Versjes en vegen uit de pan
Weinig mensen hebben er weet van hoe spannend een archief kan zijn. Ook het archief van de Nederlandse Provincie in Nijmegen bergt schatten van allerlei allooi.
Sinds afgelopen september ben ik voornamelijk bezig geweest met de inventarisatie van nalatenschappen van overleden Nederlandse jezuïeten: een tot eerbied stemmende en stilmakende bezigheid. Zo was ik geruime tijd bezig met de papieren van Theo Ausems (1914-2000), een kleurrijke figuur, die ooit promoveerde op het dialect van zijn geboortestad Culemborg, dat door zijn stadgenoot Jan van Riebeeck in de zeventiende eeuw gebruikt was als basis voor het huidige Zuid-Afrikaans. Hij was leraar op de colleges in Den Haag en Delft, en studeerde op latere leeftijd boekwetenschap in Amsterdam. Tussen de bedrijven door wist hij met geinige ironie zijn medebroeders te typeren in liedjes en versjes, die hij in een klein notitieboekje noteerde. Flarden van die teksten doen nu na jaren nog de ronde, dankzij hun rake formuleringen van andere jezuïeten, gemengd met een quasi-naïeve woordkeuze. Zo is er zijn onovertroffen vierregelige rijm op de rondborstige Theo Geraets (1921-1983), godsdienstleraar en later deken in Den Haag:
- Een dikke deken dekt Den Haag
- Die doopt zich doctorandus
- Dat istie niet, dat wastie graag
- Het is een charlatan dus.
In dezelfde periode dat hij op het Aloysiuscollege verbleef, bedacht Theo Ausems ook zijn huisgenoot Piet van Litsenburg (1916-1995), classicus, schoolrector en een overtuigd roker, met een versje, dat steunt op een bekend Sinterklaasliedje:
- O wie kucht daar, kindren,
- O wie kucht daar, kindren,
- Van wie zou die rokerskuch toch zijn?
- Van die roker zeker
- Van die rector zeker
- Van dat ouwe-talen-sjacherijn.
- Antieke Piet, Antieke Piet,
- Antieker Pieter is t’r niet,
- En geen morgenzieker
- Dan dooie-talen-Piet.
Wanneer Ausems zijn bekende ode dichtte op Jan van Driel (1918-1995), geschiedenisleraar op het Canisiuscollege in Nijmegen en om zijn Europaclub ook wel ‘Europeanus’ bijgenaamd, weet ik niet. Maar het is een tekst waarvan menig Nederlands jezuïet flarden uit het hoofd weet te citeren:
- In de stad van Peter Kanis
- Woont een man en die heet Janus;
- Janus echter niet alleen
- Doch daarbij Van Driel meteen.
- Met hem waardig te beschrijven
- Kan ’k mijn leven bezig blijven.
- Laat ’k beginnen bij z’n mond
- Van boven plat, van onder rond,
- Voor de pijp een fundament
- Als men er slechts weinig kent.
- Van de mond uit iets omhoog
- Ligt aan iedre kant een oog.
- O, die ogen van Van Driel,
- ’t Zijn de spiegels van zijn ziel!
- Wat er woelt in zijn gemoed
- Staat te lezen op z’n toet.
- ’k Laat m’n aandacht nu wat zakken,
- Tot waar Janus gaat vertakken.
- O, wat is hij daar toch schriel,
- Onze goeie, dikke Driel!
- ’t Benenpaar dat is wat broos.
- Toch, gezien de waterhoos
- Die ze zwemmende verzetten
- Kan hen dat maar weinig letten.
- Dat hij niet harmonisch ligt,
- Komt van ’t grote buikgewicht.
- Menig hapje nam een duikje
- In zijn rond en mollig buikje.
Dit en ander materiaal van Theo Ausems is nog niet opgenomen in het door Dries van den Akker samengestelde ‘panarchief’, waarin vele teksten zijn ondergebracht die meestal zingend ten gehore werden gebracht op feesten in jezuïetenhuizen, waarbij de wijdingen wel de hoogtepunten vormden. De etymologische herkomst van het woord ‘pan’ weet niemand, maar velen veronderstellen dat het samenhangt met de uitdrukking ‘iemand een veeg uit de pan geven’. Overigens waren bij het maken van de pan vaak die teksten het leukst, die niet door de beugel konden of door de als censor fungerende minister werden afgekeurd. Degenen die aan een pan meededen, heetten in de wandeling ‘pannisten’. De vraag is of die beide woorden pan en pannist het gehaald zouden hebben in het befaamde woordenboek van Joseph Verschueren s.j. (1889-1965), die in een onbewaakt ogenblik het door een scholastiek aangeleverde woord roltrappist (iemand die gebruikmaakt van een roltrap) wel opname waardig keurde.
Paul Begheyn s.j.