In memoriam

Jan van Kilsdonk

19 maart 1917 – 1 juli 2008

In Pater Jan van Kilsdonk (* 1917) mogen we een pastor gedenken, die dag in dag uit een herder was omdat de Geest, zoals hij het zelf formuleert, ‘zijn ogen God deed zien in mensen zelf; de Verborgene en Levende in stervelingen’. In goede en kwade dagen heeft hij deze herderlijke last in de kerk en de wereld willen dragen. Hoe sterk ook persoonlijk gekleurd, zijn toewijding is velen tot zegen geweest. Als jezuïet is hij in het volbrengen van zijn zending ‘priester van Amsterdam’ geworden. Een groot aantal mannen en vrouwen heeft dat na zijn sterven (+ 2008) op allerlei wijzen laten blijken. Hoevelen van hen kregen na een avondlijk gesprek de volgende dag nog een brief van hem met een korte overdenking daarover! Gedurende vele jaren lag de nadruk op individuele pastorale contacten, met name ook onder hen, die niet anders kunnen dan liefde te tonen voor anderen van hun eigen geslacht. Dat bracht hem vaak aan het ziekbed van aids patiënten. Het leidde hem er tevens toe een trooster te worden voor partners, nabestaanden en ouders. Hij beleefde telkens opnieuw een diepe eerbied, als voor een oorspronkelijke schepping van God, voor de ‘majesteit’ van degene, die dwaalt op die geheimzinnige strook tussen leven en dood. Op dat moment ervaart hij deze mens als oneindig groter dan zich zelf: warme eerbied, zachte tederheid, nooit verwijzen naar ongevraagde statements. ‘Om aan vergankelijkheid en kwetsbaarheid de voltage van eeuwigheid te geven geldt voor zulk een gebaar als volstrekte voorwaarde, dat er vrijheid en spontaniteit is, net als bij kunst en schoonheid’. Hierop sterk en wellicht wat te eenzijdig de nadruk leggend, groeide er in zijn leven haast vanzelfsprekend een veld van spanning met sociale en institutionele dimensies vastzittend aan vormen, waarin mensen samenleven: in onze orde en provincie, in de kerk als instituut, in het volgen van leiding en het onderhouden van wijsheid en respect. Dat zijn dan ook onderdelen van zijn leven waarin het tot duidelijke conflicten is gekomen. Hij heeft er onder moeten lijden. De diepe eerbied voor de ‘majesteit’ van de menselijke persoon werkte bij hem wellicht ook als een schild tegen de noodzaak om je in te laten met de intermenselijke spanningen, die nu eenmaal deel zijn van de noodzaak dat mensen het met elkaar moeten vinden, en met de opdracht daarvan ‘communio-gemeenschap’ te maken. Is dat ook niet een deel van het leven van onze Heer? Toch mag gezegd worden: naar vermogen is Jan van Kilsdonk altijd trouw gebleven aan het oorspronkelijke visioen, de ‘oer-roeping’, als leidraad bij alles wat hij als jezuïet, priester en pastor te doen kreeg. Zowel deze oer-roeping als die nadruk op het persoonlijke zitten diep geworteld in zijn leven. Middelste van drie jongens in een door en door katholiek gezin, met een patriarchale maar authentiek menselijke vader, verloor hij zijn sterk sociaal en literair gevoelige moeder op tienjarige leeftijd. Vanaf zijn 11e jaar verbleef hij op het internaat van het gymnasium van de Witte Paters in Sterksel (N.B.). Hij las er ‘met ontroering’ zoals hij aangeeft, het Latijnse Missale Romanum. In de hogere klassen werd hij geabsorbeerd door de ‘schone letteren’ van Nederlandse dichters en schrijvers uit de Franse literatuur. Oorspronkelijk wilde hij monnik worden. Als gevolg van het lezen van literatuurbesprekingen in de Boekenschouw, geschreven door Pater Jan van Heuchten s.j., startte hij toen reeds een later diep bewonderend contact met deze voorganger als moderator van de studenten in Amsterdam. Het werd een intrede bij de Jezuïeten in Grave (N.B.) (1934). Na een extra jaar op het Ruusbroec genootschap in Antwerpen, - gevoeligheid voor de mystieke stroom van het geloof -,  volgde filosofie (1938-1941), surveillance, en theologie ‘op vele plaatsen in verspreiding’: Born (L), Heerlen, Maastricht. Met weinig feeling voor de nogal abstracte benadering van filosofie en theologie hebben de sterk wisselende leefomstandigheden hem ruimte gegeven om zijn eigen persoonlijk geaardheid verder te ontwikkelen. Tot priester gewijd in 1945 neemt hij zelf initiatief tot direct sociaal en pastoraal werk onder politieke delinquenten en teruggekeerde ss-ers, de marginalen van toen. Verworven inzicht vanuit die tijd: ‘Schuldige mensen zijn nooit te bekeren door te beschuldigen. Alleen door ze te eerbiedigen’. Van 1947 – 1959 is hij een doordenkende leraar godsdienst en congregatiedirecteur op het Ignatius College, de aanvang van zijn levenslang verblijf in Amsterdam. Dan neemt bij hem ook de wetenschappelijke verdieping in kennis van de Bijbel en de theologie een aanvang welke tot aan zijn dood met hem verbonden blijft. Moderator van St.Thomas Aquinas (1960-1972), teamlid studenten-pastores van de Studenten-ecclesia (1966-1982). Ook toen al werd hij vaak gevraagd voor recollecties, retraites voor priesters en bisdom-seminaries, voor theologische cursussen. Zijn rede in 1962 voor de St. Adelbertvereniging Rotterdam, waarin hij opriep tot loyale oppositie, is een bekend voorbeeld van hoe hij zich met zijn eigen gegroeide inspiratie meende te moeten opstellen in de Nederlandse katholieke gemeenschap. Er lopen in Nederland en wellicht ook elders mensen rond die teren op iets wat hij ooit met hen gedeeld heeft. Ze teren op iets waarmee hij hen heeft aangezien en heeft bemind. Hij hield van mensen. Op een niet argeloze maar misschien wel wat overrompelende manier. Dan ging hij lijken op de Trefi-fontein in Rome, gereed om de glinsterende muntjes van hun verhaal, van hun sores, van hun eenzaamheid of ook van hun diepere verlangen, op te vangen. Opdat deze, langs zijn priesterlijke verbondenheid met de Eeuwige, aangeraakt zouden worden door de voltage van de eeuwigheid. Wie wordt ontmaskerd wordt gevonden, en zal leven. Delf mijn gezicht op, maak mij mooi!


IHS > gezellen van Jezus > In memoriam