Homilie bij de viering van de laatste geloften van Nikolaas Sintobin, s.j.

Drongen, Ruusbroeckapel, 28 december 2007

Zusters en Broeders,

Beste Nikolaas,

Nadat wij het Evangelie van vandaag, de kindermoord in Betlehem gehoord hebben, waaruit blijkt dat de doorbraak van Gods redding van de mensheid door Zijn Zoon Jezus Christus een oplaaien van het kwaad meebrengt en dus een directe strijd tegen dat kwaad noodzakelijk maakt, willen wij ons nu bezinnen op datgene wat ons samenbrengt: de laatste geloften van ons aller broeder in Christus Nikolaas.

In de Sociëteit van Jezus betekent het uitspreken van de laatste geloften het einde van een lange vorming en de definitieve incorporatie in de orde. De jezuïet die geloften uitspreekt richt zich tot God, die hij met heel zijn wezen en handelen wil eren en dienen, en tot de generaal van de Sociëteit of diens vertegenwoordiger. De verbintenis tegenover God gaat gepaard met een verbintenis tegenover de orde. De geloften zijn existentieel en formeel een erewoord waardoor trouw aan God en trouw aan de orde worden beloofd. Door de geloften die ieder jezuïet afzonderlijk als een hoogst persoonlijk engagement uitspreekt, wordt de religieuze gemeenschap als een levend lichaam opgebouwd tot lof en dienst van God.

De drie geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid slaan op kerngegevens van het menselijk bestaan. De drang naar bezit, de seksuele begeerte en het streven naar zelfbepaling zitten diep in de mens. De wijze waarop wij met die basisdriften omgaan, zal heel onze persoonlijkheid bepalen. Boeiend vind ik dat de weg van de drie religieuze geloften in een heel oude traditie staat, die zelfs aan het christendom voorafgaat. Allang hebben mensen de weldaad ervaren van een vorm van onthechting en discipline die niet neerkomt op een verloochening van het diepst menselijke, maar op uitzuivering en verlevendiging ervan.

Wij zien zoiets bijvoorbeeld bij de filosofische scholen van de Griekse Oudheid. Filosofie was daar niet in de eerste plaats een theoretische aangelegenheid, maar een manier van leven die zij noodzakelijk achtten om überhaupt iets van ‘waarheid’ en ‘waarde’ te kunnen ontdekken. Tot die levenswijze behoorden ascetische oefeningen, het dagelijkse gewetensonderzoek, gemeenschapsleven en gehoorzaamheid aan een meester. Het streefdoel was innerlijke vrijheid tegenover de dwang van uiterlijke, onder andere maatschappelijke omstandigheden, en tegenover aangeboren driften. Die innerlijke vrijheid moest de weg vrij maken voor een ontvankelijker en intenser leven en bij sommigen zelfs voor een mystieke vereniging met het goddelijke.

In het christelijk tijdperk heeft het monachisme zich onder meer naar het voorbeeld van de Griekse filosofische scholen en naar dat van de boeddhistische monniken ontwikkeld. In het eerste millennium van onze tijdrekening gebruikten vele auteurs de benaming ‘christelijke filosofie’ voor het monnikendom. In dat milieu zijn de drie geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid in christelijke zin gegroeid. Het perspectief is hier wat ruimer dan bij de Griekse filosofen: de innerlijke vrijheid werd voortaan nagestreefd omwille van de navolging van Christus. Wat zeker bewaard bleef, is de overtuiging dat ‘kennis van God’ niet mogelijk is zonder de keuze voor een levenswijze die daartoe gunstige omstandigheden schept. De drie geloften voeren de monnik op een weg van onthechting waardoor meer ruimte ontstaat om het Woord van God – Christus zelf dus – in de binnenkamer van zijn ziel te ontmoeten en, als dat hem gegeven wordt, zich in liefdevolle overgave te verenigen met God, de bron van alle minne.

In die traditie staat ook de Sociëteit. Iñigo van Loyola heeft zich tijdens zijn avontuurlijke zwerftochten geestelijk gevoed aan die traditie, door ontmoetingen met religieuzen van verschillende orden en door lectuur en studie. In de Geestelijke Oefeningen zijn daar veelvuldige sporen van te vinden. Opmerkelijk is echter dat Ignatius en zijn eerste gezellen pas tegen het einde van hun jarenlange zoektocht volop voor de weg van de religieuze geloften gekozen hebben. Hun bekommernis vanaf het begin gold naast de glorie van God ook het heil van de zielen. Zij waren apostolisch gedreven. Zij wilden de wijde wereld in om daar getuigen te zijn van Gods liefdevolle toenadering tot de mensen, die vaak ten gevolge van het kwaad verborgen blijft. Die inzet moest volop kunnen gebeuren, onbelemmerd door urenlange koorgebeden en andere kloosterlijke regels. Dat Ignatius en zijn eerste gezellen uiteindelijk toch tot de stichting van een orde overgingen, heeft te maken met de funderende rol van de geloften, waar ik al even op gewezen heb: door de geloften wordt een groep van geëngageerde individuen tot gemeenschap opgebouwd, om als één lichaam God te eren en te dienen. De nieuwigheid van het kleine gezelschap rond Ignatius – de minima Societas – lag echter hierin dat zij op basis van hun zonet beschreven apostolische verlangen de doelstelling van het traditionele religieus leven opengooide in de richting van de wereld: geloftebeleving werd door hen gezien als een middel om ook voor de dienst aan de medemensen geschikter en meer beschikbaar te zijn. De gangbare doelstellingen van de geloften – innerlijke vrijheid, ruimte scheppen om God te leren kennen en te beminnen, om met God en Gods wegen vertrouwd te raken (familiaritas cum Deo) – bleven daarbij uitdrukkelijk bewaard. In de Formula Instituti wordt de zijnswijze van de Sociëteit beschreven als ‘een weg om naar God toe te gaan’. De innerlijke vrijheid werd echter voortaan tegelijk een voorwaarde voor de apostolische zending. Als mensen zijn wij immers vaak geneigd onszelf (en onze eigen voorstellingen, onze plannen,…) op te dringen aan hen die wij beweren te helpen. ‘Als een apostel omwille van het heil van de naasten gezonden worden’ veronderstelt echter dat men loskomt van zichzelf en God dient waar Hij wil, en ook zoals Hij gediend wil worden.

Juist om de apostolische ijver van de jezuïeten, dé nieuwigheid van hun orde, zuiver te houden, en daardoor ook in overeenstemming met de eeuwenoude ‘gerichtheid op God’ van het religieus leven, heeft de jonge Sociëteit aan de drie traditionele een vierde gelofte toegevoegd: de gelofte aan de Paus circa missionem. Door die gelofte zullen de jezuïeten vrijer staan tegenover hun eigen impulsen en met grotere zekerheid weten dat zij zich werkelijk door Gods Geest laten leiden, aldus de reeds aangehaalde Formula Instituti. Zij bepalen immers niet zelf waarheen zij gaan noch wat zij doen, zij laten zich zenden door de Paus, die Christus vertegenwoordigt, of door hun oversten, die dezelfde rol vervult.

De nadruk op de gehoorzaamheid binnen de orde en de vierde gelofte van gehoorzaamheid tegenover de paus zijn een noodzakelijke aanvulling van de drie traditionele geloften voor een religieus die de wijde wereld als klooster krijgt en die midden in die wereld het heil van zijn medemensen wil dienen. Want de jezuïet blijft qua levensstaat een religieus, iemand die geroepen is tot een godgewijd leven, en dat veronderstelt dat hij, zoals de monniken, onthechting beoefent en zijn leven zo inricht dat daarbinnen godservaring, kennis van God en vereniging met God mogelijk worden. De geloften zijn middelen om een dergelijke levenswijze te structureren, met heel concrete gevolgen in het dagelijks leven. Zij schragen een jezuïetenbestaan dat ook in de dienst aan de naaste helemaal op God gericht blijft, dat ‘God in alles zoekt’, ‘God in alle schepselen bemint en alle schepselen liefheeft in Hem, overeenkomstig Zijn allerheiligste en goddelijke wil’ (Const. [288]).

De huidige maatschappij maakt de trouwe beleving van geloften niet gemakkelijk. Ze maakt ze misschien wel des te relevanter en noodzakelijker. De weg van de geloften is niet de enige om God te vinden en anderen te dienen. Maar als de mensheid al eeuwen lang ervaren heeft dat het voor een samenleving een weldaad is als daarin enkele mensen zich tot deze bijzondere vorm van leven geroepen weten, waarom zou dat dan tegenwoordig minder waar zijn?  Het religieus leven in de jezuïetenorde zal echter maar door anderen als een welkome gave aan Kerk en maatschappij kunnen worden ervaren op voorwaarde dat de jezuïeten zelf de nederigheid van de minima Societas bewaren, het besef een geringe plaats in te nemen, die van een dienaar.

Nikolaas gaat straks na het ‘Lam Gods’, bij de communie, voor de opgeheven hostie zijn geloften uitspreken in deze Ruusbroeckapel, als lid van de Hurtadogemeenschap, op de veertigste verjaardag van het tragisch overlijden van onze medebroeder Gied Van Broeckhoven. Daarmee zijn meteen drie namen genoemd van voorgangers die reeds deelnemen aan het hemelse hof waar de gelofteformule straks naar zal verwijzen. Ruusbroec, Alberto Hurtado en Gied Van Broeckhoven, nota bene een priester-arbeider die Ruusbroec las en zichzelf ‘kartuizer-jezuïet’ noemde, zijn alle drie godzoekers geweest. Ook waren zij alle drie bedacht op het heil van hun medemensen, met wie zij de rijkdom van hun persoonlijke geestelijke ervaring wilden delen. Alles hadden zij van God gekregen, alles gaven zij Hem terug, alles deelden zij met hun medemensen opdat die op hun beurt aangetrokken zouden worden door Gods mysterievolle nabijheid. Het samenvloeien van wat deze namen betekenen, op deze plek, in dit uur, moge een blijk zijn van Gods genade voor ons allen hier, en vooral voor Nikolaas.

Laten wij nu even met hem en voor hem God onze Heer en Meester in stilte danken, en tot Hem bidden op voorspraak van de heiligen en zaligen die ons zijn voorgegaan.

AMEN

Jan Koenot sj

Provinciale Overste Vlaamse jezuïeten

Nikolaas Sintobin sj >>
Leo De Weerdt sj >>