In memoriam

Leon Janssen

1921 – 2009

Boven het SJ-interview met Pater Leon Janssen in 1986, bij gelegenheid van het neerleggen van zijn ambt als Professor in de ‘Economie van de ontwikkelingslanden’ aan de Katholieke Universiteit Brabant (vroeger Katholieke Economische Hogeschool) te Tilburg, stond als titel: Meer dan econometrie. Met dat afscheid werd een periode van 35 jaar afgesloten, welke een aanvang had genomen na zijn priesterwijding en opleiding theologie in Maastricht (1951).

Vanwege zijn intellectuele begaafdheid hadden de oversten hem een aantal jaren eerder al gesuggereerd, dat zij hem waarschijnlijk een taak zouden voorleggen in de opleiding van jonge medebroeders. Maar tijdens zijn studiejaren theologie (1946-1950) had Leon duidelijk belangstelling gekregen in het bijvak ‘sociale moraal’, dat gegeven werd door Pater Piet de Bruin (‘Bruintje” geheten). Daarin wees deze medebroeder, met zijn veelzijdige kennis en intellectuele moed, Leon de weg naar ‘realistisch denken’. ‘Ware menselijkheid kan slechts bouwen op authentieke menselijke waarheid’. Hij had Leon daarbij nog gezegd: ‘wanneer je je daarin wilt bekwamen zul je eerst economie moeten studeren, dan weet je tenminste waarover je praat!’ De oversten gingen ermee akkoord. Zo geschiedde. Studie in Tilburg, afgerond met doctoraal examen cum laude (1951-1956), en dissertatie cum laude (1960). Vervolgens hoogleraar aan de Hogeschool (later Universiteit) in Tilburg, en bijzonder hoogleraar aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, in een nieuw vakgebied: ‘Leer van de sociale en economische aanpassingen van ontwikkelingslanden’(1961-1986).

Terugkijkend mogen we vaststellen dat het vormgeven aan deze levensopdracht  feitelijk diepe banden had met zijn eigen menselijke levensgeschiedenis. Tot op hoge leeftijd kwam hij altijd graag even ‘thuis’ in het zuiden des lands. Als oudste van drie zonen en twee dochters werd hij in 1921 geboren in een heel gelovig katholiek arbeidersgezin in Maastricht. Tijdens de crisisjaren doorliep hij gymnasium A, en besloot hij in 1939 in te treden bij de jezuïeten in Grave (N.B.). De driejarige filosofie, ook afgesloten ‘met lof’, vond plaats in Eijsden (L.). Bij gelegenheid van zijn inauguratie als Hoogleraar hield zijn vader, mede namens moeder, een toespraak. Daarin stelde hij vol overtuiging: ‘Ik ben blij dat je nu professor bent, maar nog blijer ben ik dat je priester bent!’ Dat perspectief past op heel zijn leven. Zo verbleef hij eens, ter advisering, voor 4 weken aan de Katholieke Universiteit van Bandung (Indonesië). Dat resulteerde in reële veranderingen in de levensbeschouwelijk aanpak binnen de Sociale Faculteit.  Jaren later stond er als titel boven het Verslag van dat verblijf achter zijn naam: ‘Ekonoom èn Pastor’ (1979). Na aanvankelijk sterke nadruk gelegd te hebben op belangen van grotere bedrijven ging zijn programma zich meer richten op vakken belangrijk voor de kleine man en de armen. Leon vatte het samen: ‘De smeulende ongerustheid over het levensbeschouwelijke karakter werd tot een ‘laaiend vuur’ dat leidde tot veranderingen die noodzakelijk werden’.

Bij zijn studie werd Leon sterk gestimuleerd door contacten met Jan Tinbergen in Rotterdam, en de Nobelprijswinnaar Colin Clark in Oxford (GB). Binnen zijn vakgebied propageerden deze collega’s heel sterk het structuralisme als wijze van benadering. Dat verwees niet naar een ‘methode of theorie aangaande het vak’ maar ‘naar een manier van kijken’ naar de empirische werkelijkheid. Leon ontdekte hoe hij langs die weg zijn pastorale houding kon integreren in de benadering van kwesties via zijn vak. De ‘gewone’ economische benadering en politiek was in die dagen sterk a-historisch en ‘erg ongeduldig’ waar het om resultaten ging. Maar structuren in de werkelijkheid zijn nu juist ‘historisch’ bepaald. Zij eisen mensen met een lange adem, en met interesse voor institutionele veranderingen. Langs die weg kan men ‘realistisch’ bezig zijn met optredende knelpunten, machtsverhoudingen en starheden in ontwikkelingslanden.

Vanaf 1962 kwam onder hem als directeur in Tilburg een nieuwe loot tot ontwikkeling: het  ‘Instituut Ontwikkelingsvraagstukken’. Dat verbond hem tevens met het Institute for Social Studies in Den Haag. In Zuid-Amerika, in Peru, raakte hij enkele jaren later nauw betrokken bij de oprichting van de Sociale Faculteit aan de Pauselijke Universiteit in Lima. Als dank daarvoor ontving hij in 1973 als creatief geschenk een Ere-professoraat. Talloze malen heeft hij bezoeken gebracht en gastcolleges gegeven met name in dat deel van de wereld en in de Verenigde Staten. Die contacten met de praktijk elders stimuleerde hij ook onder de medewerkers van zijn eigen instituut: persoonlijk ervaring opdoen in de uitvoering van projecten ter plaatse. Ook van binnen Nederland bereikten hem verzoeken tot hulp. Hem werd de evaluatie gevraagd van 5 Nederlandse onderzoeksinstituten. Zowel voor het Ministerie als voor de Nederlandse Kerkprovincie verrichtte hij advieswerk.

Binnen onze Jezuïeten-provincie nam hij gedurende deze jaren heel vaak deel aan commissies, met name rond financiële zaken. Diverse malen werd hij gekozen als lid van Provinciale Congregaties waaraan hij actief participeerde. Ook op het niveau van de orde als geheel werd herhaaldelijk een beroep op hem gedaan. In vele communauteiten van de wereld heeft hij zich thuis gevoeld. Leon dacht in vele kwesties primair vanuit de wereldkerk. Dat relativeerde voor hem ook de kleinschaliger problematieken, die zich voordeden binnen onze Nederlandse kerkprovincie. Samenvattend mogen we met grote waardering en bewondering over deze actieve periode vaststellen: op innemende en bescheiden wijze aanwezig, heeft hij waargemaakt wat hij rond 1955, toen nog in het vooruitzicht, als belangrijke positieve gevolgen zag van de taak waaraan hij stond te beginnen.

Gedurende al die jaren bewoonde hij een bescheiden appartement in het huis van de Broeders Penitenten in Tilburg. Ook zij hadden sinds 1964 jonge broeders naar apostolisch werk in Zuid-Amerika uitgezonden. Rond de Universiteit ontstond een groep dierbare en vertrouwde vrienden waarvan hij deelgenoot werd.

Na zijn emeritaat is hij gaan ervaren hoe geleidelijk aan de verbondenheid via de vele banden binnen en buiten de Universiteit minder werd. Hij maakte nog enkele internationale reizen naar Zuid-Amerika. Ook heeft hij gedurende 10 jaar een aantal maanden per jaar doorgebracht als gasthoogleraar aan de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Pauselijke Gregoriana Universiteit in Rome, waar vele medebroeders een taak hebben. Naast het geven van enkele colleges over de Pauselijke Sociale encyclieken en zijn eigen specialiteiten, was zijn voornaamste keuze om studenten, afkomstig uit Derde Wereld landen, voor het licentiaatsexamen bij te spijkeren, en behulpzaam te zijn bij het bereiken van goede examenresultaten. Ook hier een vorm van structuralisme!

Intussen begon ook zijn gezondheid op punten na te laten. Datzelfde geschiedde in de tot bejaardencommuniteit veranderde groep van de broeders in Tilburg. Het bracht hem tot de slotsom om, na zoveel jaar alleen wonen, zich aan te sluiten bij het Berchmanianum in Nijmegen (1992) en van daaruit zich nog verdienstelijk te maken. Het werd hem gegeven om in zijn 75e levensjaar een afscheidsbezoek te brengen aan verschillende plaatsen in Zuid-Amerika en Canada. In de  jaren daarna hebben de medebroeders hem leren kennen als een vroom man en priester, die moeite had om te gaan met zijn ouderdom en met voortdurend optredende inbreuken op zijn gezondheid. Zelf door geboorte geworteld in de wereld van de arbeiders, heeft hij op ‘realistische’ wijze ‘wereldwijde’ bijdragen  geleverd aan de uitdaging vanuit de gerechtigheid. In zijn actieve leven groeide hij uit van een  in de academisch gekleurde plechtigheid ‘geinaugureerde hoogleraar’ tot een ‘academische collega met pastorale bekommernis’, en binnen de Universiteit van Tilburg, van professor tot ‘dé Pater’. Het werd tot een getuigenis dat híj alleen kon geven. ‘Dienstbaarheid van het geloof vanuit een Kerk in dienst van de wereld’.



IHS > gezellen van Jezus > In memoriam