Anton Helt
1933 - 2009
Wie nu het leven van Pater Anton Helt mag overzien, komt onder de indruk van hoe gevuld zijn ziel en hart moet zijn geweest van innerlijke bewegingen. Zoals dierbaren hem hebben getypeerd: een ‘mensenmens’, aandacht gevend, nabijheid vragend. Zien en gezien worden. In het Amsterdamse gezin met vader, moeder en jongere zus, waar hij geboren werd (1933), zijn voor deze innerlijke schat de grondslagen gelegd. Hartelijk, elkaar dragend en inspirerend, oecumenisch georiënteerd, begiftigd met een creatieve intelligentie en artistieke talenten. Reeds tijdens zijn gymnasium A op het Ignatius College heeft hij genoten van zang en toneel. En ook tijdens zijn lange vormingsjaren heeft hij voor medebroeders en hemzelf de ernst en zwaarte daarvan dragelijk weten te houden met dit soort versieringen.
Naast filosofie omvatte de voorbereidende studie ook het vak Klassieke Talen aan de Universiteit van Nijmegen (1957-1962;1966-1969). De theologie in Maastricht en de priesterwijding (1962-1966) lagen duidelijk meer in zijn aard. Gedurende die jaren kwam geleidelijk naar voren, dat zijn directe belangstelling voor mensen, tezamen met een open gerichtheid op wat hen bewoog, de keuze van zijn apostolisch werk mede zouden gaan bepalen.
Als eerste taak werd hij lid van de groep jongere Jezuïeten, die als team, tezamen met enkele zusters, de zielzorg zouden gaan verzorgen binnen pas begonnen nieuwe wijken in Rotterdam Ommoord en Alexanderpolder (1968-1976). Bij de taak-verdeling kreeg hij vlak na het einde van het Vaticaans Concilie II de verantwoording voor de liturgie. Ook speelde hij een rol in de maandelijkse bijeenkomsten van vele functionarissen, die in dat stadsdeel betrokken waren bij allerlei vormen van zorg. Die groepen werkten in oecumenisch perspectief. Met zijn culturele gaven en geestelijke talenten kwam hij daar volledig tot zijn recht. Gedragen door Gods mysterieuze nabijheid inspireerde hij medemensen om elkaar tot troost te zijn. De kleinen en armen onder de bewoners kregen bijzondere aandacht.
Na een noodzakelijk periode van rust, een aantal maanden voor het doen van zijn tertiaat, en een summer-course in pastoraal-theologie in de USA, werd hij lid van een nieuwe pastoraatsgroep van Jezuïeten in Maastricht aan de Lage kanaaldijk (1976-1982). Van daaruit werd hij deeltijd docent ‘pastoraal in de gezondheidszorg’ aan de medische faculteit van de Radboud Universiteit in Nijmegen (1977-1994). In deze jaarlijkse cursus van enkele maanden, verplicht voor toekomstige artsen, liet hij hen, in uiteenzettingen en vele vormen van gesprek, kennis maken met de bijdragen welke het pastoraat binnen de ziekenzorg kan verlenen. Hij steunde daarbij zowel op zijn eigen degelijke pastorale opleiding, als ook, enkele jaren later, op zijn eigen ervaring, opgedaan in het Verpleeghuis IJsselmonde bij Rotterdam (1982-1998). Intussen was hij verhuisd naar Geervliet in het Westen des lands. Op deze beide plekken heeft hij veel betekend voor een groot aantal jongere mensen, die in hun taak als medicus ook bevrijdend en genezend wilden omgaan met hun medemens.
Tegenslagen en deelgenoot worden in conflicten zijn hem niet bespaard gebleven. Allereerst was zijn eigen gezondheid kwetsbaar. Ook werd hij deel van een conflict tussen de City-kerk annex studentenpastoraat in Maastricht en de bisschop van Roermond. Dat leidde er toe dat Anton en Frits v.d. Ven ontslag namen vanwege ‘een onwerkzame situatie’. Ook later in de Katholieke Verplegings- en Verzorgingsinstellingen in IJsselmonde groeide geleidelijk aan een spanningsveld. Hij werd daar aangesteld als iemand ‘voor de sector religie’. Maar in de ogen van de leiding bleek op den duur dat de gelovige inspiratie in Anton’s werk onder de mensen voortdurend en principieel buiten die versmalde bedding van ‘religie’ trad. Ondanks die opstelling kon hij zijn werk in de gegeven setting vele jaren blijven doen, maar uiteindelijk heeft het zijn functie onmogelijk gemaakt en nam hij ontslag. ‘Bron van vreugde, oorzaak van diepe teleurstelling’, zo formuleerde hij het eens.
Tussen dat alles door heeft Anton, met zijn persoonlijke touch, ook mede verantwoordelijkheid gedragen voor ontwikkelingen binnen de Nederlandse Provincie van de Jezuïeten. Hij is overste geweest in de kleinere communauteit van de Vrijplaats in Geervliet (1982-1988); daarna in het Aloysiushuis te Den Haag (1992-2002). Als lid van het Consult van de provinciaal droeg hij bij aan het beleid (1976-1984).
In diezelfde periode werd hij gekozen om namens de provincie de Procuratoren-bijeenkomst in Rome (1978) bij te wonen. Zes maal werd hij gekozen als lid van de Provinciale Congregaties. Ook in deze context werd hij het meest geboeid door bewust aangebrachte momenten van gezamenlijke bezinning. Hij zegt: ‘dan kwamen geen hoge plannen of idealen aan de orde, maar wij zélf. We leerden naar elkaar luisteren en kwamen elkaar voelbaar nabij: Gezelschap rond Jezus’.
De laatste tien jaar van zijn leven werden getekend door een sterke terugval in zijn gezondheid, resulterend in blijvende invaliditeit aangaande zijn lopen, en verzorgd op het Berchmanianum. Dat moet een beproeving voor hem zijn geweest met betrekking tot de zin van zijn leven. Het moge echter gezegd worden: ondanks alles wat verdrietig maakte, en ondanks velerlei tegenstrijdigheden, is zijn ziel niet verbitterd geraakt. Hij bleef toegankelijk en aanspreekbaar. In het licht van zijn geloof in Gods mysterieuze nabijheid bleef hij ja-zeggen tegen zijn bestaan. Anton heeft veel betekend voor een groot aantal mensen van velerlei slag. Met zachtheid en met ogen van een kind is Anton medebroeder, begeleider en pastor geweest. Om het te zeggen in hem dierbare woorden van Han Renckens s.j.: ‘Mijn leven is een genade waarin ik vertrouwen mag hebben. God heeft er mee te maken dat ik ben zoals ik nu eenmaal ben’.