Guus van Hemert
1927 - 2011
Stenen in de rivier’, is de titel van het eerste boek van Pater Guus van Hemert s.j. uit de zestiger jaren. Daarin probeerde hij, aansluitend bij het teamwerk van de Nieuwe Katechismus, om ‘mensen te helpen God niet zo hoog mogelijk te zoeken, maar Hem zo laag mogelijk te vinden. Want als wij Hem niet meer in het leven, in het verder trekken van de mensen herkennen, dan missen wij Hem waar Hij zich openbaren wil. De juiste voorstelling van het heilige is dan ook geen kijk in een andere wereld, maar een kijk ‘op’ de wereld’. Zelf levend ‘van oud naar nieuw’, hebben Guus’ talloze Bezinningen in de Nederlandse pers ook voor een groot aantal anderen mogen fungeren als ‘stenen, gelegd in de stroom’ van de rivier van ons samenleven, ‘waarop we mogen stappen om verder te springen’, als ons voortgaan niet wordt belet. Die overwegingen raken aan de persoonlijke bewogenheid van deze intelligente en tevens creatief heel begaafde medebroeder, die in zijn leven de genade ontving om aan ’bewustzijn en liefde’ in onderlinge verbondenheid gestalte te geven, rond Jezus, de Aanwezige en Verrezene, Middelpunt en Omega.
Geboren in 1927, gedoopt met de namen Augustinus Ignatius, ‘woon ik al sinds 1896 in Den Haag’, zegt Guus, ’ondanks het feit, dat de stamboerderij van mijn vaders kant te vinden is in Herpt bij Heusden (N.B.) aan de Bergse Maas’. Werkeloosheid dwong zijn grootouders te emigreren naar Den Haag, en daar werk te vinden. De vader van Guus groeide er op, trouwde met Johanna zijn moeder, een Haagse, en werd architect bij de Rijksgebouwendienst. ‘Van hem leerde ik alles in de juiste verhoudingen te tekenen’. Naast Guus waren er nog twee broers en een zus, terwijl een andere zus redelijk vroeg overleed. Tijdens vakanties bleef het wijde groene land langs de Bergse Maas nog lang aan hen trekken, met alle natuur-geneugten van dien. Hun band met de katholieke kerk bleef bewaard.
Na de lagere school volgt Guus op het Aloysiuscollege van de Jezuïeten het middelbaar onderwijs. Deze periode, verbonden met dagelijkse fietstochten, viel grotendeels samen met de bezetting door de Duitsers, en de hongerwinter. Lessen moesten elders gegeven worden. Ten laatste waren er ook de bedreigingen ten aanzien van de leerlingen van boven de 17 jaar. Intellectueel gesproken kwamen zijn geestelijke mogelijkheden tot uiting in het met zeer goed resultaat halen van Gymnasium A, terwijl artistiek gesproken zich duidelijke teken- en schilder-talenten begonnen aan te dienen. Na enkele maanden op de Academie voor Beeldende Kunsten trad hij begin 1947 te Grave (N.B.) binnen in het tweejarige noviciaat van de Jezuïeten. In de periode, welke volgde op het afleggen van zijn eerste geloften (1949), heeft hij op zeer goed niveau de studies in Filosofie (SJ-Nijmegen), en kandidaatsexamen Kunstgeschiedenis en Archeologie aan de KUN te Nijmegen afgerond (1949-1955). Ook de studie in Theologie te Maastricht voltooide hij met goed succes in een licenciaatsexamen (1956-1960). Tijdens die periode, 31 juli 1959, werd Guus tot priester gewijd in de Kerk van Sint Servaas. Tenslotte volgde nog een jaar geestelijke bezinning in Dublin, Ierland. Zijn laatste plechtige geloften legde hij af in 1964.
Ondersteund door een sterk ontwikkelde vaardigheid om op scheppende wijze gebruik te maken van de Nederlandse taal, werd hij een gewaardeerd medewerker en docent temidden van een aantal andere medebroeders aan het Hoger Katechetisch Instituut, tevens Katechetisch Centrum in Nijmegen. Hij verschafte wezenlijke bijdragen aan het uitgeven van de Nieuwe Katechismus (1966). In het Voorwoord door de Nederlandse Bisschoppen lezen we de wens dat dit boek over geloven ‘ons allereerst één van hart en ziel moge maken met heel die wonderlijke katholieke kerk waarin zoveel verschillende mensen leven’. Hoe anders pakte dat uit. Later heeft Guus gewezen op het sterk optimistische karakter van die tijd rond het concilie. Hij verzuchtte wel eens: ‘Hadden we het woord katechismus maar niet gebruikt. Het had ons veel kommer bespaard’. Daarnaast had hij als redacteur de zorg voor enkele tijdschriften, een deeltijd taak als school-catecheet, en ging hij in op verzoeken van buiten (1961-1971).
Daarna lag de nadruk vooreerst op het geven van retraites. Maar al snel begon hij op scheppende wijze mee te werken aan KRO-TV-programma’s zoals ‘Lieve hemel’ (1973), ‘Het visioen van Jan van Eijck’ (1976), ‘Twee ogen, twee oren, een hart Schepping en Evolutie Bladerend in Brehm’ (1977).
Intussen bleek het voor hem beter, om een flat te gaan betrekken voor alleen- wonenden. In het Nijmeegse verwierf hij een woonplek, gelegen op een hoge verdieping met wijd uitzicht (1975-1997). Guus hoopte dat dit bewust sober ingerichte woonhuis een plek zou worden voor werk, studie en een paar persoonlijke relaties, maar ook een plek van stilte, gebed en gastvrijheid, van waaruit de contacten met medebroeders, familie en vrienden, plus met de nodige werkkringen, onderhouden konden worden. Dat aan deze wens uitvoering is gegeven moge een bewijs vinden in een lijst van ruim 175 kleinere en langere beschouwingen, die gedurende ruim 30 jaar hun weg vonden via o.a. literaire media. Als voornaamste daarvan mogen genoemd worden: De Heraut, Trouw, Speling, en het interne communicatieblad van de orde in Nederland, ‘SJ’, geheten. Ook boden zich enkele gelegenheden aan om eigen vervaardigde aquarellen en tekeningen voor anderen toegankelijk te maken: Nijmegen (1979 en 1983), Milaan (1987).
Over deelname van hem aan grotere media- projecten vallen te noemen, bij de KRO-TV: ‘Altaar Matthias Grünewald’ (3-delig, 1977), ‘Tocht door de Middeleeuwen’(9-delig, 1979), ‘Het hart op de tong’, over psalmen, (4-delig, 1981), ‘Tot de orde geroepen’, 3-delig, 1985), en aan losse uitzendingen: ‘Het visioen van Jan Eijk (1976), ‘Maria ten hemel opgenomen’ (1979).
Geheel het leven van Guus was ook diep geworteld in de spiritualiteit van de Jezuïetenorde. Zijn eigen geestelijke rompstand van ‘bewustzijn en liefde’ voelde diepe verwantschap met de bewogenheid, welke zijn Franse medebroeder Pater Teilhard de Chardin s.j. in zijn geschriften uitstraalde. Hij citeerde hem dan ook frequent, al dan niet met de naam van de auteur erbij. In eigen woorden formuleert Guus van Hemert het aldus:
‘Het geheel van de visie van Ignatius: kijken naar de aarde zonder vooropgezet sacraal of dualistisch wereldbeeld, bevat de mogelijkheid tot onbevooroordeelde echte nieuws-gierigheid en kosmische overgave, waarin de ‘richting naar de armen’ en de ‘erkenning van God in alles’ als diepste visie aanwezig komen. …. In dit licht is het interessant dat, bij de grote kwestie van ‘de evolutie van de schepping naar de mens toe’, het Teilhard de Chardin was, die, zonder vooropgezette sacrale vormgeving, Gods werken in het wereldse gebeuren probeerde te herkennen. Zulk soort visies geven een eigen mogelijkheid tot ontplooiing aan de Ignatiaanse spiritualiteit. Daarom zijn jezuïeten wellicht speciaal geroepen om de mensen, die buiten de kerk nieuwe wegen zoeken, te vertegenwoordigen binnen die kerkgemeenschap. Zij bezitten de kijk en gevoeligheid van de anderen. Tegelijk geloven ze in de kerk als een goddelijk evolutieverschijnsel vol oude waarden en nieuwe mogelijkheden. Hun roeping betekent zodoende een dubbele trouw: naar de wereld in lief en eed, naar de kerk in lief en leed. Geen van beide loyaliteiten mogen zij verraden, ook al zullen tussen hen accentverschillen zeker te vinden zijn. Moge het gesprek tussen hen onderling gaande blijven. En dat lijkt mogelijk als zij het gesprek in hun eigen hart niet tot zwijgen brengen’.
Die innerlijke verwantschap in spiritualiteit beleefde hij ook sterk tijdens het zeer trouw bijwonen van Europese Congressen van Jezuïeten-kunstenaars. Van 1984 tot 1997 bezocht Guus de samenkomsten in achtereenvolgens: Parijs, Athene, Kiev-Moskou-Leningrad, Kopenhagen, Berlijn, Maastricht, Florence, en Warschau. Vaak hield hij ons, medebroeders, op de hoogte van zijn belevenissen.
De hierboven geschetste artistieke, intellectuele en spirituele vitaliteit begon rond zijn zeventigste verjaardag gaandeweg te verminderen. De ziekte van Huntington tastte geleidelijk zijn bewegingen en houding van zijn lichaam aan, en had ook enige invloed op de scherpte van geest. Daarom woonde hij vanaf 1997 annex aan het Berchmanianum in Nijmegen. Maar naar vermogen bleef hij creatief in het schrijven van korte beschouwingen over ‘de dingen des levens’. Voor enkele ingrepen was opname in het ziekenhuis noodzakelijk. Maar achter zijn naam beef nog lang staan: scriptor, schilder, diverse assistenties. Temidden van zijn medebroeders heeft Guus zijn leven neergelegd in de handen van zijn Heer op 8 augustus 2011, en eindigde dit Proces van Liefde. In de hoop, dat hij binnen mocht treden in Het licht van Omega.