Een onbekende brief van Ignatius
In februari 2007 bracht kardinaal Jean-Louis Tauran, archivaris van de geheime archieven van het Vaticaan en bibliothecaris van de katholieke Kerk, een bezoek aan het Engels College in Rome om er het archief en de recentelijk gerestaureerde bibliotheek formeel te openen. Bij die gelegenheid sprak hij de gedenkwaardige woorden: ‘Als je goede archieven hebt, als je een goede bibliotheek bezit, dan betekent dit dat je gelooft in je toekomst.’
Met die aanmoediging ben ik op 14 maart 2007 begonnen aan het opnieuw inventariseren van de oudste bestanden in ons provincie-archief: documenten die betrekking hebben op de Oude Sociëteit, dat wil zeggen de periode vóór de opheffing, dus 1540-1773. Het gaat daarbij niet alleen om originele teksten, maar ook om geschreven of getypte afschriften, foto’s en fotokopieën. Met name tegen het einde van de negentiende eeuw zijn enkele Nederlandse jezuïeten lange tijd bezig geweest met het afschrijven van de belangrijkste documenten over de geschiedenis van de jezuïeten in Nederland, die zich bevonden in archieven in Nederland, België en Rome. Vooral de Brabander Antoon van Lommel (1827-1894) heeft zich in dezen zeer verdienstelijk gemaakt. Zodoende is het thans goed mogelijk om in Nijmegen gedegen onderzoek te doen naar de periode van de Hollandse Zending.
Als (voorlopig) nummer 1 van de nieuwe inventaris is een brief van Ignatius geregistreerd, die hij vanuit Rome verzond op 22 april 1551. Het is niet meer dan een fragment, waarop Ignatius eigenhandig heeft geschreven affirmo ut supra Ignatius (ik, Ignatius, bevestig het bovenstaande). Het papier heeft in de loop van de tijd flink te lijden gehad van teveel licht en van zuur karton, waardoor het bruin geworden is. Bovendien is op de vouwen van de brief papier verloren gegaan, waardoor ook stukjes van de tekst verloren zijn gegaan. Op de achterzijde van de forse handtekening van Ignatius zijn enkele regels te lezen, geschreven door zijn secretaris Juan de Polanco. Op basis daarvan blijkt dat de brief betrekking heeft op het tragische conflict, dat er in Portugal was ontstaan rond een van de eerste vaders, Simão Rodrigues. Daarover werd al op 11 april 1551 vanuit Rome naar de verschillende colleges van de Sociëteit een brief gestuurd. De brief in ons Nijmeegse archief, die elf dagen later werd verzonden, staat daarmee in verband. Maar hij komt als zodanig niet voor in het derde van de twaalf delen met de correspondentie van Ignatius, dat in 1905 door de Spaanse jezuïeten werd uitgegeven.
Zoals wel vaker het geval geweest is, heeft deze brief gefunctioneerd als relikwie. Dat blijkt uit een bijschrift op het papier waarop het brieffragment in de zeventiende eeuw werd geplakt. Op 11 december 1686 verklaarde de Utrechtse vicaris Pieter Codde (1648-1710), dat hij de brief gevonden had onder de relikwieën van het jezuïetencollege in Keulen. Hieruit zou geconcludeerd kunnen worden dat de brief van Ignatius gestuurd werd naar de Keulse jezuïeten. Navrant is dat dezelfde Codde, die in 1688 tot apostolisch vicaris werd benoemd en een jaar later tot bisschop werd gewijd, in conflict kwam met de jezuïeten, die hem van jansenisme beschuldigden. In 1702 werd hij door paus Clemens XI geschorst en in 1704 afgezet. Van die tijd dateert de Oud-bisschoppelijke Cleresy naast de Rooms-Katholieke Kerk.
De ignatiaanse brief-reliek heeft lange tijd in het provincialaat in Den Haag aan de muur gehangen, maar is enkele jaren geleden overgebracht naar het archief. Daar wordt het nu zorgvuldig bewaard temidden van tal van andere papieren schatten.
Paul Begheyn s.j.