Toon Lamers
18 augustus 1929 - 6 september 2008
Pater Anton (Toon) Lamers, lid van de Provincie Indonesia, zag het levenslicht (1929) als enige zoon in een traditioneel hardwerkend fruittelers gezin uit Oosterhout, Overbetuwe. Vele jaren fietste hij de Waal over naar scholen in Nijmegen: Mulo A bij de Broeders, HBS B op het Canisius. Daarna Schola Carolina en Gymnasium B in Den Haag. Met die levenservaring van thuis en die intellectuele bagage ingetreden (1951), vertrok hij reeds een jaar later naar Indonesië. Daar doorliep hij verder de SJ-opleiding van filosofie en theologie in Yogyakarta. Hij werd daar tot priester gewijd (1964). Teruggekeerd van verblijf bij zijn moeder en familie, en van het tertiaat in Europa, begon zijn apostolisch leven. Dat is nagenoeg geheel gewijd geweest aan werk in parochies en staties. Het zouden er negen worden in totaal. Zijn eerste bestemming was daarop een uitzondering. Hij werd als kapelaan verbonden aan de Kathedraal in Jakarta. Met anderen deelde hij op de pastorie het leven met Mgr Djajaseputra aartsbisschop (1966-1974). Met nuchtere opmerkingen en geestige antwoorden wist hij de gesprekken te verlevendigen. Vervolgens was hij, telkens voor ongeveer vijf jaar, hoofdpastoor in Midden-Java: Semarang, Weleri, Klepu en Wonosari (1974-1992). Met een aantal personen uit zijn geboortedorp in zijn vaderland bleef hij altijd trouw contact houden. Telkens wanneer hij verhuisde naar een andere parochie was er ook de gelegenheid om Nederland en Oosterhout te bezoeken. In zijn werk kwam hij het best tot zijn recht wanneer hij als hoofdpersoon alleen stond. In echte dialoog was hij niet sterk. Maar in de diverse staties hebben de meeste mensen een goede herinnering aan hem overgehouden. In de gewone zielzorgelijke taken van voorgaan in vieringen en preken, biechthoren, plaatselijk moderator zijn van het Apostolaat des Gebeds en Katholieken Vrouwen, is hij uitermate trouw geweest, de mensen zeer nabij. Hij kon op een levendige wijze verhalen doen. Ook zijn preken waren zeer communicatief. Bijzondere aandacht gaf hij altijd aan de armen. Daarvoor zocht hij steun bij de meer vermogende parochianen. Zelf leefde hij uiterst sober. Hij hield er niet van op de voorgrond te treden. Populariteit zocht hij niet. Bij zijn verhuizing van Weleri naar Klepu begeleidden meer dan 60 parochianen hem op zijn reis. Een uitgebreide door de mensen zelf meegebrachte maaltijd sloot dat afscheid af. De laatste ruim tien jaar werkte hij weer als assistent in staties in Jakarta (1994-2008). Daar is hij na een kort ziekbed overleden. De dag na de uitvaart in Duren Sawit (Jakarta) vond de ter aarde bestelling plaats in Giri Sonta (Midden-Java). De aanwezigheid van vijf bussen gewone mensen uit Jakarta toonde het bewijs hoe hij door hen, en door vele anderen in zijn leven, werd bemind. De Geest van de Heer rust op mij want hij heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen (Jes. 61, 1).