Geschiedenis van het archief

Begin januari 2009 kon na ruim twee jaren voorbereiding de inventaris van de afdeling ‘Oude Sociëteit’ (1540-1773) in het archief van de Nederlandse Jezuïeten voltooid worden. In het Ten geleide reconstrueerde ik de geschiedenis van het archief als volgt.

Geschiedenis van het archief van de Provincia Flandro-Belgica

In 1571, toen Baudouin Delange (1535-1601) werd aangesteld tot Provinciale Overste van de Provincia Belgica die in 1564 was opgericht, was er nog geen sprake van een archief van de Provincie. Vijf jaar later kocht hij in Antwerpen een kist met een dubbel slot, waarin hij de boeken en brieven opborg die de Generaal vanuit Rome naar hem toestuurde. Maar deze collectie ging verloren toen de jezuïeten in 1578 uit Antwerpen werden verdreven door het calvinistisch bewind. Twee jaar later begon Delange opnieuw een archief aan te leggen op basis van teruggekregen stukken en andere archivalia. In 1585 kon hij aan zijn opvolger Frans Coster (1532-1619) een bescheiden archief overdragen. Bij de splitsing van de Provincie in 1612 werden de stukken verdeeld tussen de nieuwe provincies Flandro-Belgica en Gallo-Belgica. Niet bekend is hoe deze verdeling tot stand kwam, onder meer ten gevolge van de brand in het college van Rijsel in 1740, waarbij het grootste deel van het archief van de Provincia Gallo-Belgica verloren ging.

In de jezuïetenhuizen werd het ‘dynamisch’ archief meestal op twee plaatsen bewaard: in de kamer van de overste en in de kamer van de procurator. Het ‘statisch’ archief bevond zich in een afgesloten ruimte of in gesloten kisten, die enkel met twee sleutels, in bezit van overste en procurator, geopend konden worden. De procurator, soms bijgestaan door een lekenbroeder, was verantwoordelijk voor het archief inzake het goederenbeheer, de overste voor de overige documenten. Maar dit principe bleek in de praktijk vaak anders dan in theorie.

Vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw bestaan er vrij gedetailleerde inventarissen van het provinciaal archief, mede dank zij de inspanningen van Frans van Rekendale (1682-1739). Het archief was toen op meerdere plaatsen opgeslagen.

Bij de opheffing van de jezuïetenorde in 1773 kwamen de archieven onder beheer van regeringscommissarissen, die constateerden dat het aangetroffen materiaal veelal waardeloos was. Oorzaak hiervan was de omvangrijke acties die jezuïeten in vele huizen hadden ondernomen: ter wille van de bescherming van hun privacy hadden zij een groot deel van vooral persoonlijke documenten vernietigd. Zo waren omstreeks tien dagen vóór de opheffing allerlei papieren in talloze huizen verbrand op last van de provinciaal en de overste van het Antwerpse professenhuis. Toen de commissarissen bij toeval in het college van Roermond veertien pakken met handschriften ontdekten met de correspondentie van de Generaal inzake het bestuur van het college, vergezeld van algemene richtlijnen van de Provincie, concludeerden zij daaruit terecht, dat soortgelijke stukken in andere colleges welbewust vernietigd waren.

De in beslag genomen archieven zijn gedeeltelijk overgegaan in de handen van gemeentelijke archieven, terwijl stukken die geen betrekking hadden op het materiële beheer van de huizen grotendeels werden ondergebracht in het Rijksarchief en de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Andere stukken kwamen opnieuw in handen van de jezuïeten, toen dezen zich in het begin van de negentiende eeuw weer in België vestigden. Nogal wat documenten werden verworven door verzamelaars en bibliofielen; een deel daarvan belandde later alsnog in de Koninklijke Bibliotheek en het aartsbisdom Mechelen. Na 1773 vonden er op grote schaal ruiloperaties plaats tussen verschillende bibliotheken en archieven.

Bij de overdracht van het archief van de Provincia Flandro-Belgica van het Algemeen Rijksarchief te Brussel naar het Rijksarchief te Antwerpen in 2004 werd begonnen met de herinventarisatie van het fonds, die twee jaar later zijn beslag kreeg in een omvangrijke publicatie van archivaris Hendrik Callewier.

Geschiedenis van het archief van de Hollandse Missie

Het archief van de Hollandse Missie werd deels bewaard bij de jezuïeten te Brussel, en deels, zij het bescheidener van omvang, in het professenhuis te Antwerpen. Bij de opheffing van de Sociëteit in 1773 heeft de provinciale procurator Jan van Hommelen (1721-1800) een deel van de archivalia betreffende de Hollandse Missie laten verbranden.

Minder dan een eeuw tevoren was er in de Republiek zelf een jezuïet uiterst actief geweest op het gebied van geschiedschrijving en archiefvorming: Norbert Aerts (1639-1707), die van 1673-1697 haast onafgebroken werkzaam was te Delft en omstreken. Om gezondheidsredenen moest hij zich op het eind van zijn leven terugtrekken in het huis ‘De Zonnebloem’ aan de Herengracht te Amsterdam. Daar waren een groot en klein archief ondergebracht op verzoek van missieoverste Hendrik van der Beets (1626-1697; overste 1683-1686). Vermoedelijk is dit archief in zijn geheel naar de Zuidelijke Nederlanden teruggekeerd na het overlijden van Aerts in 1707.

Bij de opheffing van de Sociëteit in 1773 bleven vele archivalia in het bezit van de ex-jezuïeten die op hun staties konden blijven doorwerken, met name in Amsterdam, Culemborg en Nijmegen. Hetzelfde geldt ten aanzien van archiefstukken van de jezuïeten die verbonden waren aan de ambassades in Den Haag, en van jezuïeten in de katholieke enclave van Ravenstein. De regering van de Republiek wenste zich niet te mengen in de binnenkerkelijke twisten tussen de paus en de Sociëteit van Jezus, en legde dus geen beslag op roerende en onroerende goederen zoals het geval was in bijna alle andere staten in Europa en daarbuiten. Gevolg was dat bij het herstel van de Sociëteit in 1814 de ex-jezuïeten hun werk konden voortzetten, zonder het gemis van hun bezittingen, waaronder vele archiefstukken. Van deze documenten is in de loop der jaren een groot deel terechtgekomen in het archief van de Nederlandse Provincie, dat achtereenvolgens op verschillende plaatsen was ondergebracht, totdat het een permanente locatie vond naast het Berchmanianum in Nijmegen. Andere delen zijn overgedragen aan nationale en plaatselijke archieven.

In 1863 kreeg de toen 36-jarige jezuïet Antoon van Lommel (1827-1894) de opdracht materiaal te verzamelen ten behoeve van de geschiedschrijving van de Provincie. Drie jaar lang was hij bijna dagelijks te vinden in de Koninklijke Bibliotheek of het Algemeen Rijksarchief te Brussel, waar hij op grote vellen papier duizenden bladzijden kopieerde of liet afschrijven, die informatie verschaffen over het leven en werken van de jezuïeten in Nederland, met name in de Hollandse Missie. Dergelijk monnikenwerk verrichtte hij ook in het aartsbisschoppelijk archief te Mechelen, in archieven en bibliotheken te Rome, en openbare en privé boekerijen in Nederland. Zijn kopieën van originele stukken maken thans deel uit van het archief van de Nederlandse jezuïeten, en vormen een kostbare bron voor historici.

De collectie historische handschriften in het archief van de Nederlandse Provincie is voor het eerst door de historicus Gerrit Gorris SJ (1877-1948) gedetailleerd beschreven, maar nadere informatie daaromtrent ontbreekt. Dankzij hem bestond er nu een helder overzicht van de nogal heterogene samenstelling van dit bestand, waarin originele documenten, afschriften, kopieën, beeldmateriaal, overdrukken, correspondentie en aanzetten tot historische overzichten waren verzameld. Zijn ‘cataloog’ werd in de jaren 1962-1970 bijgewerkt en verbeterd door Hubert de Wever, bibliothecaris van de theologieopleiding Canisianum te Maastricht, en archivaris Jan Barten s.j. (1914-1994). Een tweede versie werd in de jaren 1993-1995 vervaardigd door E. van Alphen, Theo van Eijk (NER),  J. Huijts, W. Sluyter, en een derde versie in de jaren 1996-1998 door Eugène van Deutekom, Theo van Eijk (NER), Ute Heine von Borries en Marc Lindeijer (NER).

Bij mijn aantreden als archivaris van de Nederlandse Provincie op 3 september 2006 kwam ik na korte tijd tot het inzicht, dat het historisch onderzoek gebaat zou zijn met een aparte en nieuwe inventarisatie van het bestand van de ‘oude’ Sociëteit over de jaren 1540-1773. Daartoe heb ik de hele collectie historische handschriften doorlopen, en daaruit de stukken geselecteerd die tot die vroegste periode behoren. Aan deze selectie werden documenten toegevoegd uit andere bestanden van het archief, zoals verantwoord is in de concordantielijst die aan deze inventaris is toegevoegd. Bovendien werd de collectie aangevuld met documenten van verschillende aard, die ik zelf in de loop van vele jaren heb verzameld, en die aldus ter beschikking komt van ook andere onderzoekers. De collectie van de oude Sociëteit bestaat uit ruim 1300 nummers, die een grote en gevarieerde rijkdom aan materiaal te zien geven. Ik hoop dat deze nieuwe inventaris betreffende de ‘oude’ Sociëteit velen van dienst zal zijn.

Paul Begheyn s.j.

Godfried Bomans aan Pieter Spooren sj >>

Geschiedenis van het archief >>
Handelingen van de Hollandse Zending >>
Versjes en vegen uit de pan >>
TYPEN en STEREOTIEPEN >>
Een onbekende brief van Ignatius >>
Jan Toorop en de jezuïeten >>
Broeder Pieter Schooneman, de laatste Hollandse missionaris in Peru >>
Vriendschap met Jezus >>
Het notitieboekje van Antoon van Lommel >>
Het ‘Boelen-boek’ >>
Jezuïetentoneel in Nederland vóór 1773 >>