Onze toewijding aan God door de belofte om de evangelische raden te volgen, waardoor we op de roeping door God ingegaan zijn, is tegelijk de navolging van Christus, die arm, ongehuwd en gehoorzaam geleefd heeft en de verwerping van de idolen geld, genot, aanzien, macht die de wereld steeds weer geneigd is te aanbidden. Onze armoede en maagdelijkheid en gehoorzaamheid moeten daarvan zichtbaar en werkdadig getuigen en de evangelische mogelijkheid verkondigen van een vorm van gemeenschap tussen mensen, die een voorproef is van het Rijk Gods.
Door ons te binden maken onze religieuze geloften ons tegelijk vrij:
vrij, door de gelofte van armoede, om deel te hebben aan het leven van de armen en om alle middelen waarover we beschikken, niet voor eigen veiligheid en comfort te gebruiken, maar om de anderen te dienen; vrij, door de gelofte van maagdelijkheid, om 'mensenvooranderen' te zijn, in vriendschap en verbondenheid met allen, maar vooral met hen die met ons zijn gezonden om te dienen;
vrij, door de gelofte van gehoorzaamheid, om de roep van Christus te beantwoorden, zoals die tot ons komt via hem die de Geest over de Kerk heeft aangesteld, en om de leiding te volgen van al onze oversten.
Complementaire normen nr. 143