Broeder Pieter Schooneman, de laatste Hollandse missionaris in Peru
In 1753 vertrok de 42-jarige Pieter Schooneman naar de missie van Peru. Hij was hij op 22 november 1711 geboren in het Noord-Hollandse Oudendijk ten zuidoosten van Hoorn, en zestien jaar later jezuïet geworden. Nadat hij als broeder in de staties van Gouda en Amsterdam gewerkt had, vroeg hij om uitgezonden te worden naar Peru, waar de jezuïeten sinds 1637 werkzaam waren. Aan zijn wens werd gehoor gegeven. In Lima bouwde hij een kerk, en aan de bovenloop van de Amazone assisteerde hij de priesters bij hun catechese onder de Iquitos. Schooneman bleek een goed gevoel voor hun taal te hebben, waarvan hij een woordenlijst samenstelde. Maar zijn verblijf zou niet van lange duur zijn, omdat de jezuïeten gedwongen werden het Spaanse deel van Zuid-Amerika in 1768 te verlaten. Hij arriveerde drie jaar later te Antwerpen. Daar noteerde hij in 1772 een Cort verhael van myne missie naer America en wederkomste van daer naer dese provincie, geschreven in een heldere hand. Zijn verhaal, 41 bladzijden half folio, valt uiteen in drie delen: een uitvoerig verslag van de heenreis naar het huidige Ecuador, 1753-1755; een beschrijving van zijn werk op de missieposten onder de Iquitos, 1755-1767; het relaas van zijn verbanning door de Spanjaarden, en de terugreis in gevangenschap naar Europa, 1767-1771. Toen de Sociëteit in 1773 door paus Clemens XIV opgeheven werd, keerde Pieter Schooneman terug naar zijn geboortestreek. Hij overleed op 14 november 1776 te Medemblik.
Het handschrift van zijn Cort verhael en zijn woordenlijst van de taal van de Iquitos bevinden zich in ons archief, en hebben tussen 1894 en 2001 de aandacht getrokken van een viertal historici uit binnen- en buitenland, onder wie oud-archivaris Theo van Eijk SJ. Een fragment uit de autobiografie van broeder Schooneman volgt hierna, overgezet in hedendaags Nederlands.
‘Ik heb dit hier allemaal opgeschreven, zoals ik het gezien en ervaren heb, niet om iemand daardoor af te schrikken, maar opdat degenen, die zich geroepen voelen tot zulke missiegebieden, dit van tevoren zouden weten om zich op een dergelijke glorieuze onderneming voor te bereiden, zonder hen af te schrikken. Want God geeft aan degenen, die hij hiertoe roept, ook zijn bijzondere hulp. Want ik verklaar met zekerheid en weet dat het de waarheid is, dat in dit werk, en vaak in de meeste zwarigheden, zo’n tevredenheid en inwendige troost gevonden wordt, dat ik er zeker van ben, dat zo’n genoegen of tevredenheid in de wereld niet gevonden kan worden, en dat men zijn toestand niet zou willen verruilen met de hoogste posten van een provincie. Ik zeg daarom dat hun bruutheid, miseries, grofheid en onwetendheid, en zelfs hun misdaden eerder medelijden dan boosheid wekken, en een ware ijver tot hun welzijn en bekering. Want ik geloof dat hun daden, ofschoon slecht in zichzelf, veel verontschuldigd kunnen worden door hun onwetendheid, klein begrip, opvoeding, zonder kennis van God of zijn gebod. En al zijn hun daden van geloof, berouw en andere gewoonlijk slap, en schijnen zij niet de activiteit noch indruk te hebben die over het algemeen vereist wordt in personen met meer bekwaamheid, toch zal God almachtig hen in hun bekering ook genadig zijn. Hij vereist van de mens niet meer dan wat hij kan, geholpen door zijn genade, en men moet geloven dat hij het niemand aan genade laat ontbreken om tot zijn zaligheid te komen, hoe klein die mag zijn, of zonder genie of natuurlijke bekwaamheid. Daarom moet men de moed niet verliezen als men dit bemerkt, als zij maar van goede wil zijn en gezeglijk, wat zij gewoonlijk ook zijn.
Welke troost zal het de missionaris dan ook schenken, als hij ziet dat deze arme mensen, die aanvankelijk geheel naakt en zonder enige schaamte voor hem verschenen, nu iets geleerd hebben en, sinds zij een kledingstuk ontvangen hebben, niet meer voor hem in het openbaar durven te verschijnen, tenzij eerlijk bedekt. Dat zij, die hun kinderen aanvankelijk plachten te verbergen en wegvluchtten om niet gedoopt te worden (ten gevolge van de valse opvatting onder hen, dat het doopsel hen zou hinderen), nu deze vrijwillig aanbieden om gedoopt te worden. Dat zij bij het teken van een klokje naar de les in de kerk komen, en hun kinderen elke dag daar tweemaal heen sturen. En ik heb tot mijn grote troost en met teerheid van het gemoed gezien (de ouders weten hoezeer de missionaris wenst en probeert dat de kinderen naar de catechismusles komen), dat de vader of moeder meer dan eens hun kindje, dat niet alleen naar de kerk zou kunnen gaan, dragen en het daar tussen de andere kinderen zetten, en daar blijven wachten tot het einde om het dan weer naar huis te dragen. Ik zag ook eens met plezier bij twee kleintjes (die dachten dat ze niet gezien werden), dat de oudste aan de jongste leerde om het kruisteken te maken en daarbij de hand leidde. En wat een vreugde is het om alleen te zien (al zijn de ouderen, die in het bos zijn opgevoed, vaak ruw en hardnekkig) dat veel kinderen die gedoopt zijn in grote aantallen jong sterven en met de onschuld van het doopsel naar de hemel vliegen. En van velen die in leven blijven heb ik zeer goede bekwaamheid opgemerkt in de christelijke lering en andere dingen. Met heldere stem, hetgeen zeldzaam is onder de indianen vanwege hun bevreesdheid, antwoorden zij, wanneer zij in de kerk uit de catechismus overhoord worden. Enkelen kunnen een groot stuk van de catechismus, die in hun taal is vertaald, van buiten opzeggen. Zo heb ik twee jongens bij mij in huis opgevoed, die na enige jaren nu de hele catechismus van buiten kennen en deze ’s zondags in de kerk hardop opzeggen, waarbij de een vraagt en de ander antwoordt, en het volk zegt het mee op.’
Paul Begheyn s.j.