Jan A. Mulder
15 oktober 1917 - 20 oktober 2007
Juist 90 jaar geworden ging van ons heen Pater Jan A. Mulder, door medebroeders ook wel ‘Johan’ genoemd. In de eerste 25 jaar na het ontstaan van de Indonesische Staat, en van de vorming van een eigen S.J. Provincie Indonesia heeft hij tezamen met anderen, jong en wat ouder, de wederopbouw en uitbouw van de apostolische werken van de Jezuïeten in Midden-Java gedragen. Ingetreden in Grave (N.B.) in 1936 arriveerde hij reeds in 1938 in de Java-missie. Na drie jaar filosofie maakte hij de interneringskampen mee tezamen met een aantal Nederlandse medebroeders. Die probeerden achter tralies de geest samen levendig te houden door ieders eigen culturele en intellectuele bagage met elkaar te delen. Zo legde een aantal van hen zich rond de expert pater Piet Zoetmulder toe op Javaans, Oud-javaans en Arabisch. Later werd Jan vaak geprezen om de kwaliteit waarmee hij dat ingewikkelde Javaans kon spreken. Na theologie en priesterwijding in Maastricht ( ’46 ’51 ) keerde hij spoorslags naar het intussen Indonesië geworden Java terug. Daar kreeg hij een veelzijdigheid van taken te vervullen. Geboren in Deventer, getogen in Rijswijk in een katholiek gezin met één zus en vier broers, waarvan er twee zijn keuze voor de SJ-orde volgden, doorliep hij het middelbaar onderwijs via MULO-B en HBS-B op het Aloysius-college, aangevuld met ‘n extra opleiding in Latijn en Grieks. Als eerste hoofdtaak In Jogjakarta kreeg hij de opdracht, zonder daartoe een speciale opleiding te hebben, om les te geven in filosofie, Logica en geschiedenis op het Groot-Seminarie H.Paulus ( ’54 - ’61). Tevens was hij er studieprefect, bibliothecaris, minister van het huis, en vele andere taken. Hij was een duidelijke en sterke persoonlijkheid, een gedistingeerd man met een open geest voor intellectuele en culturele onderwerpen, sterk in contacten met mensen. Daarmee hing zijn belangstelling voor talen duidelijk samen. Daarna verplaatsten zich zijn taken naar werk in een parochie, met alles wat daar toen der tijd aan vastzat: Yogjakarta, Solo (Surakarta), terug in Yogjakarta ( ’61 ’76 ). Naast pastoor van de parochie en soms van ‘n regio functioneerde hij als directeur van de R.K.Scholenstichting Canisius, als studenten-moderator, als pastor in de gevangenis, als hoofd r.k.uitzendingen op radio en t.v., en nog veel meer. Intussen bewaarde hij ook bewust belangstelling voor de ontwikkelingen in zijn moederland aan de Noordzee. Hij hield zijn kennis op peil door het lezen van het werk van o.a. Renckens, Schoonenberg, en Schillebeeckx. Bij zijn verlof om de 8 jaar nam hij de gelegenheid waar om poolshoogte te nemen. Vanaf zijn 65e verplaatste zijn aanwezigheid zich naar Jakarta (’81 ’98 ). Eerst als pastoor, deken, supervisor van de wereldheren in het aartsbisdom. Later als hulp-pastoor. Gezien de vele contacten in dat werk begon hij toen ook nog met het leren van Chinees. Een complete serie van tegen een chineesche achtergrond geschreven detectives van van Gulick sierde zijn boekenplank. De laatste jaren van zijn leven verbleef hij in het verzorgingshuis Emmaüs te Giri Sonta, weer op Midden-Java. Zijn geestelijke vermogens begonnen sterker na te laten. Daar is hij ook gestorven en begraven. Aanvankelijk vóór zijn intrede in opleiding een doorsnee jongen, is hij temidden van ontelbare soorten activiteiten een ontwikkelde, getalenteerde mens gebleken met een open blik en een ontwikkelde geest. Tussen zijn werk door uitte hij zijn gevoeligheid en literaire gaven in het schrijven van gedichten. Enkele van zijn regels mogen tot slot zijn voltooide leven bij de Heer typeren:
Uw komst is als de morgenzon
na een nacht vol regen.
Nog drijven wolken na
en aan de westerhorizon
hangt moe, loodzwaar de
regenmantel van de nacht.
Maar heel de hemel klaart, de
oostenwind stoeit, speelt
en dartelt , streelt
de glimlach van het daglicht zuiver
van zonneflarden vlagt
nu gans de natte aarde!