In memoriam

Cor Hubers

1928   2006

Voor velen moge Cor’s bemoeienis als jong volwassene met het uitdenken, construeren en tot praktische uitvoerbaarheid brengen van de heteluchtmotor het meest tastbare element zijn waardoor hij zich onderscheidt in de Orde, vanuit een diepere bron daaronder heeft hij vorm gegeven aan zijn apostolisch werk als jezuïet. Na een ingekorte opleidingsperiode nam zijn apostolaat in 1967 een aanvang bij het bedrijfsapostolaat van de medebroeders in Rotterdam-Zuid en Rozenburg. Een aantal van hen waren naast bedrijfsaalmoezenier ook reserve-aalmoezenier in het leger geworden. Enkele van hen hadden als zodanig reeds gediend in Nederlands Indië. Vanaf het eerste ogenblik had hij vanuit een gelovige visie zicht op wat jezuïeten te doen stond in de wereld van de industrie, en later in het leger. Provinciaal Kolfschoten formuleerde dat bij Cor’s aanname in de orde in 1955: de geloofsschat levend ‘vertalen’  naar de geseculariseerde wereld, dat lijkt me Ignatiaans. Cor formuleerde het als: De kerk moet met haar binnenste naar buiten komen om tastbaar te maken dat God de wereld zó zeer heeft liefgehad.  Menswording naar het goddelijk Image in Jezus Christus binnen de dagelijkse praktijk. Niet de godsdienstigheid van mensen was het adres waartoe hij zich zou richten. De ‘hele mens’ van de werkers moest benaderd, gezien, en opgenomen worden in heilzame contacten. Theologie was daarom niet waardenvrij.  In zijn apostolaat had hij een duidelijk sociale instelling. Toen na enige jaren de contacten met bedrijven aangaande de ‘human side of the enterprise’ moeizamer bleken, mede door de kleur en aard van zijn persoonlijke aanpak, ging ook déze bedrijfsaalmoezenier de opleiding tot legeraalmoezenier volgen. Die functie vulde het grootste deel van zijn apostolisch leven. Daarbij bleef hij trouw aan zijn diepere visie op geestelijk werk temidden van een sterk seculier milieu. Hij kreeg een functie, werd later ook directeur, bij het Militair Pastoraal Centrum in Amersfoort ten dienste van dienstplichtigen, beroepsmilitairen, en de vorming van (nieuwe) legeraalmoezeniers. Voor enkele jaren bracht hij het binnen Defensie tot plaatsvervangend Hoofdlegeraalmoezenier. In zijn benadering was hij vooral gericht op individuele mensen. Temidden van zijn collega-aalmoezeniers werd hij geleidelijk aan de ‘senior’. Die plaats binnen de structuur van defensie heeft hij als jezuïet uitgebuit. Ofschoon altijd wat afstandelijk, leerde men hem kennen als een weinig diplomatieke man met bonhomie, sociaal en pastoraal bewogen, gastvrij, hulpvaardig, en intelligent. Stil water met diepe gronden. Binnen de orde werd zijn werk geleidelijk een eenmanspost. Hij voelde dat zijn apostolische inspiratie niet zo gemakkelijk te delen viel met anderen. Zelf heeft Cor laten horen hoe zijn religieuze leven in de Orde geschraagd werd door drie ‘gewrichtsmomenten’ in zijn leven.  Een ervan bestond uit de grote retraite tijdens zijn tertiaat. Als daaraan voorafgaand ‘moment’ noemt hij twee contacten met Pater Arrupe voor en na zijn verkiezing tot generale overste. Hij voelde zich diep verstaan door deze mens.. En aan het begin van zijn volwassen leven lag het derde ‘moment’. Hij was en werd toen helemaal in de techniek opgeleid en had een baan in de scheepvaartbouw. Van huis uit Nederlands Hervormd voelde hij de techniek al van jongs af aan als een charisma (1 Kor 12). Dat stuwde hem om dat charisma dienstbaar te maken aan het geheel.  De evaring in de fabriek leerde hem dat hij daarvoor niet de ruimte zou krijgen. In zijn zoeken kreeg hij kennis van Ignatius. Hij vroeg om hem in contact te brengen met een jezuïet. Het werd een gesprek van hart tot hart met Jan v.Kilsdonk. Hij schrijft: ik voelde mij herboren. Dat leidde tot overgang naar de katholieke kerk, en na de Schola carolina, tot intrede in Grave. Zo bleek dat zijn toewijding aan de heteluchtmotor mede een element werd van dit intense apostolische leven. Na zijn pensionering verwisselde hij het leger voor een taak als pastoor in Ermelo, maar onderhield tot 1990 inspirerende contacten met de militaire vakbond ACOM. Nog enkele jaren verbleef hij op zijn eentje in Twente. Al lang liet zijn gezondheid sterk na, met tenslotte ziekenhuis-opnames en een pijnlijk ziekbed. Dat maakte hem soms best opstandig. De techniek stond hem als persoon niet altijd terzijde. Wel mocht hij ervaren hoe zijn vrienden hem daarin nabij en trouw bleven. Als zanger en organist zal hij zeker een plaats krijgen bij de koren der engelen. Tijdens zijn nu voltooide leven hield hij van woorden uit psalm 27: Heer, mijn licht, mijn behoud. Wie zou ik vrezen? Mag ik niet verwachten de goedheid van de Heer te zien zolang ik leef? Wees dapper en vastberaden, ja, wacht op de Heer!


IHS > gezellen van Jezus > In memoriam