Frans Cromphout (1924-2003)
|
-
- God, die mensen altijd weer op weg zet
- naar de toekomst, naar het onbekende,
- Beloof ons geen ongestoorde levensreis.
- Beloof ons dat Gij onze verwachtingen
- zult doen uitkomen op uw tijd.
- Beloof ons dat Gij op ons zult wachten
- aan elke overkant van ons leven.
-
Als de stormwind van uw Geest opsteekt
- over de mensen in uw boot, uw kerk,
- zullen de zeilen zwellen.
- En wij, uw ontmoedigde, uw ingeslapen kerk,
- we zullen wakker worden
- en koers zetten naar de overkant,
- naar het nieuwe en onbekende
- waar Gij ons vandaag verwacht,
- Om ook nu, met ons, nieuwe dingen te beginnen.
- We zullen elkaar in nieuwe talen
- nieuwe moed inspreken,
- bevrijd van vrees en verslagenheid,
- als de stormwind van uw Geest opsteekt
- over uw mannen in de boot.
-
Wij zoeken u, God,
- zoals iemand naar woorden zoekt
- voor wat onzegbaar is.
- Als wij het diepste geheim uitspreken
- dat ons ter harte gaat,
- noemen wij dan niet uw naam?
- Als wij voor u zwijgen,
- omdat wij geen woorden vinden,
- komt gij dan niet in ons aan het woord?
- God, die ons zo vreemd bent
- en zo vertrouwd,
- dichter bij ons
- dan wij bij onszelf zijn,
- maak ons aandachtig
- voor uw aanwezigheid.
-
- God, die meer verlangt ons te helpen
- dan wij verlangen geholpen te worden,
- gij ziet hoe wij verlamd neerliggen,
- hoe traag wij zijn om het goede te doen.
- Richt ons op
- en wek in ons de kracht
- om uw weg te gaan.
- Geef dat wij elkaar
- bemoedigen en steunen
- en door elkaar tot u naderen,
- levende God,
- die tot ons gekomen zijt
- in Jezus Christus, onze Heer.
-
-
- Zing zacht,
- zing voor je uit.
- Bezing de dingen
- die goed voor jou zijn geweest.
- Zing de zon en de regenwolk,
- zing de namen van de bloemen,
- ogentroost en ereprijs,
- zing het water en de wijn
- en zing het brood
- zevenmaal.
- Zing de namen van de mensen.
- Zing moeder, vader, zus en broer,
- goede buur en verre vriend.
- Zing jezelf.
- Zing jezelf in slaap.
- En hoor de engel zingen.
-
-
- Voorjaarslicht, bleke zon tussen lege takken
- elk begin is aarzelend en ongewis
- leer ons geduldig te zijn
- en te hopen op wat nog niet zichtbaar is.
- Zomerlicht, dat als vuur is
- vuur, aan de liefde verwant
- wek in ons het verlangen
- om ons te geven aan het leven,
- en te branden, maar niet te verteren.
- Leer ons de behoedzame liefde
- die vriendschap heet.
- Najaarslicht, dat de wereld kleurt
- in de boom wachten de vruchten
- zeg ons dat we, werkend en dienend,
- rijpe vruchten zullen dragen.
- Winterlicht, schaars, kortstondig en kil,
- als de donkere dagen komen
- en ons hart bang en eenzaam is,
- maak ons sterk in de pijn
- en bestand tegen mislukking en ontgoocheling
-
-
-
- God, van u is alles taal en teken.
- En in alles schijnt Gij
- als het ene, veelvoudige,
- veelvoudige, ene licht.
-
-
-
- Elke dag, ieder uur, ieder ding
- kan een teken worden van u.
- Het licht van morgen en avond
- vertelt ons dat we ons mogen toevertrouwen
- aan de dagen die komen en gaan.
- De dingen die vergankelijk zijn
- en die ons daarom zo lief zijn,
- de bloemen, de mooie liedjes,
- het vuur en de lach,
- zeggen ons dat we wijs moeten omgaan
- met de tijd die ons is gegeven.
- Troost ons, kortstondige mensen,
- troost ons met dingen,
- omring ons met dingen
- waarin en waarachter Gij u verbergt.
-
-
-
- Altijd zal er morgen en avond zijn,
- zomer en winter, zaaitijd en oogsttijd.
- Altijd volgen de zon, de maan en de sterren
- hun bestendige baan.
- Altijd zijt Gij voor ons
- een betrouwbare God.
- Zet uw regenboog in de wolken
- als teken van uw verbond
- met mensen en dieren, met de hele aarde.
- Geef ons te kunnen leven
- in verbondenheid met alles wat leeft.
-
-
-
- Heb de avonden hef,
- het wijkende licht,
- de rust van je handen en van je geest.
- Heb het zwijgen lief
- en ontdek de geheimen
- waar geen woorden voor zijn.
- Wat de dag heeft gezaaid,
- het doen en het spreken,
- bedek dat met nacht,
- koester het onder de herfstblaren
- van je zwijgen.
- Eens zal het vrucht worden
- op zijn tijd.
- Heb de eenzaamheid lief.
- Ze hoeft niet leeg te zijn,
- ze is de schaal, gevuld met herinneringen.
- Heb de slaap lief,
- de nacht en de droom,
- de uren van het verborgen rijpen.
- Ga niet terug
- naar de dag met zijn werk,
- naar de mensen met hun woorden,
- vóór je die liefde hebt geleerd.
-
-
-
-
-
- Leer ons bescheiden te zijn
- en niet alles te wensen,
- niet altijd meester te willen zijn,
- niet over alles te willen beschikken,
- nu, meteen.
- Leer ons dat alles zijn uur heeft
- en dat groei niet verhaast kan worden.
- Leer ons geloven
- in de genade van ieder seizoen:
- bloesemtijd, groeitijd, oogsttijd.
- Leer ons vooral te geloven
- in de genade van de wintertijd,
- waarin niets schijnt te gebeuren
- en alles al begint.
-
-
-
- De jaren ons gegeven,
- tijd van leven,
- van werk en spel,
- van succes en mislukking,
- alles wat voorbij is,
- de mens die we geworden zijn:
- zegen dat alles, God, zegen lief en leed.
- De jaren die komen,
- het nieuwe, het onbekende,
- dat we verlangen en vrezen,
- de mens die we hopen te worden:
- zegen dat alles. God,
- dat we het huis van onze toekomst
- bouwen op de rots.
-
- De tijd van nu,
- déze dag tussen gisteren en morgen,
- dit nuchtere nu,
- de taak, verveling misschien
- en tegenzin,
- de mens die we nu zijn
- zegen dat alles, God,
- dat we tevreden kunnen zijn
- met deze doodgewone dag.
-
-
-
-
- Stem ons af, God, op uw tijd.
- Niet op de eeuwen
- waarmee Gij geacht wordt te rekenen,
- niet op duizend jaren
- die voor u zijn als één dag.
- Leer ons leven
- op het ritme van de zeven dagen,
- dat Gij zelf hebt vastgelegd.
- Dat wij ons toevertrouwen aan de tijd
- die verrassingen in zich bergt,
- de tijd als een langzaam ontluikende bloem,
- als een moederschoot
- die nieuw leven draagt.
- We hoeven niet te weten
- hoe het zaad ontkiemt en opschiet,
- of wanneer de oogst rijp zal zijn.
- Wek in ons het vertrouwen
- dat de goede grond zal opnemen
- wat wij zaaien,
- dat zon en regen het zaad zullen koesteren.
- We hoeven het niet te weten,
- maar we mogen hopen op de goede afloop
- van wat wij met u begonnen zijn
- en Gij met ons.
-
-
-
-
- Elke dag, ieder uur, ieder ding
- kan een teken worden van u.
- Het licht van morgen en avond
- vertelt ons dat we ons mogen toevertrouwen
- aan de dagen die komen en gaan.
- De dingen die vergankelijk zijn
- en die ons daarom zo lief zijn,
- de bloemen, de mooie liedjes, het vuur en de lach,
- zeggen ons dat we wijs moeten omgaan
- met de tijd die ons is gegeven.
- Troost ons, kortstondige mensen,
- troost ons met dingen,
- omring ons met dingen
- waarin en waarachter Gij u verbergt.
- Altijd zal er morgen en avond zijn,
- zomer en winter, zaaitijd en oogsttijd.
- Altijd volgen de zon, de maan en de sterren
- hun bestendige baan.
- Altijd zij t Gij voor ons
- een betrouwbare God.
- Zet uw regenboog in de wolken
- als teken van uw verbond
- met mensen en dieren, met de hele aarde.
- Geef ons te kunnen leven
- in verbondenheid met alles wat leeft.
| |