In memoriam

Daan van der Veldt
Petrus Thomas 

* 17 december 1934     + 27 september 2007 

Geboren in Den Haag in 1934, gedoopt met de namen Petrus Thomas, en getogen in een degelijk katholieke omgeving,  bedacht tijdens de eerste opleidingsjaren een van de paters voor hem de naam Daan. Hijzelf adopteerde die naam als een soort geuzennaam. En terugkijkend en wetend, dat hij onder die naam bekend was onder de mensen, wordt zijn persoon met die term ‘geus’ eigenlijk goed getypeerd. Tussen hoe Daan zich wel overdacht, kritisch, soms stug, maar altijd loyaal en bereid kon opstellen, en de vorm van zijn diepere innerlijk, dat bespeurbaar werd in het vele dat hij heeft mogen doen, bleek ruimte te zitten. Hij was niet gemakkelijk te doorgronden, alsof hij het liefste zijn zielement wat afschermde en dan soms dominant overkwam. Na zijn intreden in 1953, - zoals hij zelf zegt zijn hart volgend -, met een koffertje bij zich overvol met dromen, verlangens en bereidheid, beleefde hij het afleggen van geloften als een radicale vorm van afscheid nemen, zodat de belangen van kerk, orde , maatschappij en leefgemeenschap zijn levensweg konden gaan bepalen. Ook al was hij van aard shy en nam hij niet graag het voortouw, zijn rijke intellectuele gaven en gevoel voor culturele waarden, en zijn open houding om over dingen des levens van binnenuit na te denken, vormde hem tot een zeer waardevolle medebroeder. Aan de vorming in filosofie en theologie, inclusief een studie in Duits aan de Universiteit van Nijmegen (’53 – ’68), heeft hij zich mogen verrijken. Eenmaal benoemd op het internaat en de school van Katwijk-de Breul in Zeist bood hij aan de leerlingen kwaliteit in allerlei opzichten. Hij had een open oog en hart voor wat in de toekomst voor hen belangrijk zou worden. Hij hield zijn vak bij, studeerde op de cultuur van de jongeren. Hij probeerde ook binnen de Provincie aandacht te stimuleren voor wetenschappelijk werk als dienst aan de kerk, en liet daarover wel eens een kritische toon horen. De velen die hem tijdens het lange verblijf in de communauteit aldaar (’68 – ’95) mochten meemaken zullen instemmen met de karakterisering: ‘een gouden man’. Maar, zo bleek al vrij spoedig, ‘in een slecht vel’. Vanaf 1981 heeft hij eraan moeten wennen, vanwege een zwak en kwetsbaar hart, dat hij zijn vitaliteit geleidelijk aan ging inboeten. Dat leidde ertoe dat hij niet langer als leraar, conrector, collega en raadgever op school kon blijven werken. Opnieuw afscheid. Naar eigen woorden: van wijding tot pensionering; hij werd AOW-er. Reflectie in Daan’s eigen woorden: ‘al die nuttige en dienstbare activiteiten kunnen alleen maar bestand vinden in innerlijke, spirituele kracht. Het kleine zaadje van geestelijk leven groeide uit tot vertrouwdheid met Jezus, met God wiens stem wij volgden. Dat zaadje moest wortel schieten, zo diep en stevig dat een mens stormen aankan, hitte, droogte, kilte, en ook Godsverduistering. Ook dat ja’. Ondanks regelmatige slechte dagen of tijden bleef zijn geest creatief. Ruim twintig jaar na zijn doctoraal examen start hij met een proefschrift over Franz Neumayr S.J. (1697-1765). Na vier jaar (’88-’92) promoveert hij met een ‘gedegen en fraai uitgegeven’ boekwerk aan de Nijmeegse Universiteit: ‘een geëngageerd en kloek boek’. Vervolgens begint hij met de gewenste geschiedschrijving over onze colleges. Op basis van eigen onderzoek verschijnen in ‘SJ’ 1999 een aantal artikelen over de historie van het Maartenscollege in Haren (Gr) en de communauteit aldaar. Hij wordt ook gevraagd voor de onderlinge communicatie als redacteur van ‘SJ’ en Nederlandse Jezuïeten. Lettend op het aantal artikelen uit die jaren en de aangeraakte onderwerpen lijkt hier een geschoolde journalist aan het werk. En tussen dat alles door is hij in Zeist, en in Den Haag op de Amaliastraat (’95-’01) dienstbaar in zaken van het huis en de zorg voor de communauteit. Dat zet hij voort wanneer hij vanaf 2001 medebroeder wordt in het Berchmanianum te Nijmegen. Daar is hij plotseling gestorven op 27 september 2007. Hij wordt heel erg gemist in de communauteit. ‘Nooit kwam je tevergeefs bij Daan met een vraag’, zegt iemand. ‘Hij bleef beschikbaar, had een gewillig oor, een gewillig hart. Hij was bereikbaar als mantelzorger, als invaller, of als kritisch raadgever. In zijn vorm van ‘seculiere’ vroomheid bleef hij in veel geïnteresseerd. Veel heb ik met hem kunnen delen’. Aan Daan, die vrede had met zijn biografie, hebben zich de woorden van Paulus voltrokken: Wat God van tevoren reeds kende …, wie Hij heeft bestemd …, wie Hij heeft geroepen, heeft Hij ook vrijgesproken en heeft Hij nu al laten delen in zijn luister (Rom. 8, 29, 30).


IHS > gezellen van Jezus > In memoriam