Guus Hendrichs
4 mei 1940 - 15 september 2008
Voordat Pater Guus Hendrichs een aanvang maakte met zijn ‘levenslang’ verblijf in Nijmegen (1962) leefde hij na zijn geboorte (1940) als oudste naast 2 broers met zijn ouders in Den Haag. Leerling op het Aloysiuscollege aldaar, behaalde hij zijn diploma gymnasium A in 5 jaar, waarna hij, blijkbaar geboeid door het leven van paters, in 1957 intrad in het noviciaat van de Jezuïeten te Grave (N.B.). Voor zijn filosofie verbleef hij drie jaar bij de Frans sprekende medebroeders in het Belgische Eegenhoven. Ook die studie deed hij met succes. Toen kreeg hij de opdracht klassieken te gaan studeren aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en haalde alle examens cum laude. Vanaf dat moment speelt zijn leven zich grotendeels af in verbondenheid met het Canisiuscollege, eerst wonend onder één dak met de grote communauteit (1962-1981), daarna tezamen met medebroeders een kleinere groep vormend op afstand (1981-2008). Ook zijn studie theologie vond plaats in Nijmegen, deels op de Katholieke Universiteit, deels via literatuurtentamens aan de KTH te Amsterdam (tegenwoordig zouden wij zeggen: via Internet). De priesterwijding in 1972 vond plaats te Voorburg in de Haagse regio. We hebben Guus mogen leren kennen als een talentvolle en ook menselijk begaafde persoon. Vele kanten ervan konden in zijn leven naar voren treden. Intellectueel begaafd, aangevuld met een praktisch vooruitziende blik, vond hij het altijd zinvol met zijn bijdragen anderen, en natuurlijk ook vele jaren het Canisiuscollege, in vele facetten te ondersteunen of kritisch te begeleiden. Zijn aandacht ging uit naar kwaliteit daarin. Hij was geen man van veel woorden. Velen hebben de ervaring mogen opdoen dat je vast op hem kon rekenen. Als mens stond hij dienstbaar naast medebroeders, de rector en de schoolleiding, naast collega leraren en medewerkers, en naast jonge mensen, leerlingen of voetballers. Die houding zat diep in hem geworteld, als een bron waaruit warmte en licht naar boven kwamen, welke een sterke kracht of zachte glans gaven aan wat hij voor anderen ondernam. Die warmte en licht ontleende hij aan het Evangelie van Jezus de Heer, vrucht van de Geest in hem. Zoals die levenskracht bij hem zelf vlees en bloed zijn geworden gedurende vele actieve levensjaren, zo werkte hij er aan dat dit proces ook bij anderen kon plaatsvinden, niet het minst bij de jonge generatie. ‘Niets is mooier dan die ontwikkeling van leerlingen te volgen en een handje te helpen. Daarom is lesgeven belangrijker dan manager zijn in een school’. Daarbij was de totale mens hem ‘ernst’, en volgde hij onze stichter Ignatius. Hij was op en top leraar. Nagenoeg alle jaren besteedde hij aandacht om aan vernieuwingen in zijn vak klassieken vorm te geven. Vele jaren was hij conrector op de school. In die taak was hij zowel streng als bemoedigend. Hij kon daarbij uiterst duidelijk zijn in z’n taalgebruik. Zo groeide hij uit tot een centrale figuur in Canisius. Zijn opzet was altijd om voor de leraren en de leerlingen schoolzaken soepel te laten verlopen. In lijn met de Jezuïeten traditie trachtte hij het college tot een leefbare gemeenschap te maken, de mensen uit te dagen tot buitenschoolse initiatieven, en aan momenten van bezinning een plaats te geven. Jarenlang heeft hij plezier beleefd in eraan mee te werken, dat zaken goed liepen. En dan hebben we nog niets gezegd over zijn investeringen in de aankomende generaties van de voetbalvereniging Union Tijdens het seizoen werd daaraan de zaterdag of meer besteed van ’s morgens vroeg tot ’s avond laat. Tot het einde van zijn leven genoot hij daarvan. Ook dat voetballen stond in het licht van ‘de totale mens’, net zoals kunstzinnigheid, besteding van vrije tijd, belangstelling voor levensbeschouwelijke zaken. Het zal niemand verwonderen dat hij dagelijks en na het weekend de gelegenheid nodig had om bij te komen. Zijn gezondheid was niet geweldig zoals bij het (te) vroege einde van zijn leven ook is gebleken. Die rust vond hij thuis bij de medebroeders waar ieder een bijdrage gaf aan het functioneren van die samenleving. Ook daar stond hij naast hen toen hij de laatste 15 jaar overste was in de groep: aanwezig als een echte huisvader, deel van hun ‘thuis’. Elders wonende medebroeders, verbonden met de communiteit, probeerde hij nauwer bij dit ‘thuis’ te betrekken. De laatste jaren, toen Canisius met andere katholieke scholen fuseerde en er vele zaken opnieuw geregeld moesten worden, waren gaandeweg moeilijker voor hem. Na zijn pensionering kreeg hij de verantwoordelijkheid voor het liquideren van de grote bibliotheek op het Berchmanianum (2005-2008). Hij heeft dat tot een goed einde kunnen brengen. Zijn vroege dood was niet geheel onverwacht maar wel plotseling. Guus herkende zich sterk in het beeld uit het Evangelie dat mannen, omdat het zo vol was, een opening maakten in het dak en de lamme op zijn slaapmat vóór Jezus lieten neerzakken. Bij het zien van hun geloof zei Jezus tot de verlamde: ‘Jongeman, je zonden zijn je vergeven’(Mc, 2, 4). Dat was een bron van warmte en licht voor hem.