TYPEN en STEREOTIEPEN
Pater Piet ter Steege (1904-1974), leraar Frans op de colleges in Amsterdam en Zeist, klaagde er eens over, dat er geen types meer waren in de Sociëteit. In zijn klacht zag hij zichzelf gemakshalve over het hoofd. Er waren veel types onder de jezuïeten, en hoe aparter ze waren, hoe meer ze voortleven in de herinnering.
Tot deze categorie behoort ook de legendarische kapelaan Jan Rubbens (1887-1959) van de Nijmeegse Molenstraatkerk, die door een journalist ooit als volgt werd getypeerd: ‘Het was er eentje om nooit meer van je geloof af te vallen. De Don Camillo van de Molenstraat. De Mozes van de city. De Samaritaan van de Benedenstad. Onze Lieve Heer had geen betere public-relationsman kunnen treffen.’ Om de honderdste geboortedag van pater Rubbens te markeren, heb ik in 1986 bij ruim honderd Nijmegenaars telefonisch en schriftelijk informatie ingewonnen. Op basis daarvan schreef ik een boek dat, vlak vóór Sinterklaas verschenen, binnen een week was uitverkocht.
Na het verstrijken van de kopijdatum arriveerde een brief van Jan Starink, oud-leerling en oud-docent van het Canisiuscollege, neerlandicus en KRO-journalist, die in het Engelse St. Ives een antiquariaat was begonnen. In 1982 had hij met twee anderen samen een reconstructie van het leven op het college tussen 1900 en 1950 gepubliceerd onder de titel “Hoe wij slaagden.” Geestig en gedetailleerd zette hij op 9 juni 1987 zijn herinneringen aan pater Rubbens op papier, en vermeldde en passant nog enkele andere jezuïeten, die hij in Nijmegen had ontmoet. Het grootste deel van zijn brief publiceer ik hieronder. Waar nodig geef ik aan het einde enkele verklarende noten.
‘Rubbens kende ik goed. Het fascinerendste waren zijn geweldige platvoeten met jubeltenen. Ze gaven hem iets clownesks, waar in 44/45 zijn mesjogge soldatenjas toe bijdroeg. Als je bij hem biechtte kreeg je altijd drie weesgegroetjes - van Scheerboom ook - dat vond ik schappelijk, want ik was goddank een groot zondaar. In de stad biechtte ik dus alleen bij R. en op het college bij S. Ondanks zijn vreselijke hekel aan Jezuïeten vond Scheerboom Rubbens wel een mooie. Ze waren allebei ontzettende zwammers (S. heette ook ‘Jan Zwam’, geloof ik) en allebei even smerig. De boordjes van S. en R. tartten elke beschrijving en werden alleen geëvenaard door dat van Ross. Ze praatten ook allebei even plat (Brabants en Amsterdams) - ik heb altijd gehouden van zelfkanters, die niet passen in het systeem, of wat je daarvoor houdt. Hoe vies Rubbens was, wist ik van kindsbeen af uit de eerste hand. In mijn vroege jaren woonden we in een veel te groot huis aan de St. Annastraat (nu is het godbetert een groentewinkel!). Om de kosten te drukken was de voorkamer verhuurd aan een heksachtig, roodharig, broodmager, lichtelijk kalend, devoot mens (zo’n type uit een naargeestige Franse roman), dat ‘Juffrouw Sleurs’ heette. Haar ene been was korter dan het andere - daarom droeg ze een raar misvormde klompschoen met een klos eronder. God, wat was ik bang! Ze had een neef-pater in de Molenstraatkerk, een magere doodbidderachtige man die wel eens op bezoek kwam. Ze waren allebei vreselijk chique. Ze kon erg goed borduren, handwerken en poetsen. Daarom werkte zij het gewijde linnen en brokaat van de Molenstraat bij en poetste eens per jaar de ex-voto’s van de wonderbaarlijke of -dadige Madonna. Dat gaf ons huis iets schrijnachtig gewijds, dat grote stilte in mij verwekte, want ik liep toen altijd als Jezuïet verkleed rond. Welnu, van haar weet ik, dat Rubbens alleen de afleggertjes mocht dragen als hij de mis deed, waaraan, met name van boven, toch niets meer te redden was, omdat zijn haar zo lang en vettig was. Ze liet me de zwart aangeslagen kazuifelgalons ook zien. Ik keek daar altijd naar als ik hem de mis zag doen, ik was gefascineerd door die rollende, olieachtige, zwartgrijze krullen, die wapperden als hij tekeer ging, want hij acteerde (hoe on-Ignatiaans) de mis als een middeleeuws mysteriespel, en het mooiste waren de vele hartelijke, vertederende knipogen, waarmee hij je naar huis zond bij het ‘ite missa est’. Dat was echt uitzwaaien en dag, dag, d-a-a-a-g! roepen. [...]
Wat beantwoordden de Jezuïeten, als je ze zo goed kende als ik, toch weinig aan het stereotiepe beeld dat je van ze hoorde te hebben. Er wàren heerachtige, afstandelijke voluntaristen, maar neem nu de exuberante, gevaarlijke Rubbens en die wanhopig babbelende, recalcitrante Scheerboom. Over Scheerboom zou ik alles willen weten; wie was dat in godsnaam? Wat maakte hem zo getergd? Ken je Loedje Loossen? Doe hem de groeten. Hij was het jongste broertje van Willy, een van mijn vriendjes, hij kwam me elke dag halen (waar is hij gebleven?). En doe Wim Bennink de groeten (hoe is het met zijn heup?) en pater Hulshoff (ook zo’n schat van een man - hij zegt nog altijd ‘onze lieve Heer’, funny and endearing).
Nu ga ik werken. Veel groeten aan Nijmegen (maar Kropholler is ook al bij de wortel geveld, die hadden ze beter kunnen laten staan, i.p.v. het Valkhof te gaan herbouwen. Wat een mesjogge idee! En Karel de Grote heeft niet eens bestaan, zoals die onlangs overleden archivaris afdoende heeft bewezen). [...]’
Paul Begheyn s.j.
verklarende noten:
Scheerboom: Jan Scheerboom SJ (1893-1954), leraar geschiedenis.
Ross: Jan Ros SJ (1900-1968), leraar Grieks.
neef-pater: deze man heb ik niet kunnen identificeren.
Loedje Loossen: Loed Loosen SJ (1931-2005), in 1949 jezuïet geworden.
Wim Bennink: SJ (1920-2000), leraar Nederlands.
Hulshoff: Frans Hulshof SJ (1900-1993), leraar Duits.
Kropholler: Alexander Kropholler was de architect van de kapel van het college, die in 1987 werd gesloopt.
archivaris: Albert Delahaye (1915-1987) poneerde de potsierlijke stelling, dat de vroegste geschiedenis van Nederland zich afspeelde in Noord-Frankrijk.