Jan Toorop en de jezuïeten
Eind 2003 werd er in het Museum Het Valkhof te Nijmegen een prachtige en zeer druk bezochte tentoonstelling gehouden over Jan Toorop (1858-1928) als portrettist. Liefst zeven door hem getekende en geschilderde portretten van jezuïeten werden toen geëxposeerd, waarvan dat van de Amsterdamse kapelaan Chris de Greeve uit 1909 het vroegste was, en dat van Petrus Canisius uit 1925 het laatste. Een jaar later zijn vijf van deze portretten, die deel uitmaken van de kunstcollectie van de Nederlandse jezuïeten, in langdurig bruikleen aan genoemd museum overgedragen, vergezeld van een groot aantal andere tekeningen en gravures. Dit grote bruikleen zal in het voorjaar van 2008 onderdeel uitmaken van een nieuwe tentoonstelling over Toorop in Museum Het Valkhof, waarin onder meer aandacht zal worden geschonken aan de verschillende reproductietechnieken die Toorop bij de verspreiding van zijn kunst hanteerde. Er bestaan plannen om bij die gelegenheid een aparte uitgave te wijden aan de correspondentie van Toorop met de jezuïeten. Ruim zeventig brieven en briefkaarten zijn inmiddels opgespoord, naast 37 kunstwerken die Toorop van jezuïeten maakte of aan hen ten geschenke gaf. Het merendeel van deze correspondentie bevindt zich in ons archief; daarnaast zijn er documenten in de Koninklijke Bibliotheek, het Letterkundig Museum te Den Haag en in de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam.
Van de zeventien jezuïeten (onder wie één Duitser) met wie Jan Toorop contact had, hebben er drie invloed gehad op zijn spirituele ontwikkeling: Charles Raaijmakers (1871-1954) vanaf 1909, Godfried Jonckbloet (1848-1926) vanaf 1918, en Jacques van Ginneken (1877-1945) vanaf 1922. Daarnaast heeft scholastiek Anton Reichling (1898-1986, jezuïet tot 1949) vanaf 1924 vriendschappelijke banden aan-geknoopt met Toorop, die hem in een aantal sessies de geschiedenis van zijn leven dicteerde over de periode 1859-1886.
Twee fragmenten uit brieven van Jan Toorop aan Godfried Jonckbloet, die in 1909 ziek terugkeerde uit Nederlandsch-Indië, kunnen een beeld geven van de relatie tussen deze twee kunstzinnige mannen. Het eerste fragment is afkomstig uit de brief, die Toorop op 19 juni 1921 vanuit Domburg stuurde aan Jonckbloet, die woonde op Da Costastraat 44 in Den Haag. De aanhef luidt: ‘Hoog Eerwaarde, lieve & waarde Vriend’, gevolgd door een lange introductie, waarna de kunstenaar zijn plannen ontvouwt voor een nieuw kunstwerk:
‘Zoo erg graag had ik even vandaag op mijne tentoonstelling willen wandelen om “de Pelgrim” [thans in het Catharijneconvent te Utrecht] weer eens te bekijken, met u samen dan, om over dat werk nog eens breedvoerig te spreken. Ik heb daarin ook een mathematische bouw der hoofdlijnen gevonden, die ik zoo gaarne in mijn aanst. groote teekening zou willen doorzetten. Het is een probleem, dat ik nog niet geheel en al opgelost heb, hoewel goed toegepast op “den Pelgrim”.
Ik heb hier reeds verscheidene kleinere teekeningen & schetsen gemaakt. Allemaal vóórstudiën van het grote werk, dat komen moet, waaraan ik begonnen ben.
Mijne groote hoofdmotieven heb ik reeds te pakken, in kleine teekeningen omlijnd. Het is altijd een toer om over de groei van zoo’n werk te schrijven.
Mijn gedachte motief is ontstaan uit het Evangelie van gep. Zondag 12 Juni “de wonderlijke vischvangst” [Lucas 5, 1-11] - “Steek van wal in volle zee, en werpt uwe netten uit ter vischvangst” -, aangesloten bij een vorig motief: “die geweldige storm” en zware golven van twee weken geleden, die wij hier gehad hebben. Het rijthme van de lijnen in dit golfbeweeg en het wonderlijk orkest van geluiden (vooral als je in den nacht dit alles en alles hoort en in je verwerkt, sopranen, alten, baritons, bassen, fluiten, koper, pauken, violen, orgel, enz. enz. enz. Daar doorheen Simon’s figuur, Johannes en Jacobus in de schuit, de overvolle netten ophalend.) Dit alles geplaatst in de rechterzijde van de teekening. In de linkerzijde op een schuit eveneens visschers, die geen uitkomst weten in den storm, niets vangen, sommigen vergaan, geen resultaten. (Geen mystieke, geen hoogere Schoonheid, die alleen van God komt) In het midden van de teekening draagt de Heilige Maagd het Kindeke Jezus, die wijst op Simon, Jacobus & Johannes. Aan de voet van de Heil. Maagd (links) zit de Schoonheid, die haar borst geeft aan een naar hoogere Schoonheid smachtende visscher (kunstenaar met een lier, waarin de golflijnen rijthmisch in de snaren rollen).
In de lucht rechts en boven de groote lijn van de Heil. Maagd, de massa meeuwen die op de visschen loeren in de netten die Simon, Jacobus & Johannes ophalen. De Figuur van de Heil. Maagd en Kindeke Jezus domineert het geheel, evenals in de Pelgrim de Pelgrimsfiguur het geheel domineert.
Ik zeg u hier maar heel, heel onduidelijk & broddelig het werk dat groeien moet en waaraan ik bezig ben, omdat U mij in uw vorig schrijven vroeg, waaraan ik bezig ben. Het baren is zwaar, vooral met die twee lamme & pijnlijke pootjes van mij [in 1885 had Toorop te Brussel een geslachtsziekte opgelopen, die hem in de loop der jaren het lopen steeds meer zou bemoeilijken], maar de rust geeft hier beweging in dezen arbeid. Als het eenmaal begint dan schiet het wel vlug op.’
Het tweede fragment is uit de brief, die Toorop op 7 januari 1926 verzond van zijn Haagse woonadres, Van Merlenstraat 124. Daarin spreekt hij openhartig over hun beider lichamelijke ongemakken, waaraan hij een diepere betekenis weet te geven:
‘Kerstmis is wel voorbij, hoog eerwaarde, lieve groote vriend, maar ik heb die dagen veel aan U gedacht en voor U gebeden. Mijne beste wenschen heb ik in gedachte U toegezonden. Tevens voeg ik hierbij een zalig nieuwe jaar voor u. Moge dit jaar voor u wezen een jaar van heel heel geringe pijnen, liefst, bid ik voor u, als God ‘t wil, dat u heelemaal lichamelijk niet meer gekweld wordt en dat uw keel en uwe oogen niet erger, maar veel beter moge worden, opdat u op uw zoo hoog gevorderde jaren met Jesus heerlijk en rustig kunt praten en mediteren. Wij moeten ons lijden maar met vreugde dragen, omdat wij door Hem weten, wat ons lijden beteekent. Ik wil wel iets meer pijnen hebben, als ik weet dat Jesus u ook iets minder pijnen wil geven. Hoewel mijne zenuwpijnen in mijn been en elders nog op dit oogenblik alle dagen heel erg zijn, en des nachts mij vele malen wakker maakt, doe ik dit volgaarne voor u, beste, zeereerwaarde lieve vriend. Ik denk nog zoo dikwijls aan die schoone heerlijke uurtjes, toen u zoo vaak bij mij kwam aanloopen en ik zelf nog zoo’n beetje kon kuieren. Als ik tegenwoordig zoo op twee stokken voortsukkel van de stoel van mijn schrijftafel tot de voordeur om in mijn handbeweegwagentje te stappen, is het net of ik van hier naar Scheveningen en terug geloopen heb, en hijg als een hond die den geheelen dag achter een haas geloopen heeft, en die de haas toch nog niet te pakken heeft. Dan denk ik dikwijls nog aan “The Hound of Heaven” van Francis Thom[p]son [Engels dichter, 1859-1907], dat schoone gedicht [uit 1893]. Dan denk ik altijd aan het tegenovergestelde, hoe O.L. Heer (The Hound of Heaven) mij steeds achtervolgt, en als het er op aan komt, dan ben ik te zwak en loop weg. En als ik even weg ben, oh dan verlang ik weer naar Hem, tot Zijn wil geheel en al geschiede in mij. Hij laat mij nog zoo heerlijk arbeiden. Wat verlang ik toch heel erg om U weer eens te zien en te spreken, maar hoe kunnen twee kreupelen elkaar bereiken? Ik had echter zoo vroeg niet kreupel moeten zijn, maar ik ben er nu toch zoo bewust van dat O.L. Heer dit heeft gewild om voor Hem veel te arbeiden en dit alles, in weerwil van alles, voel ik mij vaak meer opgewekt dan heel velen mijner kennissen, die de bacteriën van de wereld opvangen.’
Paul Begheyn s.j.