Het notitieboekje van Antoon van Lommel
Tachtig jaar geleden kreeg de Nederlandse Provincie voor het eerst een archivaris in de persoon van Frans van Hoeck (1873-1956). Deze zoon van een Helmondse apotheker - via zijn moeder Dina Jonckbloet was hij verwant aan de Eindhovense letterkundige Godfried Jonckbloet (1848-1926), van wie Jan Toorop in 1919 een onvergetelijk portret tekende - was na zijn collegejaren te Sittard in 1892 jezuïet geworden. In Katwijk aan den Rijn werd hij surveillant en leraar, en die laatste baan zou hij aan hetzelfde college tussen 1907 en 1915 opnieuw bekleden. Aansluitend doceerde hij tot 1938 aan het college te Nijmegen, waar hij een grote rol speelde rond de heiligverklaring van Petrus Canisius in 1925. Vier jaar tevoren had hij een monografie gepubliceerd over de jezuïeten in Nijmegen op basis van gedegen bronnenonderzoek, en in 1929 volgde een belangwekkende bronneneditie uit het archief van de Raad van Beroerten over de beeldenstorm te Nijmegen. Bij zijn pensionering in 1938 werd Van Hoeck benoemd tot archivaris met standplaats Den Haag, vanwaar hij op last van de bezetter in 1942 moest verhuizen naar Mariëndaal. Ondanks een oogkwaal heeft hij er tot zijn dood een groot aantal artikelen over jezuïeten in Nederland en over Nederlandse jezuïeten elders gepubliceerd, die tot op heden hun dienst bewijzen. In Grave keek een andere bejaarde Brabander, de chique Bosschenaar August Bergé, neer op zijn uit de middenstand afkomstige medebroeder, en kon het niet laten om hem neerbuigend als ‘boerrr’ te betitelen, zoals een van mijn huisgenoten als oorgetuige mij onlangs meedeelde.
Maar wat was de situatie dan vóór 1938? Sinds de stichting van de onafhankelijke Nederlandse Provincie in 1850 werden de archivalia beheerd door de achtereenvolgende socii van de Provinciaal, die kennelijk geen enkele drang voelden om er publicaties aan te wijden. Opmerkelijk genoeg kreeg in 1863 de toen 36-jarige Antoon van Lommel (1827-1894) uit het Noord-Brabantse Terheijden, die in 1849 te Drongen was ingetreden, de opdracht om materiaal te verzamelen ten behoeve van de geschiedschrijving van de Provincie. Dat Van Lommel kwaliteiten had op het vlak van de historische wetenschap, wist de latere katholieke staatsman Herman Schaepman uit eigen ervaring; hij was leerling van de pater geweest in het seminarie van Culemborg. Tussen 1863 en 1866 was Van Lommel bijna dagelijks te vinden in de Koninklijke Bibliotheek of het Rijksarchief te Brussel, waar hij op grote vellen (helaas niet zuurvrij) papier met een kroontjespen duizenden bladzijden kopieerde, die informatie verschaffen over het leven en werken van de jezuïeten in Nederland, en met name in de Hollandse Zending, vóór de opheffing van de Sociëteit in 1773. Een dergelijk monnikenwerk verrichtte hij ook in het aartsbisschoppelijk archief te Mechelen, in archieven en bibliotheken te Rome, en in openbare en privé boekerijen in zijn vaderland.
In de provinciecataloog staat de taak van Antoon van Lommel simpel omschreven als: colligit documenta pro hist. prov. (hij verzamelt documenten ten behoeve van de geschiedenis van de provincie). Het lijkt me een taakomschrijving die in de geschiedenis van onze provincie, en misschien zelfs van de hele Sociëteit, nagenoeg uniek is. Diezelfde woorden bleven achter zijn naam staan, toen hij in 1866 naar Rotterdam verhuisde. Bij zijn verplaatsing naar Den Haag in 1878 en naar Grave in 1888 bleven ze zijn epitheton ornans tot aan zijn dood toe. Een deel van zijn vondsten publiceerde Van Lommel in allerlei tijdschriften in Nederland en België, waarbij hij jammer genoeg nooit zijn oorspronkelijke bronnen vermeldt. Dankzij de afschriften van Antoon van Lommel, die thans in het Nederlands archief berusten, is het mogelijk om - als het ware zonder de deur uit te komen - de geschiedenis van onze voorvaders voor een zeer groot deel op het spoor te komen.
In ons archief bevindt zich een klein notitieboekje, waarin Van Lommel hoofdzakelijk met potlood allerlei aantekeningen maakte betreffende zijn ‘detectivewerk’ in België. Hij noteerde welke akten hij nog had af te schrijven, hield er adressen in bij van contactpersonen, legde vast hoe laat de missen waren in de kerk van Saint Roch (waar het middageten om 12.30 begon), en gaf impressies van bepaalde personen die hij ontmoet had: ‘Reyndere, Gerard, van Utrecht - een sukkelaer -, een oom pastoor te Rossum (Kersten).’
Na de dood van Antoon van Lommel nam Jan Baptist van Meurs (1828-1908) diens taak over. Deze Amsterdamse jezuïet was zeer op zijn taak berekend, omdat hij algemeen archivaris van de Sociëteit was, eerst te Rome tussen 1888 en 1893, en sindsdien tot aan zijn dood te Exaten in Limburg, waar de door de Kulturkampf uit Duitsland verdreven jezuïeten sinds 1872 hun tertiaat hadden gevestigd. In talloze laadjes en mappen in het archief te Nijmegen kan men briefjes en afschriften met de karakteristieke hanepoten van Van Meurs aantreffen, vaak als antwoord op verzoeken van Nederlandse jezuïeten die zich bezig hielden met de geschiedenis. Antoon van Lommel en Jan Baptist van Meurs hebben getweeën een stevig fundament gelegd voor onze geschiedenis.
Paul Begheyn s.j.