Loek Ingen Housz
1911 - 2010
Niemand zal het vroeger ooit bedacht hebben, hijzelf nog het minst, maar Pater Loek Ingen Housz, Ludovicus Johannes Maria, voltooide bij zijn heengaan op 10 december 2010 j.l., - op zes maanden na -, honderd levensjaren. Natuurlijk groeiden gedurende de laatste jaren in menig opzicht beperkingen in gezondheid en levenskracht. Daarom werd het, ondanks een redelijk herstel van een heupfractuur in 2004, toch wenselijk om de nog komende jaren wat meer zorg te ontvangen in het huis voor bejaarde Jezuïeten op het Berchmanianum in Nijmegen. Ook binnen het gezin, waarin hij geboren werd, met twee oudere en drie jonge broers en vier jongere zussen, werd hij de langst levende nakomeling. De ruim 99 jaren van zijn leven omspannen daarmee nagenoeg een volledige eeuw. Tijdens dit grote aantal jaren kreeg hij in zijn leven deel aan allerlei en vaak snelle ontwikkelingen, inclusief het plaatsvinden van twee wereldoorlogen. Dat vroeg telkens om aanpassingen in vormen van leven, in beleefde spiritualiteit binnen de Jezuïeten-orde en de Kerk, in de elkaar opeenvolgende culturen binnen de samenleving, en in de oordeelvorming omtrent de diepere lagen van het mensenleven. In de eerste helft van zijn volwassen leven kwamen daar ook nog bij de sterke omvormingen van land en maatschappij in het nieuw te vormen Indonesië, waarvan hij de eerste fase van opbouw en herordening heeft meegemaakt, meestentijds vanuit Batavia, tegenwoordig Jakarta.
Binnen Breda, sinds de XVIe eeuw wisselend verbonden met het Huis van Oranje Nassau, en vanaf 1853 zetel van een r.k.bisdom in Nederland, woonde de familie Ingen Housz centraal in de binnenstad in een patriciërshuis annex bank, vlakbij de Grote Kerk. Als katholieken vormden ze samen met anderen een hechte traditionele religieuze en culturele gemeenschap. Loek werd daar als derde zoon in 1911 geboren. Binnen dat later grote gezin groeide hij op temidden van zussen en broers.
Met het oog op een goede opleiding doorliep hij als intern op het S.J.- Canisiuscollege te Nijmegen gymnasium A, en trad, na zijn eindexamen (1929), te Grave in de orde. Al heel spoedig daarna kreeg zijn leven direct al een missionaire bestemming. Zoals toen gebruikelijk vertrokken enkele novicen binnen het tweede jaar van het noviciaat reeds naar ‘de Oost’. Hij was er één van. Vanuit Marseille begon in augustus 1931 per ‘Patria’ hun reis naar Nederlands Indië. Daar aangekomen, volgde in september het uitspreken van de eerste religieuze geloften in de kapel van het noviciaat te Giri Sonta op Java. Toentertijd verliep daar de opleiding tot Jezuïet nog in het Nederlands, en startten de scholastieken met het leren van de moeilijke taal van het Javaans. Vervolgens kwam er een driejarige studie van de filosofie in Yokyakarta tezamen met andere Nederlandse en Javaanse medebroeders. Voor een jaar kreeg hij als ‘bidell’ de zorg toevertrouwd voor de organisatorische zaken.
Intussen was thuis zijn twee jaar jongere boer Carel de studie voor het priesterschap begonnen bij de wereldheren, en zou een zes jaar jongere broer Noud ook bij de S.J. gaan intreden, en bovendien Loek achterna gaan naar Nederlands Indië.
Voor Loek wachtte een wellicht onverwachte bijzondere opdracht. Hem werd, met het oog op een zich ontwikkelende toekomst, door de missie-overste gevraagd, een studie ‘rechten’ te gaan doen aan de Rechts Hogeschool te Batavia; candidaats- en doctoraal examen (1935-1939).
Vervolgens de studie van de Theologie in het Canisianum te Maastricht terwijl in mei van dat eerste schooljaar 1939/1940 de bezetting door de Duitsers een aanvang nam. Met als gevolg dat deze studie deels in Maastricht plaatsvond, deels in het retraitehuis Molenberg te Heerlen, Zuid-Limburg (1939-1943). Ook daar werd hij gevraagd ‘bidell’ te zijn. De priesterwijding vond in die jaren plaats in de kapel van het studiehuis van de Duitse Jezuïeten in Valkenburg. Voor Loek had dat plaats in 1942, waarna het tertiaat volgde in Grave (N.B.). Maar terugkeer naar Java was vooralsnog niet mogelijk.
Gelukkig verbleef hij in die jaren in het Zuiden van Nederland. Dat werd reeds in de 2e helft van 1944 zo goed als helemaal ‘bevrijd’ van de Duitsers. Toen ook de Japanse bezetters van Indonesië (1942-1945) werden verslagen en de wereldoorlog een einde nam in mei 1945, stapte Loek reeds begin augustus 1945 in Marseille op de boot, de ‘Oranjefontein’, waarmee hij na een aantal weken weer opnieuw Java bereikte: Jakarta, niet meer Batavia. En met die laatste woorden wordt de diepingrijpende wijziging aangegeven, die zich in, nú, Indonesië had voltrokken. Nog afgezien van het feit, dat de Nederlandse medebroeders in de tussentijd heel moeilijke kampjaren achter de rug hadden, verbonden soms met ziekte en dood, terwijl Loek, tezamen met enkele andere medebroeders, als ‘verse’ krachten daar arriveerden.
Voorbereid door zijn eerste 10-jarige verblijf op Java, heeft Loek zich, temidden van anderen, uitermate ingezet om vanuit een gegroeide situatie aan een nieuwe vorm van toekomst te bouwen. Snel na zijn terugkeer wordt hij vice-missiesuperior, hetgeen zich nog enkele keren herhaalde gedurende de volgende jaren. Vanaf januari 1946 is hij vice-rector en daarna (1948-1953) rector van het Canisius College in Jakarta. Dat herhaalde zich nog een keer van 1962-1967. In die perioden was hij ook leraar in Nederlands , maatschappijleer, godsdienst, en vooral economie. In de eerste periode van zeven jaar was hij tevens congregatie-directeur van de hoogste klassen, en voorzitter, secretaris of bestuurslid van diverse katholieke verenigingen.
Van 1953-1962 lag zijn hoofdtaak bij het Apostolisch Vicariaat, dat vanaf 1956 veranderde in (Aarts)bisdom Jakarta. Hij was daar een zeer gewaardeerde rechterhand van mgr A. Djajasepoetra s.j.: gedelegeerd, later algemeen, bisschoppelijk vicaris, secretaris, archivaris, procurator, officiaal, gedelegeerd rechter. En dan benoemen we alleen nog maar de functies, zonder te omschrijven wat deze allemaal gevraagd hebben van degene, aan wie deze waren toevertrouwd. Eindelijk voor de eerste keer op verlof in 1959 liet hij aan mensen horen: ‘dit zal wel de laatste keer zijn. In de toekomst gaan we niet meer op verlof!‘
Degenen, die Loek gekend hebben tijdens zijn leven, weten maar al te goed: zijn toegewijd leven was gegrondvest op wat hij aan waardevolle klassiek katholieke traditie had ontvangen: vanuit zijn familie, vanuit zijn vorming en opleiding in de orde en in de kerk, en vanuit wat Gods genade in hem bewerkte, waarvoor hij zich in het navolgen van zijn roeping dag in dag uit in grote trouw beschikbaar stelde. God maakt jezelf attent op het Evangelie en op het Leven in wat er in eigen leven en om je heen gebeurt, was een van zijn opmerkingen van toentertijd.
Na ruim twintig jaar zichzelf te hebben gegeven, moest toch in 1967 worden vastgesteld: voor hem is het beter wanneer hij vanuit Indonesië naar Nederland en de SJ.-provincie aldaar terugkeert. En zo geschiedde het. Met een duidelijk verzwakte gezondheid mocht hij het kalmer aan gaan doen als lid van de communauteit van het Aloysiuscollege in Den Haag (vanaf 1968). En dat bleek reeds hierboven: hij mocht dat nog vele tientallen jaren blijven doen. Hij bleef een man die nuchter op zaken ingaat.
Ruim 10 jaar werkte hij op het bureau van de deken van Den Haag, toen een medebroeder, als een zeer gewaardeerd secretaris en later assistent; dat alles op grond van zijn uitgebreide kennis van zaken en kundigheden uit zijn Indonesische tijd.
In de communauteit heeft hij jarenlang, zeer consciëntieus en zonder zenuwen, zorg gedragen voor het beheer en beschikbaar stellen van de financiën. Hij verzorgde de post. Zeer trouw volgde hij het levensritme in de communauteit. Maar dat voltrok zich met behoud van de dagindeling, waaraan hij in Indonesië gewend was geraakt. Dagelijks gaf hij de nodige tijd aan overweging, gebed, individuele viering van de Eucharistie en bidden van het brevier. Graag nam hij deel aan de dagelijkse bijeenkomsten van de communiteit. Heel vaak gaf hij daaraan ook een bijdrage. Hij was een man die nuchter op zaken kon ingaan. Met een open mind en met zorg keek hij naar mensen. In persoonlijke contacten stelde hij zijn hulp aan hen beschikbaar. Op den duur bracht de verzwakking van zijn zenuwen met zich mee dat hij niet goed meer tegen grote gezelschappen kon.
In het persoonlijke contact, met zijn familie, maar ook met medebroeders en medewerkers voor de verzorging van het huis, kwam hij nog lange tijd zeer uitnodigend voor de dag. Aan dat soort ontmoetingen gaf hij een voorkeur. Zij bleken heel vaak naar beide kanten vruchtbaar. Een van de vroegere medewerksters, tevens beeldend kunstenaar, schreef daarover naar aanleiding van Loeks overlijden: ‘We wandelden veel samen, hadden van tijd tot tijd de slappe lach, en uiteraard ook serieuze gesprekken’. Voor Loek was het heel belangrijk te weten dat ik katholiek gedoopt was. Ik was echter een heel andere kant op gegroeid. Veel hebben we daarover gesproken; soms hadden we heftige meningsverschillen. … Ik denk dat Loek zich zorgen maakte om ‘mijn zieleheil’. Het heeft hem moeite gekost om die zorgen los te laten, en erop te vertrouwen dat ik niet ‘verloren’ zou gaan. Nog kan ik glimlachen om zijn legendarische uitspraak: ‘Weet je, je bent dan wel een boeddhist, maar je bent toch een goed mens’. Gaandeweg werd duidelijk dat we ook veel gemeen hadden in onze geloofsbelevenis. Bij zijn 89e verjaardag heb ik een schilderijtje gemaakt dat dit probeerde uit te beelden: twee stilzittende en luisterende figuurtjes. Ieder op zichzelf en toch samen één; uitbeelding van: Waar er twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden (Mt 18, 20). Loek hield veel van deze kleine voorstelling, hij kon erover glunderen met plezier. Hij was echt zo’n dankbare mens’. En wij mogen denk ik terecht daaraan toevoegen: ook toen, bleef Loek een ware, missionerende mens!
Gedurende vele jaren wist hij zich goed bezig te houden. Maar de laatste jaren heeft hij geleidelijk aan levenskracht verloren. Het geleidelijk aan sterven van zijn dierbare naaste familieleden. verzwakkingen van zijn lichamelijke conditie en enkele operaties vanwege zijn gezondheid, groeiende moeite met zijn gezichtsvermogen, toenemende doofheid, een heupfractuur, waren daar deel van. Geleidelijk kwamen deze zaken ook zijn leven vullen. In verwachting van zijn Komende Heer is hij in 2010 gestorven en begraven.