Felix van Voorst tot Voorst
1920 2009
Toen iemand in Groningen hoorde, dat Pater Felix Edzard Marie van Voorst tot Voorst was gestorven, reageerde deze: ‘Een fijn mens!’ En hoe velen, - familieleden, medebroeders, collega-leraren, leerlingen, religieuzen, vrouwen en mannen -, hebben haar dat nagezegd. ‘In ontmoetingen in eerste instantie wat afstandelijk, ontdekte je vrij spoedig te maken te hebben met een warme lieve man’, zo tekent hem bij zijn uitvaart een medebroeder, die hem vele jaren meemaakte. ‘Doortastend. Intellectueel begaafd, in praktische kwesties handig: je gooit niets weg als het nog te maken is. Hij kon flexibel zijn, en tegelijkertijd was onverzettelijkheid, die pal staat voor zijn principes, ook een van zijn duidelijke kenmerken. Veeleisend voor zichzelf. Een sober levend mens. In zijn leven bleven distantie en nabijheid nauw met elkaar verbonden. Een persoon met een sterke wil, ook de wil om te leven, zo bleek gedurende de laatste maanden’.
Distantie en nabijheid. De band met zijn familie was hecht en diep. Daar werden de grondslagen van zijn leven gelegd. Geboren (1920) na vier zussen, - terwijl er daarna nog drie zussen en een broer volgden groeide hij op ‘in een heel religieus georiënteerd gezin onder leiding van zeer godsdienstige ouders’, zoals hij zelf wel eens vertelde. Vader bekleedde een hoge functie in het Nederlandse leger. Tijdens de crisis-jaren rond 1930 betekende dit toch: wel meer kinderen, maar minder personeel in huis. De opvoeding was sober, het plichtsbesef sterk, de na te streven doelstellingen voor een jong leven ambitieus. Godsdienst vormde daarvan een geïntegreerd onder-deel. Over zijn intrede in de orde (1939) heeft hij later wel eens verteld: ‘ik ben jezuïet omdat ik dat zag als een plicht. Ik heb die keuze nooit betreurd’. Bij het vieren van zijn 70-jarig jubileum in de orde (2009) verwijst hij naar de dertig-daagse retraite van Ignatius tijdens het noviciaat en naar ‘de beschouwing om de liefde te verkrijgen’. ‘Dat was voor mij een bliksemflits, een totaal nieuwe visie op het leven’. God, zijn Heer, paste dit toe in Felix’ z’n leven. ‘Uit plicht’ werd ‘uit liefde’. De glimlach op zijn gelaat, wanneer hij mensen ontmoette, was de glimlach van zijn ziel naar God. ‘In mijn ouders en familieleden, in medebroeders, vrienden en leerlingen, gevoelde ik hoe Gods hand mij droeg’. Dankbaar en gelukkig terugkijkend, schetste hij zijn leven niet zozeer als ‘vindplaats van God’, maar veeleer als een ‘zoektocht naar God’. Wie aanwezig was wanneer hij voorganger was in vieringen, ervoer hem als iemand die de Heer ontmoette, met zorg en overtuiging. Zo ook wanneer hij dagelijks de psalmen van zijn brevier bad. Sinds dat ogenblik in het noviciaat heeft hij gepoogd, in tijden van inspiratie of duisternis, het licht van dat ogenblik te laten schijnen over uitdagingen en activiteiten, waarmee hij tijdens zijn lange leven tot op het laatst verbonden bleef.
Distantie en nabijheid. Omdat hij bij zijn intreden het diploma Gymnasium B met hoge cijfers had gehaald, dreigde hij binnen de orde bestemd te worden voor het studeren van exacte vakken. Bewust dat daar zijn talenten niet lagen kreeg hij, op verzoek, verlof aanvullend Gymnasium A te halen. In de opleiding studeerde hij licentiaat filosofie en theologie in Nijmegen en Maas-tricht, en in de tussentijd (1945-1951) doctoraal Frans in Amsterdam. In 1953 ontving hij de priesterwijding, tot slot gevolgd door het tertiaat in Paray le Monial, Frankrijk.
Distantie en nabijheid. Zijn eerste bestemming lag op het St. Maartenscollege in Groningen (1956-1966). Daar werd hij leraar Frans en tevens prefect van het internaat. Dat laatste zonder enige ervaring vooraf. Een behoorlijk deel van de ongeveer 40 internen was afkomstig elders uit Nederland. Dat waren dikwijls niet de gemakkelijkste klanten. ‘Toen ik kwam dacht ik: ik moet goed in me opnemen wat ik zie, want over een jaar zie ik niets meer. De eerste indruk was: mijn hemel, wat een primitieve boel’. Na overleg met de rector kreeg hij ruimte, b.v.om de dagelijkse Eucharistieviering in de vroege ochtend facultatief te stellen naast studeren. In 1960 kwam het nieuwe schoolgebouw klaar. Ongeveer ter zelfder tijd
ontstonden vragen rond het voortbestaan van het internaat. Met toestem-ming van Rome werd het geleidelijk opgeheven. Deze combinatie van functies zonder veel hulp van anderen was voor hem eigenlijk een te grote klus. ‘Ik heb me er doorheen geslagen, mij inspirerend op de opvoeding die ik zelf had gehad thuis: in vrijheid en vertrouwen’. In-tussen voelde Felix zich niet belet om nieuwe wegen in te slaan, en aan Huub Oosterhuis te vragen, toen sj-student Nederlands in Groningen, om voor het moeizaam verlopend Lof op zondagavond half negen, ‘in godsnaam’ iets nieuws te bedenken, ‘iets met de Bijbel of zo’, een liedje in het Nederlands naast het Gregoriaans in het Latijn. Als antwoord op die uitnodiging begon Huub liturgische liederen in het Neder-lands te schrijven op Bijbelse thema’s. Zo kregen dank zij Felix de vieringen van de school op steeds grotere schaal de primeur van het ‘Oosterhuis-gebeuren’ in de Nederlandstalige liturgie. Het werd een samen-werking op basis van vriendschap. In het leven van Felix ‘een memorabel gebeuren’.
Distantie en nabijheid. In 1966 werd hij naar het Ignatiuscollege van Amsterdam geroepen om daar de door conflicten opengevallen plaats van rector van het gymnasium te gaan invullen. Intussen werd ook de theologie naar Amsterdam overgebracht vanuit Maastricht. Een baaierd van onrust en spanningen op velerlei gebied. Temidden van al die woelingen bleef hij kalm en gestaag zichzelf: stabiel betrouwbaar. Zelf liet Felix horen dat het rectorschap werk was voor een leek, en niet voor een priester. Kort samengevat: in 1970 kon een leek, de heer Ruhe, als rector de nieuw gevormd scholengemeenschap gaan leiden. Felix kijkt op de resterende jaren als actief docent terug als een van de mooiste perioden van zijn leven:gewoon leraar Frans. Hij was ‘een voortreffelijk leraar met vele talenten’. Voor de jongere leerlingen in hun beleving geen veraf staande persoon; vriendelijk, grapjes makend, altijd rustig blijvend, stimuleerde hij hen tot topprestaties in zijn toch moeilijke vak. En voor de oudere leerlingen: zijn lessen waren over-zichtelijk, veilig, ontspannen, maar wel uitdagend. Vertrouwen en genegen-heid: woordeloos maar bijna tastbaar waren ze aanwezig. Veel heeft hij onder de aanwezige spanningen geleden; het drong niet zo goed tot hem door hoe geliefd hij in feite was’.
Distantie en nabijheid. Bijna 20 jaar later (1985) werd hij als leraar gepensioneerd. Hij kreeg het verzoek om terug te keren naar Groningen om binnen het Bestuur St. Maartenscollege als jezuïet de inspiratie mede te behartigen. Dat lag toen in goede handen. Verder verzorgde hij in de stad en omstreken ‘te fiets’ assistenties in kerken en kapellen, zowel ’s zondags als ook op weekdagen. Met zijn kundigheid in diverse talen, waaraan hij toen nog de studie van Russisch en Spaans toevoegde, ‘heb ik aan de Provinciaal laten weten dat ik graag zou willen vertalen. Tot mijn verbazing lag er bij hem een verzoek vanuit de Kerkprovincie, Katholieke Documentatie, om iemand die dat kon doen tegen een geringe vergoeding. Dat klikte dus mooi. In de loop der jaren betrof dat vier boeken, en een lange lijst van soms ellenlange documenten’. Ook Cardoner en de Provincie profiteerde vele jaren van zijn dienstbaarheid bij de vertaling van de Constituties, Decreten van Generale Congregaties, en interessante artikelen.
Op een hem eigen en weloverdachte wijze heeft Felix zich gedurende 25 jaar (1985-2009) dagelijks aan dit dienstbare werk gewijd, en daarin een brede ervaring opgebouwd. Na het sluiten van Groningen zette hij deze taak door in Den Haag, en tenslotte tot het laatst toe in Nijmegen. Op een verantwoorde wijze vertalen plaatst een persoon voor allerlei keuzes. Wanneer het officiële documenten betrof zorgde hij er voor dat hij, naast de ‘hoofdtekst’, beschikte over vertalingen in andere Europese talen. ‘Dan loop je aan tegen duidelijke verschillen in structuur en stijl van vertalingen. Dat geldt met name plaatsen waar het ‘oude’ citaten uit de Bijbel of de Traditie betreft’. Ondanks zijn ver-trouwdheid met het Frans ontwikkelde hij een voorkeur voor weergave vanuit het Engels: die vertalingen zijn meer ‘to the point’, zakelijker, zonder versieringen met tierelantijnen. Bij de vergelijking van vertalingen ontdekte hij nog al eens dat deze elkaar tegenspraken. ‘Ongelofelijk!’, was zijn reactie, ‘dus de onfeilbaarheid van deze documenten …. ?’. In zijn vertalingen koos Felix voor de vorm die het meeste voor de hand lag. In twijfel hield hij zich aan de afspraak: weergeven wat het ‘hoofddocument’ aangeeft. Iedere ver-taling bewerkte Felix drie keer. Eerst maakte hij een grote vertaling van het stuk, startend vanaf het begin. Vooraf las hij de tekst niet door. Al doende liep hij dan aan tegen problemen en te maken keuzes. Distantie. Vervolgens controleerde hij, omwille van de Nabijheid, allereerst de spelling. Daarna las hij de vertaling voor: hardop aan zichzelf, aan medebroeders of aan anderen, of gaf hij de ontstane tekst aan verschillende mensen te lezen. Dat leidde nog al eens tot veel veranderingen, en tot flinke omvormingen van zinnen of gedeeltes van de tekst. Hij vond: de vertaling moest niet alleen ‘weergeven’ wat er staat; al luisterend toetste hij of het Nederlands ook ‘klonk’. Vertaling-en moeten niveau hebben willen ze kunnen functioneren. Op een vraag aan hem of hij zich wel eens gewaagd had aan het vertalen van romantische literatuur of poëzie antwoordde Felix: ‘de inhoud van de vraag is het moeilijk-ste wat je een vertaler kunt vragen. Mijn vertalingen missen zeker een poëtisch aspect’.
Soms breekt uw licht in mensen door. In Felix gebeurde dat. Een mede-broeder met wie hij lang heeft samengeleefd stelde hem eens de vraag: ‘Felix, hoe zou je willen dat de mensen later aan je terugdenken?’ Hij rea-geerde op zijn typische wijze: ‘Och … als iemand die eerlijk geprobeerd heeft wat hij te doen had, goed te doen. En soms heb ik daar mijn twijfels over’. Bij zijn uitvaart zei deze zelfde medebroeder in zijn woord ter gedachtenis: ‘Ach, Felix, zeven talenten heb je gekregen, lazen we in de lezing. Ik dacht: je hebt er geen zeven maar wel negen bijverdiend. Je was goed en trouw, trouw aan je ‘Schepper en Heer’, trouw aan de mensen, en trouw aan jezelf: aan wat je heilig was. Je was een fijn mens! Wees nu maar gelukkig voor altijd!’. In Felix gebeurde God!.
Na een kort ziekbed overleed hij in het Berchmanianum te Nijmegen op 30 november 2009, en werd aldaar begraven op het kerkhof van Jonkerbos.