Hugo Zwetsloot
1921 2010
‘Pater Zwetsloot is voor mij een bijzonder man, die ik nooit op dogmatisch denken heb kunnen betrappen, en van wie ik het plezierig vond om hem over geloof en religie te horen spreken’. Daarmee karakteriseert geneeskundig directeur Knook van het protestants-christelijk ziekenhuis Bronovo in Den Haag hoe deze priester en pastor op hem is overgekomen voordat hij op 77-jarige leeftijd definitief afscheid nam. ‘Ik kan me niet anders voorstellen dan dat vele patiënten in ons huis zijn uitgesproken men-selijke en vaak humoristische benadering als een zegen hebben ervaren’. Deze karakterisering raakt de diepere benadering van zijn apostolische inzet. Die is gegroeid in de levensjaren die aan dit ogenblik voorafgingen. In Pater Hugo’s eigen woorden: ‘Ik probeer mensen te helpen om gelovig en hoopvol hun levensweg te blijven gaan, ook al is die weg anders geworden. Ik voel me in wezen een bode, ik breng een boodschap’. Daarmee geeft hij een aanwijzing in welk licht we zijn leven als jezuïet mogen beschouwen. Zelf vat hij de realiteit daarvan kernachtig samen in de titel van een kort artikel: ‘Tussen ongeduld en hoop!’
Pater Hugo Jacobus Jozephus Zwetsloot (ja, met een z!) werd als eerste zoon geboren in 1921 in een katholiek gezin te Baarn. Van de zeven andere kinderen verbond de oudste, een dochter, zich met een contemplatieve communauteit in België, terwijl een zus en twee broers emigreerden naar resp. de USA en Nieuw-Zeeland. Intussen was vader redacteur geworden van the dagblad De Gelderlander, zodat het gezin naar Nijmegen verhuisde. Na de basisschool behaalde Hugo in zes jaar aan het Canisius College het diploma Gymnasium A. In 1939 trad hij binnen in het noviciaat van de orde te Grave (N.B.). Hij doorliep de toen geldende klassieke S.J.-opleiding te Nijmegen en Maastricht. In de tussentijd (1945-1951) studeerde hij Duitse Letteren aan de Nijmeegse Katholieke Universiteit. Bovendien schreef hij gedurende die jaren een dissertatie over de Duitse medebroeder: ‘Friedrich Spee und die Hexenprozesse’, en werd doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (1954). In datzelfde jaar werd hij tot priester gewijd. Na het tertiaat begon een lange periode van leraarschap in Duits en godsdienst aan het St. Aloysiuscollege te Den Haag (1956-1978).
In eerste instantie ging een behoorlijk deel van Hugo’s levensenergie zitten in het degelijk gestalte geven aan zijn vakken op school. Dat heeft hij gedurende meer dan twintig jaar volbracht. In die periode vervaardigde hij een paar succesvolle leerboekjes als hulpmiddel. Maar daarop terugkijkend constateert hij later: ‘dat het lesgeven zelf hem slechts matige voldoening kon geven. Leerlingen vonden Duits een moeilijk vak. En de aandacht van leerlingen voor het vak godsdienst was ook niet langer vanzelfsprekend bij het voortschrijden der jaren’. Ondanks de trouw, waarmee hij zijn taak als leraar vervulde heeft Hugo moeten ervaren ‘niet de pedagogische gave te hebben om gemakkelijk met een groep leerlingen om te kunnen gaan. In toenemende mate had ik moeite met orde. De anti-autoritaire instelling onder de jongeren stuitte mij tegen de borst’. Dat alles speelt mee als hij die taak als leraar samenvat in de woorden ‘een lesboer te zijn geweest’. Wanneer zijn leeftijd de 60 nadert vraagt hij om van die verantwoordelijkheid als docent ontheven te worden.
Maar het collegeleven kende ook vele buitenklassikale activiteiten. Daarin kon zijn apostolische toewijding duidelijk beter tot zijn recht komen. Gedurende een aantal jaren functioneerde hij, (in navolging van zijn vader!), als redacteur van het college-blad ‘Ahóy’, was hij moderator gymnasium academie, dirigent van het koor, lid van het moderamen buitenschoolse activiteiten. Hij beleefde veel plezier in het stimuleren van leerlingen tot deelname aan ‘De Haagse Kunststichting, voorstellingen Haagse Come-die en Nederlands Danstheater, jeugdconcerten residentieorkest, Cultureel Jongeren Paspoort, en hielp hij met het organiseren van schoolreizen en Sinterklaasactie. Hij was biechtvader voor leerlingen, toegewijde voorganger en predikant in vieringen. In toenemende mate vulden vergelijkbare activiteiten als priester en geestelijk begeleider de weekends en de periodes van vakanties.
Zoals aan het begin vermeld wordt de tweede helft van zijn actief apostolische leven vooral door dit laatste soort activiteiten gekarakteriseerd. Vanaf het einde van de 70er jaren is hij naast godsdienstleraar op de Duitse School bezoeker van een aantal verpleeghuizen en bejaardencentra, hij krijgt de leiding over de zondagsdiensten in de kapel van het College, geeft geestelijke conferenties aan religieuzen in de stad en daarbuiten (1966-1995). Naast twee protestante vrouwelijke collega’s werkt hij als parttime pastor voor r.k.-patiënten in het protestants Bronovo Ziekenhuis (1984-1998). ‘Ik vind het bijzonder fijn dat twee vrouwen hier in het pastoraat functioneren. Dan denk ik wel eens: Kerk, kerk, wat een potentieel sluit je af door vrouwen uit te sluiten van het priesterschap. Heel erg!’ Hugo is actief lid geweest van Open Kerk, bezocht de bijeenkomsten van de Mariënburgbeweging. Ook was hij een aantal jaren redactielid van het Bulletin van de VPW Rotterdam en bestuurslid van deze Vereniging Pastoraal Werkenden. Daarnaast besteedt hij als moderator aandacht aan het PaMa-jongerenkoor. Verder ondersteunt hij de zielzorg door assistenties in parochies, en geeft retraites en geestelijke oefeningen (1983-1995). En dan zijn er de talrijke telefo-nische of schriftelijke individuele contacten, welke hij in grote trouw, en tot op hoge leeftijd, onderhield ter ondersteuning van de betrokkenen. Het wekt nauwelijks ver-wondering wanneer in het overzicht van Hugo’s leven in 1996 wordt vermeld dat hij lijdt aan oververmoeidheid.
Met deze opsomming hebben we echter niet de ‘hele Hugo’ omschreven, als dat laatste überhaupt al mogelijk zou zijn. Gedurende de laatste twintig jaar heeft hij bij gelegenheid van bijzondere gedenkdagen in zijn leven, zoals bij zijn gouden S.J.-jubileum in 1989, van tijd tot tijd overwegingen en korte bezinningen naar mensen gestuurd waarmee hij in contactstond. Daarin bracht hij onder woorden ‘wat geloven voor mij inhoudt, hoe het mijn leven draagt en inspireert. Niet om het laatste woord daarover te zeggen, maar wel in de hoop dat velen, die ik mocht ontmoeten en leren kennen, iets herkennen van hun eigen geloven, en er daardoor gelukkiger mee worden’. En dat heeft heel zeker plaatsgevonden. Hij spreekt eenvoudig zijn geloof uit, zoals hij daarin leeft, gelukkig is en hoopt te blijven. ‘Er is Eén, die oorsprong is van al wat bestaat. Die Ene is ook Oorsprong van mijn leven nu bijna zeventig jaar geleden. Mijn Schepper: Eén en al leven en liefde, elke dag; genegenheid, hartelijke interesse in mijn wel en wee. Wezenlijke nabijheid, en dus zorg. Voor mij betekent dat: geborgenheid, veiligheid en ook doel en richting’. ‘In Jezus van Nazareth zie ik de mens geheel naar Gods hart, in wiens dienende liefde Gods wezen zichtbaar wordt. … Opdracht voor mij: liefde te worden door liefde te geven en zo mijzelf te worden. De boodschap van het Evangelie is niet beperkt tot de opdracht: ‘Heb je naaste lief, omdat hij (of zij) mens is zoals jij’. Naast dit gebod belooft God ons de kracht van de Geest te geven om het ook te volbrengen’. ‘Het Tweede Vaticaans Concilie, dat ik als beginnend priester mocht meebeleven, is voor mij het teken van het waaien van die Geest geweest, bezig om mensen te bewegen tot vernieuwing en verandering’. En de manier, waarop Hugo vorm heeft gegeven aan zijn leven is een bewijs van zijn stelling: ‘Leven is nooit statisch’. Secularisatie is voor hem dan ook de ontdekking dat God deze wereld liefheeft, alle mensen en elke menselijke waarde. Boven dit alles uit gelooft Hugo naar eigen zeggen in de zin en kracht van het gebed. Bidden is: ‘openstaan, opengaan. Voor die werkelijkheid, dat God mijn leven draagt, leidt, en bij en in mij is. Gebed is de levensdraad tussen God en mij. Zonder gebed komt mijn ziel in ademnood’.
Gedurende de laatste levensperiode gaf Hugo naar vermogen vorm aan wie hij vanuit zijn karakter en tijdens zijn actieve leven was geworden: pastor, herder, nabije, en daarin vaak creatieve medemens. Geleidelijk aan verminderde zijn gezondheid. Tot het laatste bleef zijn edelmoedigheid hem sieren, ook al hield hij daarin niet altijd een wijze maat. Na een korte periode van ziekte is Hugo overleden in Den Haag en begra-ven op Jonkerbos in Nijmegen. Jegens hem houden wij de belofte voor ogen, dat de Heer hem voor niets te drinken geeft uit de bron van het water dat leven geeft. Ik zal zijn God zijn en hij mijn zoon (Apocalyps 21, 6, 7).