In memoriam

Pater Jan Kijm

1921 – 2010

‘Wanneer men iemand wil helpen om uit te groeien tot een meer persoonlijk en menswaardig bestaan, is alleen iets te bereiken in een sfeer van volstrekte belangeloosheid. Dat een mens een dieper zicht op zijn eigen waardigheid gaat ontdekken, is slechts mogelijk langs de ervaring van respect voor zijn waardigheid en vrijheid, waartoe men hem hoopt op te roepen. Hoezeer een mens bij zijn inspanningen ten dienste van anderen ook behoefte heeft aan succes, dit laatste moge niet domineren, omdat het de belangeloze liefde stoort, welke de enige sfeer vormt, waarin men een ander mens kan helpen in fundamentele problemen van zijn bestaan’.

(Psychologie, p.216-218).

Deze grondleggende woorden, waarmee Pater Jan Marie Kijm (1921) vorm heeft gegeven aan zijn bijdragen in pastoraal en psychologie, tekenen ook op een diepere wijze de mens, die hij tijdens zijn leven geworden is. En daarin verschilde hij merkbaar van zijn oudste broer, en van broer Piet Kijm s.j. (1918- 1990), wiens Jezuïetenleven twee jaar eerder een aanvang nam, - ‘een, die er op uittrok’ –, en dat zich voornamelijk afspeelde in dienst van de missie in Indonesië.

Geboren in Amsterdam (1921) sloot Jan zijn opleiding Gymnasium B af op het Ignatiuscollege aldaar in hetzelfde jaar als waarin zijn intreden in de orde te Mariëndaal te Grave plaatsvond (1939). Vanwege de oorlog vond de filosofie-studie plaats in Eijsden (L.). Direct na de bevrijding begon hij met zijn studie Psychologie aan de Katholieke Universiteit in Nijmegen (1945-1951). Heel geconcentreerd studerend, maakte hij daar o.a. kennis met de meer fenomenologische benadering van het vakgebied. Voor examens slaagde hij cum laude. Tijdens de eerste maanden van zijn studie Theologie te Maastricht (1951-1955), verdedigde hij met succes zijn proefschrift en verwierf daarmee de doctorstitel. Tot priestergewijd in 1954, en na zijn tertiaat, werd hij vanaf 1956– voor heel zijn leven – lid van de communauteit van het Berchmanianum. In dat huis is hij achtereenvolgens lid geweest van het consult van de communauteit en van de Faculteit.

Aanvankelijk staat zijn taak als ‘aanvullend vak’ in dienst van de opleiding van jonge medebroeders. Daarin volgt hij Pater Jan Ellerbeck op. Op het gebied van pastoraal psychologie is nog veel werk te doen. Zijn cursus omvat 30 lesuren. Daarin probeert hij ‘de stof niet naar voren te brengen als een aanpassing van een leerboek. Hij bouwt zijn lessen op vanuit de eigen situatie van de leerlingen om beter kansen op resultaat te hebben. Want, …. ‘een cursus in de psychologie moet zelf een voorbeeld zijn van toepassing van de psychologie. Zodat leerlingen in contact met de docent beleven hoe,  hetgeen als leerstof wordt aangeboden,  zijn uitwerking heeft in de omgang tussen mensen. Het is het eerste gebied waar ‘de theorie’ in praktijk wordt gebracht. Bovendien mogen deze bijdragen in het curriculum bewerken, dat een mentaliteit kan groeien van respectvolle belangstelling voor de medemens en van begrip voor het mysterie van het menselijk bestaan, dat men in de ontmoeting met anderen mag leren kennen (p. 10 / 11)’. Wellicht laat hij in deze ‘aanbiedende vorm’ van de leerstof al duidelijker zien wie hij zelf ten diepste is: aanbiedend, ontvangend, afwachtend,  teruggetrokken, en uiteindelijk ook sterk introvert.

In deze jaren bekwaamt hij zich op basis van het bovenstaand model ook om de groep scholastieken te begeleiden op kampen van de Bouw-orde in Frankrijk. Voor die perioden brengt hij eigen psychologische overdenkingen naar voren, rond onderdelen van het soms inspannende werk, tezamen met klassieke geestelijke onderwerpen voor een dagelijkse meditatie, bijeengebracht in de bundel ‘Bouwen voor God ‘ (1959).

Intussen verbindt hij zich ook ‘met grote liefde’ aan het werken met zgn. afwijkende kinderen. ‘Op dat gebied gebeurt er al buitengewoon veel in Nederland. Daarin heeft hij een taak ontdekt. Hij poogt een wetenschappelijke fundering te leveren voor het enorme pedagogische en didactische beïnvloedingswerk ten dienste van het gehandicapte kind’. Hij is lid van de redactieraad van een tijdschrift, schrijft artikelen op dit gebied, ook voor publicatie elders, houdt lezingen, doceert aan het Mgr Hoogveld Instituut in Nijmegen, en steunt het Katholiek Bureau voor het Lager Onderwijs in Den Haag.

Hij ondersteunt regelmatig studiedagen op dit gebied gehouden. Zoals hierboven reeds vermeld, zonder vertoon van een wetenschappelijke pretentie biedt hij een helpende hand aan de velen, die met realisme en toewijding dagelijks hun zorgen geven aan het gestoorde kind’, schrijft hij zelf (1962).

Een ingrijpende en voor hem best moeilijke verandering van omstandigheden is het sluiten van het Berchmanianum als huis van opleiding, en de daarop volgende verhuizing naar de KT(H)U te Amsterdam. Aanvankelijk blijft hij daar de functie vervullen van Buitengewoon Hoogleraar psychologie in de afdeling gedragswetenschappen van de mens. (1967-1970). Maar het wordt al gauw duidelijk dat de veel grotere omvang van dit instituut, alsmede ook de grotere gevarieerdheid van aard en aantallen deelnemende docenten en studenten, voor hem een te zwaar beroep doen op de bij hem aanwezige energie.

Maar naast het bovenstaande had hij in de voorliggende periode ook een aantal taken gehad ten aanzien van medebroeders en andere religieuzen. In het Berchmanianum was hij een aantal jaren als spirituaal en leraar verbonden met het Juvenaat voor jonge S.J-broeders. Voor een enkele zusters congregaties, en daarbij mogen in ieder geval genoemd worden de Zusters Ursulinen van de Romeinse Unie,  was hij gedurende een aantal jaren biechtvader, docent in de psychologie, gaf conferenties, gaf als bijdrage lessen aan deelnemers van bijeenkomsten voor vernieuwde vormen van schoolcatechese. Hij was gedurende enkele jaren directie-assistent op het Hoger Katechetisch Instituut (HKI). Ook op het niveau van de eigen S.J.Provincie verleende hij assistentie. En regelmatig werd hij gevraagd als leider van retraites voor met name vrouwelijke religieuzen.

In de tweede  helft van de 80ger jaren vertoonde zich een groeiende verzwakking van zijn gezondheid. Dat resulteerde in een duidelijke vermindering van werkzaamheden. Een by-pass-operatie werd noodzakelijk. Dat gebeurde in Maastricht. Na herstel moest zijn leven duidelijk rustiger gaan verlopen. Hij vond daarvoor een aangepaste plaats als inwonend spirituaal en raadgever bij de Zusters van het Arme Kind Jezus in Huize Loreto te Simpelveld (1990-2007). De nog aanwezige energie besteedde hij zowel als voorganger, biechtvader en raadgever ten dienste van de Zusters, als aan het bijhouden van spiritualiteit en aan interesse in de ontwikkelingen van zijn vakgebied. Naar vermogen maakte hij deel uit van de plaatselijke S.J.-communauteit in Limburg, terwijl hij huisgenoot bleef op het Berchmanianum. Verdere verslechtering van zijn hart maakt een definitief verblijf aldaar noodzakelijk. Hij is daar op 21 november 2010 overleden.

Enerzijds was hij ten laatste een oud en gebrekkig mens. Het was een eerlijke geste dat we bij zijn uitvaart over hem lazen uit de Klaagliederen (3., 18, 23, 24): Ik leef zonder hoop. Ik blijf er aldoor aan denken. Het vergiftigt mijn leven en weegt op mij als een last. Maar ook: Uw grote trouw is iedere morgen weer nieuw. Ik behoor aan de Heer’, - zegt mijn hart -, ‘Hij blijft mijn hoop’.


IHS > gezellen van Jezus > In memoriam