Harry van Voorst tot Voorst
1927 2009
Wanneer Pater Henri L. M. van Voorst tot Voorst in 1993 in ‘Nederlandse Jezuïeten’ het 75-jarig bestaan herdenkt van de Stichting Canisius in Yogyakarta, Indonesië, proef je in de tekst zijn innerlijke instemming en bewondering voor dat apostolisch ontwikkelingswerk van de orde in dit voormalige missiegebied van de Nederlandse SJ-provincie. Op dat moment vallen daaronder 341 merendeels scholen voor primair onderwijs, met 50.000 leerlingen en 2800 leerkrachten. In 1897 had Pater van Lith, later gesteund door zijn medebroeder Frans Sträter, hiertoe het initiatief genomen. En met succes zoals hierboven blijkt. Een van de bijzondere resultaten van de onderwijzersopleiding was het apostolisch enthousiasme van deze eerste generaties van Javaanse christenen, zich inzettend voor het missiewerk van de, toen, volksscholen. In de eerste 40 jaar heeft de kerk wortel mogen schieten op Midden-Java. En dat alles mede dank zij het in het moederland verzamelde geld van het zgn. Java-Missiebusje.
Wanneer hij dat proces beschrijft, is Harry van Voorst 68 jaar. Hij heeft dan minder directe verplichtingen meer, en kijkt terug op een periode van ruim twaalf jaren, waarin hij gevraagd werd mededrager te zijn van zware verantwoordelijkheden. Hij is achtereenvolgens superior, econoom, leraar engels en godsdienst op het De Britto-college in Yogyakarta, provincie-consultor, tijdens verschillende perioden vice-provinciaal, en secretaris van het bestuur van de Universiteit Sanata Dharma. Daarna draagt hij gedurende zes jaar de lasten van de taak ‘econoom/penningmeester’ te zijn van de Indonesische Jezuïeten-Provincie, en van de daarmee verbonden diverse belangrijke bestuursfuncties bij het Groot-Seminarie, de genoemde universiteit en de Stichting Kanisius.
Ter gelegenheid van het hierboven genoemde jubileum van deze scholenstichting op Midden-Java schrijft Harry van Voorst voor de leden van de Nederlandse provincie een artikel in het SJ-blad. Daarin laat hij merken heel goed te weten waarover hij spreekt, ook in het perspectief van de toekomst voor de scholen en de Indonesische kerkprovincie. Vanaf de 60-er jaren van de vorige eeuw heeft Indonesië, als onderdeel van zijn politiek, grote prestaties verricht ten dienste van de opbouw van volksonderwijs. Het was een bijzondere geste van de regering dat Harry bij dit jubileum in een van de scholen in een armoedig dorp de Minister van Onderwijs mocht ontvangen. Dit bezoek gold als een uitzonderlijke blijk van waardering voor het feit, dat deze particuliere stichting zich uitdrukkelijk specialiseert ten dienste van de marginale groepen van de bevolking. Daarmee raakte de minister juist een heel diepe motivering, die bij Pater Harry in zijn leven altijd een rol heeft gespeeld. Had hij, afkomstig uit een voorname familie, niet juist daarom uitdrukkelijk gevraagd om naar de missie te mogen?
In scholing en opleiding verliep de eerste periode van Harry’s leven verre van ordelijk vanwege de oorlog. In 1927 geboren, - als 7 jaar jongere broer van onze medebroeder Felix van Voorst t. Vrst. naast uiteindelijk zes zussen -, moest hij vanwege de Duitse bezetting in Den Haag aanvankelijk op ongeregelde tijden de lessen volgen buiten het gebouw van het Aloysiuscollege. Ook zijn verblijf op het internaat van Huize Katwijk, verdreven naar Gulpen, verliep niet ongestoord vanwege het feit dat het uiterste Zuiden des lands reeds in september 1944 bevrijd werd. Tezamen nauwelijks 5 nominale schooljaren in plaats van minimaal 6. En in 1945 het diploma Gymnasium A zonder eindexamen te hebben hoeven doen. In datzelfde jaar treedt hij in de orde, en blijkt zijn apostolische aandacht al in de richting van missiegebieden te gaan.
Begin 1948 per boot vertrokken naar Java komt hij daar terecht in uiterst ongeregelde omstandigheden, samenhangend zowel met de gevolgen van de Japanse bezetting voor de katholieke missie, als met de opbouw van de Indonesische onafhankelijkheid in een strijd met Nederland. Er moest op gebieden van opleiding en lichamelijke zorg sterk worden geïmproviseerd. Hij hield er een verblijf van 1½ jaar ziekenhuis aan over vanwege tbc. Ook de studie van de theologie vond in Yogja plaats, gevolgd door de priesterwijding (1957) en tertiaat bij mrg P. Willekens s.j. Bij zijn laatste geloften (1963) werd hij lid van de (vice-)provincie Indonesia.
Na een aantal jaren als prefect en leraar in diverse talen op het Klein Seminarie, aangevuld met taken in geestelijke dienstwerk, werd hij gevraagd om gedurende vele jaren (1962-1977) de rechterhand te worden van de aartsbisschoppen Soegijapranata en Darmojuwono van Semarang: secretaris, kanselier, econoom van het bisdom. Met zijn dienende maar ook kritische en toegewijde vorm van aandacht, vooral ook voor de ‘kleinen’ onder de mensen, heeft hij heel veel kunnen bijdragen aan de vormgeving van deze plaatselijke kerk, en mede daardoor aan het welzijn van de Indonesische SJ-provincie. Een aantal malen keerde hij voor korte tijd naar Nederland terug. Na het beëindigen van deze taak nam hij deel aan het Jesuit Renewal Program in Manila. Dat heeft hem zeker geholpen om in de tweede helft van zijn leven de opdrachten te kunnen vervullen, waarover hierboven reeds werd gesproken. Hij had een open geest voor nieuwe ideeën en uitdagingen.
Rond zijn 70e verjaardag dacht hij nog na over nieuwe apostolische mogelijkheden aangaande de katholieke middelbare scholen. De doelstellingen ervan heroriënteren: niet meer gericht op hoger onderwijs, maar omvormen tot middelbare handelsscholen, waarlangs de meesten van de ‘arme’ aanwezige leerlingen een plaats in de samenleving kunnen verwerven. Van toen af (1997) leefde hij als geestelijk vader op het Groot Seminarie in Yogyakarta. Geleidelijk aan kwam bij hem naar buiten hoe veel zijn sterk geëngageerde wijze van leven van hem had geëist, mede ook in geestelijk opzicht. Langdurige depressies, vormen van zwaarmoedigheid, beginnende problemen met zijn ogen. Voor naaste medemensen werd het steeds moeilijker hem te herkennen als de steeds opgewekte, extroverte, communicatieve en geestelijk diepe persoon van vroeger. Waar mogelijk hebben medebroeders-jaargenoten het contact met hem gaande gehouden, ook toen hij uiteindelijk verpleging moest krijgen in het verzorgingshuis in Giri Sonta.
In Harry van Voorst tot Voorst hebben we een persoon mogen ontmoeten met een priesterlijke inborst, van jongs af aan. Zijn wens om ‘naar de missie te gaan’, en zijn keuze om daarin met name ‘de kleinen onder de mensen’ te zien, hebben daarin hun wortels. Zijn leven laat zien hoe hij zijn Heer daarin steeds weer heeft mogen ontmoeten als ‘God of surprises’. Die ‘verrassingen’ heeft hij ontvangen en rijkelijk uitgedeeld, vaak in het verborgene. Hij heeft er ook onder geleden. Dat zaad zal vrucht dragen.