Gerard Fokke
1924 2011
In Pater Gerard Fokke (1924) hebben talloze mensen een zeer levendige persoon mogen ontmoeten. ‘Een prachtmens’, zeggen zijn familieleden en vrienden, ‘die gezegend was met een groot hart, dat hij graag met iedereen deelde’. Als oudste kwam hij ter wereld in het degelijk katholieke middenstandsgezin Fokke Geerinck in Den Haag. Vader was magazijnbeheerder ijzerwaren- en gereedschappen-groothandel. Na hem volgden nog een zus, een broer, en drie zussen. Tijdens zijn jongensjaren woonde de familie in Delft. Voor het katholiek voorgezet onderwijs fietste hij dagelijks langs de Vliet naar het Aloysiuscollege te Den Haag, en behaalde er in 1943 het Gymnasium B met heel goede resultaten. Van huis uit kreeg hij mee, hoezeer de onderlinge band van meer belang was dan de drift om als ruim getalenteerde mens boven anderen uit te steken: het gezin als basis voor de latere leerschool in naastenliefde.
Twee manieren van doen bleven zijn manier van leven tekenen tot op hoge leeftijd: het gebruik van zijn fiets, met hoog tempo en ook lange afstanden, en de rust om al vissend langs het water te zitten, later heel vaak op het eiland in Hoogmade. Driemaal schaatste hij in de winter de Elfstedentocht, tweemaal met succes; bij de laatste keer was hij 62 jaar oud.
Zijn wens om geneeskunde te gaan studeren werd doorkruist door maatregelen van de Duitse bezetter. Daar bovenop kwamen de diep ingrijpende ervaringen, waardoor het leven minder vanzelfsprekend wordt: deelname aan de arbeidsdienst en noodzaak om onder te duiken. Enige maanden voordat hij de leeftijd van volwassenheid bereikte vierde Nederland in 1945 de bevrijding.
Gerard vond in de ruim tien jaar, die toen volgden (1945-1957), een baantje in de sociale verzekering bij Centraal Beheer, bij het Ministerie O., K., en W., en bij Electrotechnisch Vakonderwijs in Den Haag en Amsterdam. ’s Avonds en in zijn vrije tijd studeerde hij Nederlands Recht: candidaatsexamen te Amsterdam (1949), daarna doctoraal in Leiden (1953). ‘Alles bij elkaar: een vrij normaal leven, niet bijster interessant, dat een normale ontwikkeling beloofde, vergeleken met mijn vroegere wens medicijnen te gaan studeren’. Juist in die zelfstudie werd een flink beroep gedaan op eigen inzet en levenskracht, en groeiden opnieuw zijn intellectuele begaafdheden. Zijn sportieve begaafdheden gaf hij kansen als zeer actief lid van de handbalvereniging Hellas in Den Haag. In de katholieke gemeenschap van Nederland gaven de bisschoppen in 1954 het Bisschoppelijk Mandement uit. ‘Dat heeft mij mede aan het denken gezet over het perspectief van mijn leven’.
Intussen ontmoette Gerard een meisje waar hij erg veel van is gaan houden, naar eigen zeggen. Zij kwam uit principieel socialistisch milieu, waar een grondig wantrouwen heerste ten aanzien van de kerken. Zij is gedoopt, katholiek geworden, een verloving had plaats. Ook voor Gerard maakte dat Bisschoppelijk Mandement moeilijk te verteren facetten van het rijke roomse leven voorgoed ongenietbaar. Zij van haar kant kon de praktische katholieke politiek principieel niet met haar geweten in overeenstemming brengen. Gerard zegt: ‘dit wetboek in haar hart was sterker dan haar hart, en zij gaf mij mijn vrijheid. Het werd een agonie in beider leven. Ondanks alles kon ik blijven zien, dat dit het hart van het geloof niet raakte, ondanks de bisschoppen’. Desalniettemin heeft de plotseling verbroken verloving zijn leven tot op zijn grondvesten geschokt. Gerard geeft toe: ‘dat zij hem veel heeft geleerd: hoe het eraan toegaat in de wereld. Hoe je in praktische politiek met mooie woorden voor gek gezet kan worden. Wij zijn niet de enige slachtoffers van het Mandement geweest’. Later, wanneer hij half vijftig is, verklaart hij: ‘Van mij hoeft het CDA niet. Ik blijf uiterst gevoelig voor ‘sociale gerechtigheid’. Gelukkig kan ik daar in mijn werk nú iets van uitleven!’.
Omdat hij genoeg kreeg ‘van de zo hyper-kritische en sterk afstandelijke benadering van godsdienst toendertijd in Nederland, besloot Gerard in te gaan op ‘n aanbeveling van een vroegere medestudent, en vertrok hij in 1957 naar Canada; hij vond er spoedig een baan als chartered accountant. Bij wijze ‘vanzelfsprekend’, zocht hij ook contact met de katholieke gemeenschap in Toronto, en ontmoette daar een Nederlander die daar theologie studeerde om priester te worden in een diocees in Ontario.
In deze nieuwe omgeving kwam zijn hart weer tot rust. Ook al vond hij de kritiek in zijn eigen land terecht, hij hield toch dieper in zichzelf de vraag: koop je er iets voor? In de Angelsaksische cultuur en benadering van het leven voelde hij zich goed thuis: voor kwesties die zich stellen praktische oplossingen zoeken. Strikt hiërarchisch denken is daar vreemd aan‘. In trouw aan het vele positieve in de Kerk uit vroegere jaren, de vreugde van te mogen geloven , en een vanouds sterke interesse in de Sociëteit van Jezus, kwamen weer opnieuw onder Gerards aandacht op een zodanige wijze, dat hij zich daaromtrent informeerde, en uiteindelijk besloot om in 1959 in te treden bij de Engels sprekende Provincie van de Jezuïeten. ‘De Canadese jaren van opleiding in de orde, die volgden, hebben hem zijn élan hergeven’, schrijft hij.
In die jaren verliep de opleiding daar nog op traditionele wijze. Over die 11 jaar, noviciaat, filosofie en theologie, formuleert hij onder andere: ‘na jaren van echt hard werken met een academische studie ernaast waren deze jaren net wat ik nodig had: nadenken, verademen, kortom een extra lange, gratis vakantie’. Tevens kreeg hij de mogelijkheid om zijn vele intellectuele gaven in een brede zin tegemoet te treden. Teruggekeerd naar Nederland vanwege ernstige ziekte en sterven van zijn vader werd Gerard in 1966 te Den Haag tot priester gewijd, waarna in Leuven en Drongen de laatste opleidingsjaren volgden. En alsof dit nog niet voldoende was kreeg hij vanuit de SJ-Provincie van Engels Canada de opdracht, zich in Leuven te gaan bekwamen in het vak kerkgeschiedenis. Dit met het doel om te Toronto les te gaan geven aan jongere generaties medebroeders en anderen.
Die studie voltrok zich in Vlaanderen, Leuven, research in Rotterdam, en werd afgesloten met een proefschrift over Erasmus en Origenes in het Engels (1970-1978). Maar opnieuw: de tijden hadden niet stil gestaan. Ook in Canada ondergingen de priesteropleidingen een proces van fusie. Daarin bleek voor ‘doctor Gerard Fokke’ niet langer een plaats beschikbaar te zijn. Hij keerde terug naar Nederland en werd aldaar lid van de Nederlandse Provincie van de Jezuïeten. In 1984 legde hij zijn laatste plechtige 4 geloften af in de communiteit van de Breul te Zeist, alwaar hij, na enkele jaren op het Berchmanianum te Nijmegen, tot aan de opheffing van dit huis zijn woonplaats had (1983-1995).
Een universitaire carrière ligt, gezien zijn leeftijd, niet meer in het verschiet. Vanuit Zeist, in het midden van het land, wordt hij met zijn brede ontwikkeling, de ‘officiële’ aalmoezenier van de kermisexploitanten en circusartiesten. Die moeten hun eigensoortige werk doen temidden van diverse belangen. Feitelijk zijn het typische ondernemers, van vader op zoon. ‘Je raakt in die wereld opgenomen door gewoon te kijken en te doen. Ruim 85% van hen zijn katholiek gedoopt. Zij voelen zich katholiek in hart en nieren. Op zondagen blijkt dat niet zo, maar wel bij belangrijke momenten des levens. Een heel aparte manier van leven voor de mensen met deze bezigheden verbonden. En dat kleurt dan tevens het werk van de betrokken pastor’.
Met wie Gerard gedurende zijn ‘bewogen’ leven was geworden, heeft hij zich daaraan nog 13 jaar helemaal mogen geven, totdat hij werd gepensioneerd (1989). Bij die gelegenheid kreeg hij de erespeld uitgereikt van de Nederlandse Bond van Kermis-bedrijfhouders. Zijn commentaar: ‘het was zeer interessant pastor te zijn van een allesbehalve ‘engelachtige’ parochie. In hoofdzaak bestond die uit ‘rand-kerkelijken’. Toch waren het mensen om van te houden, met gouden karakters’. Met zijn juridische kennis richtte hij zijn aparte aandacht op een goede schoolopleiding van de kinderen van deze mensen, o.a. door de hulp van ‘Rijdende Scholen’. Ook daarin is hij hele-maal ‘ingekropen’. En wellicht paste deze vorm van ‘mobiele’ zielzorg het beste bij wie Gerard, vanuit zijn familie van jongs af aan nu eenmaal geworden was.
In zijn eigen woorden over deze jaren: ‘Ik zit graag tussen de medebroeders, er is service, en dat is, gezien mijn andere bezigheden en leeftijd, een zorg minder. Onderweg heb ik overal vrienden zitten, vooral uit de bedreigende jaren van de oorlog, of verbonden via de sport. Dat is een heel stuk van mijn leven. Naast een bestuursfunctie bij de Haagse handbalvereniging Hellas, - waarvan ik van jongs af actief lid ben op ‘meerdere velden’ -, speel ik ook nog sportief mee in een roemrucht elftal uit het verleden, nú ‘veteranen-team’. Dat durft het nog op te nemen tegen heel wat jongere groepen. Oude schoolvrienden, leden van de wijdere familie, en anderen, zijn blij mij af en toe te ontmoeten en onderling een avond te praten. Op reis breng ik er dan de nacht door, en reis door ten dienste van de kermissen. Veel van die bezoeken zijn: ‘apostolaat’. Hoe dan ook: ik ‘amuseer mij best’ in het leven, en ben dankbaar dat ik als priester op leeftijd deze mooie taak heb’.
Hoe directe familieleden aankeken tegen de nauwe band die zij met Gerard hebben mogen ervaren? Zij formuleren: ‘Een pracht mens, gezegend met een groot hart dat hij graag met iedereen deelde. Van een belangrijke gebeurtenis wist hij een blijmoedig doch plechtig ritueel te maken. Zijn speeches en preken gaven ons hoop, humor, energie en liefde. Hij was enorm betrokken bij het leven van iedereen’.
In de jaren die volgen (1991-2009) woont hij achtereenvolgens in Den Haag en Utrecht, heeft hij wachtend op een nieuwe bestemming, een sabbatjaar, verblijft hij enkele maanden in Canada, vervult hij de nodige pastorale assistenties, en is enkele keren serieus ziek. De laatste twee jaar woont hij op het Berchmanianum in Nijmegen alwaar hij in 2011 is overleden. In die periode ervaart hij gevoelsmatig weer steeds sterker ‘nergens eigenlijk bij te horen’. Op velerlei wijzen heeft Gerard in zijn leven laten zien dat hij een groot liefhebber was van de natuur. Hij ging altijd uit van het goede in de mens. Zijn katholieke geloofsovertuiging en gelovige levensvisie waren daarbij leidend.