeerde hij 's nachts.

Toen er drie jaar later een jezuïetencollege in de stad werd gesticht, wilde Jan daarheen. Heel zijn omgeving was ertegen. Maar Jan ging. Datzelfde deed zich voor, toen Jan besloot bij de jezuïeten in te treden. Zijn vader heeft hemel en aarde bewogen om hem het idee uit zijn hoofd te praten. Jan, die anders zo volgzaam was, bleek onvermurwbaar zonder zijn vriendelijkheid te verliezen. Toen hij enkele maanden in het noviciaat zat, kwam het bericht dat moeder stervende was: of hij naar huis kwam om afscheid te nemen. Jan ging niet; hij schreef een vrome brief. Het heeft zijn ouders pijn gedaan. Maar enkele maanden na moeders dood meldde vader zich aan voor de priesterstudie. Ruim een jaar later volgde zijn wijding.

Wat maakt Jan tot een heilige? We zouden kunnen denken aan zijn vermogen om pijn en lichamelijk ongemak ondergeschikt te maken aan zijn dagelijkse plichten en liefdediensten. Jezus deed immers net zoiets in Gethsemani: "Vader niet mijn wil, maar uw wil geschiede." Hoe heldhaftig deze houding ook is en hoezeer ingegeven door het enthousiasme van zijn jonge leeftijd, hier past toch een kritische noot. Vader Ignatius heeft er altijd de nadruk op gelegd dat gezondheid heel belangrijk is. Volgens de Constituties had Jan opener en duidelijker moeten zijn jegens zijn overste op dit punt. Ook Jans overste zelf en de huisgenoten hadden daar meer aandacht voor moeten hebben.

Misschien moeten we zijn heiligheid meer zoeken in zijn verlangen om van de meest gewone dingen een liefdedienst te maken. In de geest van Vader Ignatius: in alles God zoeken en vinden. In alles liefhebben en dienen. Biddend mens zijn. Blijkens de reacties van zijn omgeving werd hem die genade ook gegeven.

De kinderjaren van Jan zijn getekend door de ziekte van moeder. Vanaf zijn tiende heeft hij geen eigen thuis meer gekend. Noodgedwongen leerde hij gehoorzamen, behulpzaam zijn, stil zijn, met kleine kinderen optrekken, attent zijn op wat de ander nodig heeft, zichzelf wegcijferen; 's nachts studeren als het er overdag niet van gekomen was. God weet met hoeveel pijn deze deugden in hem gegroeid zijn. En het zijn precies deze eigenschappen, waar de mensen bij hem als jonge jezuïet zo van onder de indruk raakten. Zijn religieus leven bestond erin precies wat hij als kind geleerd had in dienst van God te stellen. Voor God leven, zo zouden we van Jan kunnen leren, betekent niet dat je iets moet doen wat je eigenlijk niet kunt. Maar dat je de dingen die je kunt, doet in dienst van het evangelie: het gewone met liefde.

Dries van den Akker s.j.

Nederland, Delft, Stanislashuis
<< terug