Jacques van der Wal
19 september 1929 - 9 januari 2008
Vanaf het ogenbik dat Pater Jacques van der Wal intrad (1948), zo herinner ik mij als con-novice, straalde hij rust uit, ook al kon hij in een gesprek best verrast en spontaan reageren. Om het wat cru te zeggen: zijn rijzige gestalte maakte een wat plechtige indruk, op zijn gelaat lag een weldoende en uitnodigende mildheid. En zelfs na bijna 60 jaar groeit er een bespeurbare stilte in jezelf als reactie op de herinnering aan wie Jacques als persoon, als medebroeder en als priester is geweest. Op zijn bidprentje staat naast zijn naam het gebed van overgave en beschikbaarheid afgedrukt, waarop de Geestelijke Oefeningen van Ignatius uitlopen in de Beschouwing om tot Liefde te komen. Dat gebed tekent naar waarachtigheid zijn geestelijke diepgang, waarmee hij een uiterst kwetsbare en hypergevoelige lichamelijke gezondheid vele jaren heeft gedragen als ‘zijn roeping’. Het kon niet anders dan dat tijdens zijn 44 jarig verblijf op het Berchmanianum medebroeders hem niet anders meer konden typeren dan als ‘kluizenaar’. Hij schermde zich af tegen prikkels van geluid en licht waarvoor hij uiterst gevoelig was. Wie hem bezochten voor geestelijke begeleiding hebben in hem een diep in de Geest geworteld mens mogen ontmoeten, die er niet voor schroomde om gepast en kundig degelijke adviezen te geven in de jaren dat dit nog kon. Dat gold ook de retraites en bezinningsdagen elders of in huis, zolang hij die nog kon geven. Reeds enkele jaren na zijn priesterwijding in 1961 kreeg hij na zijn laatste geloften (1964) een taak op het Berchmanianum in Nijmegen (1964 2008) om spirituaal te zijn voor de jonge paters, en later voor de oudere bewoners die het huis gingen bevolken, en voor communauteiten van zusters in de buurt. De stilte en rust die hij meer en meer niet kon ontberen vanwege zijn gezondheid, was niet alleen een noodzakelijke aanpassing aan zijn toestand. Daarover schreef hij eens: ‘Ik ben ingetreden omdat het mij duidelijk was, dat de Heer mij de Sociëteit introk. Ik blijf, omdat Hij haar spiritualiteit dieper in mij heeft doen doordringen, zodat ik daarvan kan leven en anderen er mee van dienst kan zijn. Ook is het mij duidelijk, dat de Heer mij de Sociëteit niet uittrekt.’ Een getuigenis van een geestelijk hoogstaand mens. Hij is daartoe uitgegroeid in een zich verdiepend genadecontact van de Heer Jezus met deze mens wier lichaam, dag in dag uit, breekbaar was als aarde potten. Op deze wijze voortdurend aan de dood uitgeleverd, mogen wij weten en geloven dat de Vader Jacques van der Wal ten leven zal wekken en tot zich zal voeren (2 Kor. 4, 7 15). Hoe anders dit leven als jezuïet ook is verlopen dan wij hadden verwacht, wij mogen er dankbaar voor zijn omwille van de bron van genade die wij er gelovig in mogen bespeuren. In het ‘verborgen leven’ van deze medebroeder, stond Jezus telkens opnieuw in het midden en vervulde hem met ’vrede van de Geest’. Naar vermogen heeft hij die vrede met ons en anderen gedeeld.