Jacques Mulders
1921 2010
Wie het leven en de persoon van Pater Jacques Mulders, Jacobus, Carolus Matteus, een beetje kent, zal zich zeker herinneren hoe hij, als het donker en helder was, veel vaker dan wij beseften naar de sterrenhemel ging kijken, vaak zonder kijker, ofschoon die onder zijn bereik lag. Daar hield hij van. Daarin werd hij meegenomen: ‘die onverklaarbaar grote ruimte, daarin de kleine aarde en de nietige mens: dat roept vragen op waarop we ons hele leven geen antwoord krijgen’. Hij raakte vol verwondering, vol bewondering over schepping en Schepper, aan wie hij zich vol vertrouwen overgaf, zich geen zorgen makend over het hiernamaals. ‘We zullen wel zien’ waren dan zijn vaak terugkerende woorden. Een getalenteerde mens, voor wie de opleiding gymnasium A een brede belangstelling had geopend, welke op allerlei manieren in zijn leven werd aangesproken: in mensen, in situaties, in wat hij las of bestudeerde. Dit lijkt ook een familie-eigenschap geweest te zijn De trekken ervan kun je eveneens terugvinden bij zijn drie oudere broers, waarvan er twee tevens medebroeder waren, en zijn twee jongere zussen. Bij ieder van hen zijn deze op een heel eigen wijze uitgegroeid. Nu hij in de laatste maand van 2010 is heengegaan, heeft hij hen, met zijn leeftijd van bijna negentig jaren, allen overleefd.
Maar de dood was al heel vroeg in zijn leven aanwezig. Geboren in 1921 moest hij, evenals het relatief grote gezin, 10 jaar later reeds zijn jong gestorven vader gaan missen. Na zijn intrede (1939) omvatten de traditionele opleidingsjaren voor hem het noviciaat, het junioraat, filosofie en theologie (beide afgesloten met een licentiaatsexamen) met daartussenin 1 jaar surveillance op het Canisiuscollege te Nijmegen. Vergeleken met anderen was dat een relatief korte periode. Voor hem werd een taak als professor voorzien op het theologaat in Maastricht. Daartoe werd hij, na zijn priesterwijding (1949), naar Rome gestuurd voor het verwerven van het doctoraat in de Theologie op de Universiteit van de Gregoriana. Daarna volgde nog een jaar opleiding in Liturgie in Innsbruck, Oostenrijk (1951-1954). Tijdens die periode ontstond er een vruchtbaar contact tussen hem en zijn medebroeder en theoloog Karl Rahner s.j.
Zo voorbereid mocht hij met zijn taak in de opleiding van medebroeders en anderen een aanvang maken gedurende de jaren, dat binnen het geheel van de Kerk zich allerlei ontwikkelingen voordeden, mede onder invloed van de inspiratieve Paus Johannes de XXIIIe. Zijn taakopdracht in Maastricht omvatte dan ook fundamentaal theologie, dogmatische theologie cursus maior, en liturgie. Op een open wijze, zoals paste bij wie hij zelf was, heeft hij zich van die taak terdege gekweten. En daarnaast groeide het aantal verzoeken om als docent op verschillende vlakken ondersteuning te geven in opleiding en vorming van verschillende groepen broeders en zusters, en van geïnteres-seerde leken: op het vlak van de Oecumene, of ten dienste van de HTS in Twente, of in vormen van toerusting en kadervorming binnen de kerk van Nederland. En thuis, in het kader van de grote bibliotheek van het theologaat Canisianum, paste het helemaal bij wie Jacques was: ten dienste van de bibliotheek probeerde hij vormen van moderne aanpak in te voeren, en werd hij directeur van het micrografisch archief (1958-1976).
Ook de vorming en opleiding in Nederland van religieuze priesters en wereldheren bleef niet onveranderd. Het aantal roepingen daalde. Niet alle betrokken groepen binnen de kerk konden voldoende voorzien in een hogere onderwijs-kwaliteit voor filosofie en theologie. Samenbundeling kwam in het perspectief. Naast de Theologische Faculteit aan de Katholieke Universiteit Nijmegen verbonden zich in de tweede helft van de zestiger jaren de groot-seminaries tot vier Katholieke Theologische Instituten, die gelegen waren in Heerlen, Tilburg, Utrecht en Amsterdam.
De Jezuïeten kozen daarbij bewust voor de agglomeratie in Amsterdam, als een plek waar de confrontatie tussen modern leven en theologie als het ware dagelijks werk was. Ook de opleiding verhuisde in 1967 daarheen. Maar voor Jacques ging het bete-enen dat hij geen deel zou gaan uitmaken van de staf van de KTU te Amsterdam. In zijn eigen woorden: ‘dat bericht sloeg in alsof het heelal instortte. Wat moet ik nu? IJsco’s gaan verkopen?’ Om aanwezig te blijven bij de afronding van het theologaat in Maastricht, inclusief de werkelijk grote en kostbare bibliotheek waarvoor hij voorlopig de verantwoording kreeg, en waarvan slechts een gedeelte overkwam naar Amsterdam, verbleef hij nog 2 jaar in Maastricht en Spaubeek. En als taak werd hem gevraagd om vanaf eind 1969 socius en secretaris te worden bij de Provinciale Overste in Den Haag (1969-1981). Het leek erop dat hij nu van docent bestuurder werd. En niet alleen bij zijn eigen orde, o.a. als voorzitter van de Sint Bonifacius Stichting, maar ook als bestuurder, en later president van het college van curatoren, van de KTUA (1974-1983). Met de ervaring als beheerder in Maastricht rekenden de medebroeders in Den Haag er op, dat hij ook in hùn huis die zorg zou willen verlenen (1973-1992).
Anders dan zijn oudere broer, heeft Jacques de aard om, net zoals hij de sterrenhemel beschouwt, perspectief te ontdekken in wat hem overkomt of waarmee hij bezig is. Daardoor was hij in staat om vrij spoedig over de zojuist vermelde breuk in zijn levensloop heen te komen. Jacques was muzikaal; zeer bedreven op piano en orgel, al van heel vroeg in zijn leven. Diep genietend van muziek werd dat voor hem een cadeau, dat zijn hart kon openen. Diezelfde ervaring kon hij hebben bij het componeren van melodieën voor een klokkenspel in Den Haag. Hij opende dan het raam en genoot van die muziek. Hij werd innerlijk gevoed door waardevolle inzichten via gesprekken of het lezen van goede geschriften. Het spirituele dat hij tegenkwam als priester, deed beroep op zijn ziel en hart. In juli 1981 neemt hij in Lourdes deel aan het 42e Interationaal Eucharistisch Congres. Hij werd gevraagd daar een voordracht te houden over ‘de Rituele gestalte van de Eucharistie’. Hij schrijft daarover: ‘Ik ging met innerlijke reserve op stap; als het maar niet alleen een ‘vrome’ bijeenkomst zal zijn. Ik heb in een intens menselijk samenzijn daar meegemaakt wat ik in mijn voordracht over riten naar voren had gebracht: riten zijn gebeurtenissen, waardoor mensen in communicatie treden met de Bron van het leven; of beter: waarin de Bron in communicatie treedt met ons, en waarin ook de communicatie met anderen en met jezelf gegeven wordt. Heel die week was één rite. Daar heb ik ervaren dat de Kerk eigenlijk springlevend is, en met name ook vanwege de contacten met vele jongeren. … Voor sommige mensen betekende die week een totale ommekeer in hun leven. Daardoor gestimuleerd ben ik in mijn voordracht uitvoerig ingegaan op de betekenis van riten. … Een wonderlijke week! En je komt er beter van terug. Belangrijk om dit te hebben meegemaakt in de huidge tijd met zoveel spanningen en verwarring. Het is waar wat iemand zei: een goede rite geeft je weer identiteit; dan vind je jezelf weer terug’.
Eenmaal opgeleid om in de gemeenschap docent te zijn, vindt Jacques, na het einde van Maastricht, langs wegen van oecumene, liturgie, kerkmuziek, en open vormen van theologisch discours, toegang tot situaties, waarin met name lekenmensen ondersteuning en bemoediging zoeken, zodat ze de ontwikkeling van de katholieke gemeenschap in steeds groter aantallen kunnen gaan dragen, pastores daarbij inbegrepen.
Van 1979-1992 is hij in het bisdom Rotterdam omwille van zijn kundigheid een zeer gewaardeerd lid van het Diocesaan Pastoraal Centrum, met bijzondere aandacht voor liturgie. Wanneer in diezelfde periode, medebroeders op het niveau van de orde officiële bijeenkomsten hielden, werd hij herhaaldelijk als lid daarvoor gekozen. Dat alles heeft hem toen heel veel goed gedaan. Achteraf betreurde hij het niet meer, dat hij geen gelegenheid kreeg als professor deel uit te maken van de KTUA. Hij genoot er van om leken en priesters te mogen laten delen in zijn heel grote en zelf doorleefde kennis van de liturgie en de theologie van de Kerk. In de doolhof van de echte en onechte vernieuwing kon hij hen op een aannemelijke wijze een kompas aanreiken.
Zichzelf vergelijkend met een kok die anderen leert koken, vervaardigde hij een veel gebruikt boekje, dat als richtinggevende titel droeg: ‘Kernhandelingen van de Eucharistie’. Temidden van al deze elementen uit zijn nieuwe vorm van werkzaam leven, straalde hij mede verwondering en dankbaarheid uit, geloof en liefde. ‘We hoeven niet alles te begrijpen’ waren geliefde woorden die regelmatig zijn explicaties onderbraken.
Intussen kent zijn leven ook onprettige elementen. In 1990 overkomt hem tweemaal een auto ongeluk. Bij de eerste keer alleen maar schrik, bij de tweede keer ziekenhuis en een lange periode voor revalidatie van breuken en kwetsuren. De gevolgen hiervan gaat hij de rest van zijn leven meedragen. Ook gaat hij last krijgen van andere kleinere inbreuken op zijn gezondheid. Daardoor wordt het hem duidelijk dat het gepast is om zijn lidmaatschappen en verplichtingen geleidelijk aan neer te leggen. Grote waardering ontvangt hij daarbij voor de wijze, waarop hij aan zijn taken op een open, inspirerende en bemoedigende wijze vorm heeft gegeven, ten dienste van een kerkgemeenschap die haar boodschap trachtte te beleven in dikwijls sterk gewijzigde omstandigheden. Maar terwijl hijzelf ieder jaar nog in leeftijd toenam, onderging hij met tussenpauzen het overlijden van al zijn naaste gezins- en familie-leden, van dierbare vriendinnen en vrienden.
De laatste paar jaar van zijn leven verbleef hij in het Berchmanianum in Nijmegen als lid van de communauteit voor bejaarden en verpleegden. Daar kreeg hij de zorg die nodig was. Maar desondanks was hij vanuit zichzelf tot bijna op het laatst in staat om het perspectief op het hiernamaals te verklanken in het bespelen van het orgel tijdens liturgische vieringen. Één week voor Kerstmis 2010 is Jacques gestorven. Bij zijn uitvaart klonken enkele woorden van de apostel Paulus, die Jacques zelf bij de begrafenis van zijn moeder gebruikte, die, na de dood van vader, zovele jaren als eerst verantwoordelijke al haar kinderen na de dood van vader had opgevoed, Jacques incluis: Wees standvastig en onwankelbaar, en zet u altijd volledig in voor het werk van de Heer, in het besef dat voor de Heer uw inspanningen nooit vergeefs zijn (1 Kor. 15, 58).