Peter Eijkenboom
1920 2006
‘Wat een mooi mens! Wat een machtig lieve man!.
Deze reactie zullen velen in hun hart gevoeld hebben bij het plotselinge heengaan van Peter Eijkenboom. In vele opzichten belichaamde hij op een zeer humane wijze de idealen, verbonden aan het leven in de Sociëteit van Jezus.
Van een eenvoudige komaf in een degelijke katholiek gezin te Rotterdam kreeg hij tijdens de crisisjaren de mogelijkheid om zijn talenten en intelligentie te ontwikkelen op Gymnasium A bij de Franciscanen ter plaatse. Op advies van één van hen begon hij in 1938 bij de S.J. de eerste opleidingsperiode te Grave. Na zes jaar kreeg hij de opdracht klassieke talen te gaan studeren in Amsterdam vanuit het Ignatiuscollege aldaar. Dat viel samen met het begin van de hongerwinter 1944-1945. Toen was ook het medebroederlijk leven getekend door soberheid. Toch zijn dat naar eigen zeggen ‘the best years of our life’ geweest met mensen, ‘die hem zeer dierbaar waren en inspireerden’, met hun humor en hun lachen. Daar ontwikkelde Peter zich verder als dichter en zanger van fijnzinnige en ‘saillante’ ‘Pan-liedjes’, als een bijdrage om het leven samen te vieren ‘en draaglijk te houden’. Sindsdien heeft hij vele gedenkdagen met ’n lied versierd. Het laatste zong hij op 7 september 2006, vier dagen voor zijn sterven.
Eenmaal priester gewijd begon het apostolisch leven.op het College in Groningen. Daarna Delft (1956), alwaar hij na enkele jaren van 1963 1983 rector werd van het St.Stanislascollege. Het onderwijs was toen sterk in beweging. De Mammoetwet, de komst van meisjes, de verdubbeling van de schoolbevolking, de woelige begin 70er jaren, nieuwbouw, diepgaande ontwikkelingen in de kerk, de maatschappij en het religieuze leven. Maar voor Peter, die de stichter en eerste rector van Stanislas Pater Westerman hogelijk bewonderde, ‘leefde Quelijns stenen Ignatius-beeld van het Ignatiuscollege voort in het Stanislasbeeld van Albert Termote’. ‘De idealen van het IC kregen in Delft kleur en vorm’.
Belangrijke omvormingen op het college kwamen tot stand tezamen met aan de school verknochte lekenleraren. Zelf was Peter geen doordraver. Innerlijk volgde hij wat er groeide. Hij zag erop toe dat het ‘Ad maiora natus’-devies van Stanislas zich vertaalde in een goede kwaliteit. Wie hij zelf binnen dat geheel als persoon was vond een karakteristieke uitdrukking in het dagelijkse schoolleven. ’s Morgens bij de aanvang van de lessen stond hij bij de schooltrap, de leerlingen groetend en hun namen noemend. Innerlijk herkende hij met eerbied in ieder van hen de genadevolle belofte van hun jonge leven. In zijn eenvoud maakte dat een diepe indruk. Mede daardoor vormde hij de sfeer die op de school heerste. Talloze oud-leerlingen blijven zich dit gebeuren als bijzonder herinneren. In de uitvoering van zijn verantwoordelijkheden bleef hij bescheiden, zonder ophef, trouw.
Vanuit dezelfde houding van liefdevolle hoogachting en vriendelijke collegialiteit was hij minzaam in contacten met leraren, medewerkers en ouders. Ook wanneer er zaken aan de orde moesten komen die om correctie of beslissingen vroegen. Ook dan zocht hij voortdurend naar diepere drijfveren en naar het bij de ander opwekken van motivering van binnenuit. Niet ieder kende Peter in zijn privé-leven, wanneer hij, op zijn kamer of buiten op het terras, heel vroom zijn brevier zat te bidden. Maar in contact met hem bespeurde de ander nagenoeg altijd dat het respect van Peters kant voortkwam uit een diepere laag van zijn leven. Van daaruit was hij iemand die bij nagenoeg iedereen kleine, gewoon dagelijkse positieve trekjes waarnam, en die al dan niet met humor kon laten horen. Hij herinnerde zich deze tot op hoge leeftijd. Zo ging er een bevestigende uitstraling van hem uit. Hoe vaak kon hij aan het einde van een contact van binnenuit tegen iemand zeggen:’Hou vol!’
Eenzelfde houding was ook te vinden in de vele menselijke contacten en werkzaamheden die buiten de school op zijn weg kwamen: met medebroeders in de orde, met collega-rectoren, met bestuursleden van Bonaventura (1977-1988), met bewoners, medewerkers en leidinggevenden op het Berchmanianum in Nijmegen (1983 1992), in zijn trouwe contacten met SJ oud-SJ. En het speelde ook mee in het genoegen dat hij beleefde aan zijn vertaalwerk van Ambrosius, waaraan hij samen met een andere medebroeder de laatste jaren heeft gewerkt. Is vertalen niet je openstellen en in gesprek gaan met de schrijver?
Rond zijn 80e verjaardag in 2000 liet Peter horen zich een ‘Zondagskind’ te voelen. Op rustige momenten kon hij vergenoegd in zijn handen wrijven; teken dat hij plezier had in het leven, in het gezamenlijk werk, of in meningen en prestaties van medebroeders. Er zijn zeker de nodige momenten geweest dat de stemming minder plezierig voelde en dat teleurstelling zijn deel werd. Van jongs af aan was Peter Eijkenboom een door en door religieuze man. Hij zocht het aangezicht van God, die hij, ‘veilig als het licht, als een mantel om zich heen voelde geslagen’. En in navolging van Christus medicus, probeerde hij deze ervaring te laten zien en ervaren aan zijn medemensen. Een mooi mens! Om dankbaar te gedenken!
Ik geloof dat mensen, die zich van zichzelf ontdoen en op hun Schepper en Heer ingaan, een houding van aandacht, opmerkzaamheid en troost in zichzelf voelen groeien. Ze gaan dan bespeuren, hoe heel de eeuwige goedheid voor ons aanwezig is in alle geschapen dingen, door aan alles het bestaan te verlenen en dat in alles met Zijn oneindige wezen en tegenwoordigheid te behouden. Daarin kan, zo meen ik, voor mij een geluk schuilen dat groter is dan welk ander ook. Want voor diegenen, die de Heer met heel hun hart liefhebben, kunnen alle dingen tot hulp zijn en ’n positieve invloed uitoefenen om meer verdiensten te verwerven, Hem naderbij te komen, en zich met hun Schepper en Heer in vurige liefde te verenigen.
Ignatius, Brief aan Francisco Borja en echtgenoot, eind 1545.