Kees Schonk
1929 2011
Wanneer we ons met een ontvankelijk hart openstellen voor het nu voltooide leven van Pater Kees, Cornelis Hendrikus, Schonk, dan ontwaren we in hem een innerlijk spanningsveld. Enerzijds komen we in hem duidelijk aanwezige talenten tegen van ziel en geest. Anderzijds bepaalden vanaf zijn geboorte ook lichamelijke gebreken aan zijn voeten de mogelijkheden tot uitgroei van wat in hem was neergelegd. In een aantal opzichten verliep zijn leven anders dan het bestaan van gezonde leeftijdgenoten. Mensen die met hem op een persoonlijke wijze in geestelijk contact mochten staan, hebben in groeiende mate mogen ervaren, een diep spirituele medebroeder in hem te ontmoeten, geworteld in Gods Geest. Geen spectaculair leven, maar met zijn beperkte actieradius heeft hij zich als priester helemaal kunnen geven.
Kees Schonk werd in 1929 te Rotterdam geboren in een katholiek gezin. De crisisjaren waren begonnen. Zijn vader was vertegenwoordiger bij een specerijenzaak van zijn grootvader. Enkele jaren later verhuisde het gezin naar Nijmegen, waar Kees verder is opgegroeid samen met twee oudere broers en een jongere zus. Vader stierf in 1966; moeder in 1995. Als extern op het Canisius College behaalde hij het eindexamen gymnasium A, en trad tijdens datzelfde jaar (1948) te Grave (N.B.) in de orde van de Jezuïeten, tezamen met ruim 30 jaargenoten. Wellicht in samenhang met de baan van zijn vader en als antwoord op eigen verzoek, vertrok hij tezamen met een aantal andere jonge medebroeders nauwelijks een jaar later vanuit Amsterdam met de ‘Sumatra’ naar Nederlands Indië/Indonesië, en voltooide daar zijn noviciaat. De gebruikelijke studie daarna, van Javaans en filosofie moest herhaaldelijk onderbroken worden vanwege serieuze klachten rond de gezondheid, meest van psychische aard. Kees kon de aansluiting niet vinden met de mensen en de cultuur, zodat tot terugkeer naar Nederland moest worden besloten (1953). Traden hier de beperkingen, opgelegd door zijn slechte gezondheid vanaf heel vroeg in zijn leven, wellicht aan het licht? En bovendien: hij mocht niet fietsen, hij mocht later niet auto rijden.
Weer ‘thuis’ doorliep hij op aangepaste wijze de rest van de opleiding in filosofie en theologie, onderbroken door drie jaar surveillance op het Aloysiuscollege in Den Haag. Want de gevolgen van de vorige jaren werkten nog door. En er groeide in hem de vraag: als ‘de missie’ niet de invulling van mijn zending is, wat is dat dan wel? Een zekere verlegenheid was hem al vanaf zijn kleutertijd eigen. Tijdens de periode van zijn studie theologie te Maastricht werd hij in 1961 tot priester gewijd.
Daarna kreeg hij in Den Haag een ‘zeer langdurig thuis’, wonend in de residentie ‘Theresia van Avila’ aan de Laan (1962-2001). Vanuit het verleden had daar een van de paters als taak zorg te dragen voor apologetische cursussen en individuele bekeerlingen. Die taak werd nu aan Kees toebedeeld, tezamen met wat kleine functies binnen de structuur van de parochie. In de communauteit was er een groot leeftijdsverschil tussen hem en de rest van de zes andere huisgenoten, hetgeen zich ook uitte in de manier van werken. Voor zijn specifieke taak kon hij minder vanzelfsprekend een voorbeeld nemen aan zijn voorgangers. Zijn laatste geloften legt hij af in 1975.
Dit stimuleert hem om zijn ziel te verdiepen met een persoonlijke vorm van jezuïeten-spiritualiteit. Daarin bleek, dat hij het vermogen had om vanuit de Bron, waaruit hij zelf leefde, anderen in contact te brengen met hun eigen levensbron, en zo ‘met mensen de diepte in te gaan’. Met die uitdrukking noemde hij graag het apostolaats-werk dat hij deed. Hij combineerde dat met wekelijkse assistenties in een aantal parochiekerken. Contacten met wijze en spirituele mensen uit zijn directe omgeving en onder medebroeders hebben de groei naar deze benadering ondersteund. Kees verstond de kunst ‘mensen af te halen waar ze zijn’. En hij mocht niet zelden ervaren hoe genezend het kan zijn als je zo met mensen op weg gaat: op weg naar hoe God ze bedoeld heeft. Als deze weg met hem ten einde was verzamelde hij hen in de Hoeksteen, een gespreksgroep met een heel open en oecumenisch karakter. Sommigen werden zelfs werksters en werkers in de wijngaard.
Geleidelijk nemen de gezondheidsklachten af. Hij wordt een man van contemplatie en gebed, van sober en eenvoudig leven. Een tochtgenot, een begeleider. In persoonlijke gesprekken een echte partner, in gezelschap een man van weinig woorden. Het liefst luisterde hij: naar mensen, naar muziek. Ook op het niveau van de Provincie denkt hij mee en heeft hij inbreng wanneer daarom wordt gevraagd. Intern in de communiteit vervult hij gedurende een aantal jaren de taak van econoom. Met zijn groeiende kennis en interesse, welke gevoed wordt door het lezen van goede en degelijke boeken, is hij jarenlang een uitstekende bibliothecaris (1982-1996). Gaandeweg herkennen anderen in hem een wijs geworden mens. Zoals hij zelf zegt: ‘ik hernieuw mijn kennis daaromtrent ongeveer om de vijf jaar. Ik richt mij dan op hoofdonder-werpen zoals: de Bergrede, het Rijk Gods, het Conciliair Proces, zodat diepte ontstaat’.
Zelf heeft hij in de beleving van de communiteit onder elkaar behoefte aan uitingen van ‘geestelijke broederschap’. Binnen de intussen veranderde samenstelling van de medebroeders thuis probeert hij in dit opzicht het een en ander te bewerken. ‘Maar’, zo stelt hij, ‘dan moet je het ook leuk vinden om spelletjes met elkaar te doen. Als je niet eerst met elkaar speelt, kun je ook geen geestelijke communicatie met elkaar hebben’. Geleidelijk aan groeit dat beetje bij beetje, ‘maar het valt om de drommel niet mee! Ze begìnnen naar die wens te luisteren!’. En met name vond Kees het fijn dat de viering van het 450-jarig Jubileum van de Sociëteit van Jezus in 1991 ook de medebroeders zelf weldoende heeft aangesproken.
Dit, met nadruk ook innerlijk, engagement met de feitelijke vorm van de communiteit krijgt verschillende uitingen. Hij wordt gevraagd consultor te zijn. Hij leidt de retraite voor ‘Jezuïeten-moeders’. In zijn apostolaat is hij ook meer verbonden met de parochie. Een aantal jaren is hij Superior van de Regio ’s Gravenhage/Zuid-Holland (1991-1998). Daarin is hij zeer toegewijd. Over de diversiteit van de aanwezige medebroeders heeft hij een goed oordeel. Samen met zijn huisgenoten proberen zij elkaar te dragen. Vanwege een aantal zieken onder hen in de Regio, komt hij minder toe aan zijn eigen werk. En al doende beseft hij terdege: het blijft proberen. Niet alle medebroeders op leeftijd kunnen deze omkeer naar elkaar toe ten volle maken.
Vanuit zijn ‘wat verholen plaats’ binnen het parochiewerk neemt hij toch waar hoe er op het gebied van het apostolaat, ook onder eenvoudigen, een malaise naar voren komt als gevolg van teveel veranderingen. Het leven van doorsnee mensen raakt gefragmenteerd; een samenvattende achtergrond lijkt steeds minder voorhanden. Dit doet een beroep op hem. Hij zou daarin vormen van steun willen verlenen in spiritueel en ethisch opzicht. Hij heeft gedachten over een plan voor Den Haag. ‘Een ‘Forum’ oprichten, waarin het christendom zich manifesteert en zich uitspreekt omtrent ethische problemen op macro en micro niveau. Kerken worden nog steeds teveel gezien in het licht van een privé-godsdienst’. Hij heeft een droom over een viering van de Eucharistie rond twaalf uur iedere dag in de kerk van de franciscanen aan de Fluwelen Burgwal. Ook merkt hij in eigen werk, dat het aantal mensen, dat in de kerk wenst te worden opgenomen, weer aan het stijgen is. ‘Door wat er allemaal geschiedt stellen mensen weer meer de vraag: wie ben ik? Wie moet ik worden?’ En dit soort vragen stellen zich zodoende ook aan de medebroeders, die in die jaren de Theresia-kerk en de Elandstraat-kerk bedienen’.
Rond zijn 70ste verjaardag gaat hij weer ervaren, dat zijn lichamelijke, en daardoor ook geestelijke draagkracht, langzaam gaat verminderen. Dat dwingt hem in zijn leven sterker ordening aan te brengen. Tevens betekent het dat ook plezier in lezen, met name over geschiedenis, en het beluisteren van muziek door met name kleinere gezelschappen en enkele instrumenten, ook zijn begrenzingen kent. Wandelen vraagt om de assistentie van een stok, de afgelegde afstand is beperkt.
De laatste tien jaar (vanaf 2001) maakt hij deel uit van de communiteit aan de Amaliastraat in de binnenstad van Den Haag. Zijn dagelijks leven wordt gedragen door de rijpheid van zijn geestelijke inspiratie. Het einde van zijn leven kwam plotseling. Hij stierf op 7 januari 2011. De uitvaart had enkele dagen daarna plaats in Nijmegen, en werd hij bij zijn medebroeders aldaar begraven. Bij die laatste viering werden de woorden van Paulus herhaald, omdat Kees ze zelf gezegd zou kunnen hebben: Wat mij ter harte gaat is dit: dat je met je hart mag gaan geloven; dat je mag gaan zien en beleven, hoe groot het wonder is waarin we leven; en dat je jouw volheid mag bereiken zoals God je bedoeld heeft (Ef. 3, 18, 19).