In memoriam

Hans Cevat

5 augustus 1922   -   09 november 2007

Wat we ons van Broeder Hans Cevat zeker zullen blijven herinneren zal de humor zijn waarmee hij in graag door hem onderhouden menselijke contacten opereerde, al dan niet Latijnse uitdrukkingen citerend welke hij van meer bestudeerde medebroeders geleidelijk had overgenomen. Maar ook de ironie waarmee hij wat anderen als belangrijk zagen kon relativeren. Groot geworden in een katholiek middenstandsmilieu van Amsterdam tijdens de crisistijd in de 30er jaren van de vorige eeuw, had hij aan den lijve leren ondervinden dat het ook met veel minder mogelijk was gelukkig te leven. Vanuit dat perspectief leek een HBS A eindexamen in 1940 op het Ignatiuscollege in Amsterdam, waar hij in 1922 werd geboren,  mogelijkheden te openen voor een betere toekomst. Maar na een paar jaren gewerkt te hebben als kantoorbediende trad hij in 1943 toe tot het noviciaat in Grave (N.B.). Met zijn verworven kundigheden kreeg hij al spoedig daarna de taak om chauffeur-secretaris te worden van provinciaal Kerremans. Daarna leerde hij in Amsterdam, Groningen en Nijmegen in het Berchmanianum het leven in communauteiten en apostolisch werk kennen: leidding geven aan personeel, beheer linnenkamer, schilderwerk, en vooral zich bekwamen als ziekenbroeder. Hij deed zijn laatste geloften in 1955. Een theoretische opleiding in die zaken was aan hem niet besteed. Wat en hoe er gedaan moest worden keek hij met gezond verstand af van anderen, tot en met van de huisdokter. Dat maakte hem tot een praktisch deskundige waar je op aan kon. In wezen was hij een heel eenvoudige man. Maar wat dieper doordringen in wie hij was, bleek niet gemakkelijk. Zijn ondergrond van HBS-A is hem goed van pas gekomen toen hij deel ging uitmaken van de schooladministratie van Canisius-Mater Dei in Nijmegen (1961 – 1986). In die setting kwamen al zijn kundigheden tezamen tot hun recht en beleefde hij een heel gelukkige tijd temidden van schoolleiding, leraren, ziekenzorg voor internaatsleerlingen, moderator van de zwemclub. Zijn betrokkenheid  en hartelijkheid kregen kleur via zijn Amsterdamse gevatheid. Tot grote waardering van velen. Na zijn pensioen mocht hij een vergelijkbare periode van duurzame betrokkenheid meemaken in Den Haag (1986-2002) in de residenties van de Da Costastraat en aan de Laan, en uiteindelijk vanuit het Aloysiushuis aan ‘t Hoenstraat: econoom / administrateur, koster, parochie-assistent, zieken-communie, en natuurlijk tussen alles door het gewone werk in huis. Zijn werk stond centraal in zijn leven. Die werkzaamheden brachten hem in nauwer contact met de vrijwilligers en mensen van de parochie. Van die contacten leefde hij en ondervond hij grote waardering voor zijn nabijheid en trouwe aanwezigheid en meeleven. Veel hobbies had hij niet echt uitgezonderd schaken, en ’s zomers vakantiereizen naar de bergen. Natuurlijk heeft hij in zijn leven ook perioden meegemaakt dat het hem in gezondheid of de sociale huiselijke omgeving niet gemakkelijk ging. Dat geldt ook de laatste jaren: veel pijn als gevolg van versleten bloedvaten. Uiteindelijk viel zijn alertheid en geestelijke levenskracht geleidelijk aan stil. Heel dit leven van contacten en dienstbaarheid vond zijn wortels in zijn geestelijke toewijding aan de Heer van zijn leven. Wie met hem mochten verkeren hebben dat altijd kunnen aanvoelen. De dagelijkse heilige Mis betekende van het begin af aan veel voor hem. Hij leefde er van. En tot die weg werd Jezuïetenbroeder Hans, als broeder van duizenden, geroepen en gezonden. Zijn leven werd een weldaad voor hen en voor hemzelf. ‘Een handvol doodgewoon geluk!’.


IHS > gezellen van Jezus > In memoriam