Hans Bijmans
1934 2011
In een pleidooi om ruimte, zodat wij elkaar gunnen om mens te worden, -helpend, soms hulpeloos, maar ook geholpen -, schrijft deze medebroeder: ‘Ik herinner me nog hoe ik als jongen van 14 jaar op ziekenzondag op een ton het verkeer stond te regelen. Dat sjouwen voor de zieken heeft sterk meegespeeld bij mijn besluit jezuïet te worden. … Dit brengt mij bovendien een goede raad van mijn novicenmeester te binnen: ‘Als jezelf in de puree zit, ga dan iemand helpen die er nog erger aan toe is’. Vaak heb ik het gedaan. Het hielp, maar soms was het een verdringing’. In deze terugkijkende woorden liet Pater Hans Bijmans (1934) ons een deel van de grondstructuur van zijn leven zien. Hoe anders zou de laatste periode van zijn leven zijn!
Hij werd geboren als enige zoon temidden van twee dochters in een degelijk katholiek middenstandgezin te Den Haag. Vader was hoofdemployé bij de PTT. Tijdens zijn kindertijd voltrok zich de bezetting door de Duitsers en de hongerwinter. Op het Aloysiuscollege met heel goede cijfers geslaagd voor Gymnasium A, begon hij in 1953 bij de Jezuïeten te Grave (N.B.) met het noviciaat en junioraat. Mede met het oog op een bestemming in het Midden-Oosten, werd hij voor de studie Filosofie (1956-1959) naar de medebroeders in Frankrijk gestuurd. Hij rondde dat af met een licentiaat, en kreeg tevens kans zijn Frans op hoog niveau te brengen. ‘In die jaren was ik sterk bezig met de Heilig Hart devotie. Ik las nieuwe studies over het ontstaan ervan en schreef een artikel over afbeeldingen, verbonden met deze devotie. Later bleken dat stuiptrekkingen te zijn geweest vanuit het verleden. ….Wat bleef was: de diepe ervaring: Jezus heeft hart voor ons. Ook hield ik van deze periode een innerlijk verlangen over om het belang van mensen en hun verlangens op te nemen in mijn gebed, en zo aan te sluiten bij de wereldkerk’.
Nadat hij gedurende twee jaar ervaring had opgedaan als journalist bij de Nieuwe Linie te AmsterdamansHans, vertrok hij naar de Jezuïieten in Bikfaya, Libanon. Twee jaar studie Arabisch, gevolgd door nog een jaar met lessen godsdienst en surveillance op het SJ-college te Homs , Syria (1961-1964). Tijdens het bezoek van Paus Paulus VI aan Jeruzalem (1963)kreeg hij de taak van bijzonder verslaggever van de Nieuwe Linie. ‘Eenmaal over mijn eerste schrik heen, was ik bijna blij deze onvoorziene kruisweg struikelend over tapijten te mogen meemaken. Ik juichte toe dat door dit alles de paus zonder teveel kleerscheuren loskwam uit het wereldje, dat meestal rond hem wordt opgebouwd. Nu konden gewone christenen en moslims hem zien en aanraken, want … volgens Oosters denkpatroon, dit is een man Gods, en ……. zijn aanwezigheid een zegen voor iedereen’.
Vanwege geelzucht aan het einde van deze periode besloot men, dat hij voor de studie van de theologie zou terugkeren naar Europa: 2 jaar in Frankrijk; 1 jaar te Maastricht, al waar hij de priesterwijding ontving (1967) in de Sint Servaas-kerk. Het laatste jaar voltrok zich aan de net gestarte KTHA-Theologie te Amsterdam, alwaar hij zijn licentiaat behaalde.
Het liefste verrichtte Hans Bijmans zijn meer plaatselijke en meer landelijke vormen van apostolisch dienstwerk vanuit groeperingen van jezuïeten ter plaatse. Vanuit de SJ-residentie aan de Da Costastraat te Den Haag (1969-1979), verbonden met de kerk aldaar, werkte hij bij het ANP als assistent ‘Geestelijk leven’, en als redacteur bij het ‘Katholiek Nederlands Persbureau’. ‘Sprak het eerste mij meer aan als journalist, mijn hoofd boven water houdend temidden van feiten en meningen, bij het tweede bleef ik hartstochtelijk op zoek naar het ware, het echte. Gesterkt door mijn contacten met Pax Christi en Justitia et Pax deed het me goed als ik mocht meewerken aan verzoening, vrede en gerechtigheid’. Tegelijkertijd verzorgde hij in dezelfde geest de dekenale publiciteit. In bisdomverband nam hij initiatieven voor het oprichten van de bladen Tussenbeide voor Rotterdam, en Samen Kerk voor Haarlem. Het was goed dat deze ‘tropen-jaren- tot een einde kwamen.
Verhuisd naar Nijmegen met het oog op zijn toekomstige taak, kwamen er een aantal maanden om zich voor te bereiden en te bezinnen op het afleggen van zijn plechtige laatste geloften (1980). Dat was even wennen. Die periode heeft hem in de medebroederlijke omgeving van het ‘Achterhuis op Canisius’ heel goed gedaan, terwijl hij ’s middags praktisch werk deed in het centraal Magazijn van V&D, ‘zich ontroerend verbonden voelend met mensen in de dagelijkse sleur, maar van binnen bij hen harten van goud ontmoetend ...‘. ‘Daar in de kapel tijdens mijn gebed, lopend, of fietsend in de prachtige natuur, heb ik weer leren bidden met open handen: Uit diepte roepend … Jezelf aanvaardend zoals je bent, God ervarend ‘als een briesje’, en steeds voller wordend van Jezus’ blijde boodschap’. Die ‘vrije tijd’ heeft hij ervaren als een luxe.
Met zijn kunde en talenten op het veld van de media vervulde hij binnen het kader van de orde gedurende vele jaren de taak van perschef van de Nederlandse SJ-provincie en contactpersoon voor de media (1979-1994). Bovendien werd hij achtereenvolgens gevraagd lid te zijn van de raadgevers van de landelijke overste, en plaatselijk overste van de communauteit in Den Haag (1982-1990). Vele malen werd hij gekozen als lid in vierjaarlijks te houden bijeenkomsten van de SJ-groep in ons land. In 1997 nam hij als gekozen lid deel aan een wereld-bijeenkomst van de orde te Rome. Via zijn taak als coördinator van de apostolische werken in Nederland van de jezuïeten-orde nam hij tevens deel aan een hele serie katholieke besturen, werkgroepen en stichtingen op landelijk niveau.
Intussen was hij van 1979 tot 1985 in Nijmegen directeur geweest van het Apostolaat van het Gebed, en tevens praeses van de Kolping Vereniging aldaar. In de laatst-genoemde taak heeft hij er aan meegewerkt om deze plaatselijke georiënteerde groepering meer bij de tijd te brengen en beter te laten aanhaken bij de vragen die toen actueel waren. Hij liet een begeleide peiling onder de leden houden omtrent blinde vlekken in dit welzijnswerk. Meer mikken op werkende jongeren en leerlingen van l.t.s. en huishoudschool. ‘Of ik dit werk zinvol vind? Het is de gekste baan, die ik tot nu toe gehad heb. Soms benauwt het me dat er zoveel van me verwacht wordt. Veel leden zien de priester nog als iemand die alles kan. Maar het boeiende en ver-rijkende vind ik, dat ik iets mag betekenen voor gewone, gezellige mensen, vooral voor degenen, die tussen wal en schip dreigen te belanden’. Het werk voor het Apostolaat van het Gebed sloot aan bij datgene, waaraan hij tijdens zijn opleiding reeds aandacht had gegeven: de Heilig Hart devotie. ‘Ik koesterde de stille hoop: in de zestiger jaren lag de nadruk vooral op de maatschappelijke buitenwereld, nu meer op de persoonlijke binnenwereld. In de tachtiger jaren hopelijk op beide. Het is me altijd opgevallen dat goede christenen, die zich inzetten voor een betere samenleving, nog meer gewaardeerd worden om hun doorzettingsvermogen dan om hun prestaties. Zo getuigen ze van de hoop die in hen leeft, want God ziet dat alles goed kan komen, ondanks …., vult u de hele rataplan maar in ‘.
Tenslotte werkte hij vanuit de SJ-groep te Haren (Gn) gedurende ruim 9 jaar als pastor in het parochiepastoraat van de stad Groningen, en werd hij daarna voor een aantal jaren overste van de communauteit, tevens kloosterbejaardenoord, van het Berchmanianum te Nijmegen (1990-2003). Toen bleek gaandeweg, dat zijn gezondheid begon na te laten, ook in geestelijk opzicht. Op 16 juli 2011 overleed hij te Nijmegen en werd hij temidden van reeds overleden medebroeders op Jonkerbos begraven.
Het vele, waarmee hij in zijn werk verbonden raakte, volbracht hij met een heel eigen accent in zijn en ons werk. Creativiteit, lankmoedigheid in zijn taken, brede kennis van het werkterrein, een groot gemak in het leggen van contacten voor de goede zaak, gevarieerde informatie vanuit allerlei hoeken van samenleving, kerk en provincie: hij groeide er in en het heeft hem gesierd. Hij hield van tempo. Hij voelde haarfijn aan of ieder met eerbied werd benaderd, en of, in onze onderlinge gesprekken over mensen, deze met achting en respect werden bejegend. Voor ons en anderen is Hans Bijmans een medebroeder geweest, belangstellend, geduldig, loyaal, in gebed met ons verenigd. Het past om hem in hoogachting en dank te gedenken.