Homilie bij de geloftenviering van Toon Cavens sj en Stefan Garcia sj

8 september 2007

Rom. 8, 28-30

Later in deze mis zullen jullie en ik getuigen zijn van een bijzonder gebeuren.  Knielend voor het altaar, onmiddellijk voor de communie, zal eerst Toon en daarna Stefan, hun eerste geloften afleggen van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid ”aan de almachtige God, voor de heilige maagd Maria en het hele hemelse hof”.

Voor de meeste mensen houdt wat zij gaan doen geen steek. Want wat, zoals we allen wel goed zullen begrijpen, voor de meeste mensen is wat de wereld doet draaien en wat het leven zin geeft het hebben van materiele bezittingen, vrijheid uitoefenen en intimiteit genieten met een andere mens.

Dwang kan amper verklaren wat deze twee mannen zullen doen; immers de deuren staan open en de ramen zijn niet gesloten. Ook het loon niet; het is barslecht.  En de kwaliteit van het voedsel is op zijn best onzeker! Meer nog, we weten uit goede bron dat, na veel testen, beiden in een goede geestestoestand bevonden zijn, en in volledig bezit van hun vermogens.

Enkel liefde kan dit begrijpen; dit uit handen geven van alles, dit genereus geven van eigen leven opdat anderen leven zouden vinden. Niet liefde als abstractie, maar een liefde die misschien aan de onderkant van haar voet het stro van de stal gevoeld heeft en zelfs de baby uit de kribbe geheven heeft; een liefde geroepen en gehoord, een liefde gezien en gesproken, een liefde gevoeld en ervaren. Enkel zo’n liefde kan dit begrijpen.

Twee jaar geleden waren John Dardis sj, Jan Koenot sj en ikzelf samen op een bijzondere plaats. Onze pater Generaal had een ontmoeting samengeroepen van alle hogere oversten van de Sociëteit van Jezus. Zo’n honderd provinciaals en regionale oversten verzamelden zich in Loyola in het noorden van Spanje, de plaats waar we allemaal begonnen zijn.

Sommigen van jullie kennen die plaats reeds en anderen zullen ze ongetwijfeld leren kennen. We waren gelogeerd in een retraitehuis dat gebouwd was in de 19e eeuwse monumentale stijl. Het is verbonden door een brug met de oudere jezuïetencommuniteit, gebouwd omheen het versterkte middeleeuwse huis van de Loyola familie, waarin er nu een kapel is, de kamer waarin we allen begonnen zijn.

Ik herinner me dat het in die kapel was dat we elke avond gedurende het congres verzamelden voor een tijd van stil gebed voor het Heilig Sacrament. Onze ogen konden niet anders dan naar rechts afdwalen, naar een beeld dat de man en het moment moest gedenken waarop we allen begonnen zijn.

De invalide Ignatius staat er op uit zijn zetel en boven zijn hoofd zijn de woorden geschreven: Aqui se entregó a Dios Iñigo de Loyola, “hier gaf Iñigo van Loyola zich over aan God”. Enkel een liefde geroepen en gehoord, een liefde gezien en gesproken, een liefde gevoeld en ervaren kan dit uitleggen! Meer nog, in dat beeld zien we hoe Ignatius’ ogen gefixeerd zijn op de bron van die liefde.  

Onze eerste lezing eerder in deze mis was genomen uit dat deel van het achtste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen waarin Paulus zijn best doet om het belang van Jezus duidelijk te maken aan zijn lezers. Veel eerder dan een “te nemen of te laten” is Jezus het “geheel en alles zijn” van iedereen. In deze enkele zinnen van dat hoofdstuk dat we hoorden stelt hij het als volgt. De volledige schepping, zegt Paulus, is gecentreerd op Jezus. Hij is het persoonlijke einddoel van ons allen; in Hem zien we de persoon die elk van ons geroepen is te zijn.

Zoals paus Benedictus XVI het zo mooi zegt,”enkel wanneer we de levende God in Christus ontmoeten, weten we wat het leven is… er is niets mooiers dan verrast te zijn door het evangelie, door de ontmoeting met Christus. Er is niets mooiers dan Hem te kennen, dan met anderen te spreken over onze vriendschap met Hem… een dienst van vreugde, tot Gods vreugde die verlangt om in deze wereld te komen”.

Dit is de liefde geroepen en gehoord, een liefde gezien en gesproken, een liefde gevoeld en ervaren. Zelfs dan nog vervult de gedachte om alles uit handen te geven, om alles weg te geven, me meer dan een beetje met angst en misschien geldt dit ook voor jullie.

Precies op deze dag, meer dan dertig jaar geleden, trad ik het noviciaat binnen en was ik aanwezig in de viering toen de toenmalige pater Provinciaal, die met zijn 1m90 over ons heen torende, ons uitlegde dat hij een probleem had met de tekst van de formule van de geloften, alvast op één plaats - wat betekende dat hij een probleem had met de heilige Ignatius zelf. Het is niet, zei hij (en ik ben ermee akkoord), Gods “voldoende” genade die ons helpt, maar Gods “overvloeiende” genade. Waarom? Omdat Gods goedheid enkel maar overmatig kan komen.

Een liefde gezien en gesproken, een liefde gevoeld en ervaren zal jullie beiden volgen en zelfs nog vaker voorgaan. Jullie zullen Hem ontmoeten in jullie duisternis en met Hem wandelen in jullie eenzaamheid. Jullie zullen Hem horen in jullie gebed en Hem zien in jullie broeders en mogelijk nog meer in de gezichten van de daklozen, de vluchtelingen en de verworpenen, de armen die wij jezuïeten speciaal geroepen zijn om te vergezellen, eenvoudigweg omdat Jezus hen ook vergezelde.

Op deze manier zal het gezelschap van Jezus, de vriendschap van Diegene die voor ons alles is, steeds meer en meer een realiteit in ons leven worden, zoals het was in het leven van de heilige. Ignatius. Zo kunnen we zeker zijn dat, net zoals Hij jullie de genade gegeven heeft om te verlangen om het aan te bieden, hij jullie beiden ook de voldoende, meer nog de overmatige genade zal geven om het te volbrengen.

Michael Holman SJ


IHS