Joep Dresen
11 mei 1924 - 3 juni 2008
Het gezin uit het Bourgondische Maastricht, waaruit Pater Joep Dresen in 1924 werd geboren als jongere broer van, later pater, Paul Dresen, was in religieus opzicht heel sterk verbonden met de Jezuïeten aan de Tongersestraat. Zijn ouders trouwden er op de feestdag van Ignatius, omdat Moeder een geweldige devotie voor deze heilige had, Vader ging er naar de vroegmis, de drie zonen waren er misdienaars. Bij zijn intrede in 1943 te Grave (N.B.) wist hij van zijn broer hoe de eerste tien jaar ongeveer zouden verlopen. Daardoor kwam ook zíjn leven onder het Ad Majorem Dei Gloriam te staan. Maar hij beleefde die opleidingsjaren als verre van de gelukkigste jaren uit zijn leven. Zichzelf typerend als een door en door Limburger, ondervond hij temidden van medebroeders elders uit Nederland, dat zijn ‘volheid van levensvreugde wortelend in eenvoudig volksgeloof, de cultuur van gezelligheid, en onbevangen vroomheid’ konden botsen met een meer afstandelijke houding van anderen in de orde. Gelukkig voor hem gaven provinciaals als Esser en Kerremans hem het belangrijke gevoel mee, dat hij Limburger mocht blijven. Dat uitte zich nog niet in de eerste kortdurende benoemingen na zijn priesterwijding in 1956, o.a. als prefect op het internaat van Huize Katwijk in de Breul. Daarna kwam er ruimte om gevolg te mogen geven aan wat hij tijdens zijn tertiaat in het Spaanse Gandia had mogen ervaren. Een van de experimenten bestond uit een verblijf in een melaatsenkolonie. Tot eigen verwondering voelde hij zich daar thuis. Eens kwam één van hen dat heel duidelijk tegen hem zeggen: ‘U hoort bij ons’. Hij was gewoon bij hen direct in te gaan op allerlei dingen die zíj belangrijk vonden. Daarin drukte hij zijn liefdevolle aanwezigheid uit. Dat zou hij van 1970 tot 1990 praktiseren als ziekenhuispastor in Amsterdam en Breda. Hij dacht er diep over na waarin het wezenlijke is gelegen in die taak temidden van de vele andere deskundigen in de moderne gezondheidszorg. Daarbij stond een creatieve en als heel nabij ervaren aandacht voor de zieke zelf centraal. Hij vergeleek zijn taak met die van bedrijfsaalmoezeniers. Binnen die context pasten voor hem dan de sacramentele vormen van deze pastoraal. Hij schuwde in die houding de confrontatie niet met artsen, specialisten en verplegenden. Soms kreeg hij ze zover, dat zij, zoals hij, gewoon stil bij een zieke gingen zitten. Dan konden ze spontaan tot hem zeggen: ‘Maar, pater, die mens heeft pijn!’ Joep Dresen heeft deze voorbeelden van een levend geweten binnen de zorg neergelegd in een publicatie. Hij behoorde bij de eerste pastores die op een meer systematische wijze nadachten over het ‘bij-het-geloof-brengen’ van de ziekenpastoraal. Aan de kostbare talenten, welke verbonden waren met zijn sterke Maastrichts-Limburgse aard, heeft Gods roepingsgenade vruchtbaarheid geschonken. Naar eigen zeggen vond die diepere zuidelijke levensvreugde een vruchtbare bodem en bevestiging in de Vierde Week van de Geestelijke Oefeningen. Uit eigen ervaring leerde hij dat temidden van andermans en eigen ellende dit heus niet vanzelf tot stand komt. Ook de ‘vreugde’ niet, ook de ‘contemplatie om tot liefde te komen’ niet. Hij zegt: ‘Alles wat je ontmoet liefdevol beschouwen … dat gaat niet alleen om de ‘mooie natuur’. Nee, het is de opgave van heel je apostolisch leven: alles om je heen steeds weer contemplatief beschouwen, er warm van houden, er van genieten, naar de kern ervan gaan. Zó kan de mens oplichten terwijl je hem waarneemt in zijn of haar ellende. Dat je daarom ook je omgeving aantrekkelijk maakt, zoals je woonhuis, en durft te genieten van de goede dingen des levens, is gewoon de andere kant van je liefde voor héél de werkelijkheid’. In de jaren na zijn pensionering zocht hij contact met de Benedictijner monniken van Oosterhout, en bekwaamde zich in hun kundigheid van de pottenbakkerij. Hij inspireerde hen tot mooie baksels tot op het moment dat ze daartoe te oud werden. Een hersenbloeding bracht een flinke breuk in zijn gezondheid. Maar verhuisd naar het Berchmanianum probeerde hij daar met vallen en opstaan de neiging tot depressie te weerstaan door kracht te putten uit wat hij ten dienste van de gezondheidszorg zelf aan houding ingang had doen vinden. De inspiratie van zijn persoonlijke vorm van leven vindt een vertaling is deze woorden van Oosterhuis: De Heer heeft mij gezien en onverwacht ben ik geboren en getogen. Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht, gaf mij een levend hart en nieuwe ogen.