Ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig priesterjubileum van Jan Stuyt verscheen er een keuze uit diens artikelen, reisbrieven en preken, samengesteld door Irving Pardoen, maar blijkens de ik-vorm door hemzelf ingeleid. In zes hoofdstukken trekt Stuyts leven als jezuïet aan de lezer voorbij. Een belangrijk deel daarvan heeft hij doorgebracht in ontwikkelingslanden en probleemgebieden: zijn tertiaat bracht hij door op de Filippijnen, vervolgens was hij in Maleisië en werkte hij voor de Jesuit Refugee Service in Hongkong en Macau, in Zagreb en Sarajevo, in 2002 was hij voor een sabbatsjaar in China, Thailand en Libanon. Zijn werk in deze landen wordt weerspiegeld in rondzendbrieven die hij in deze jaren heeft verstuurd. Een aantal daarvan is in deze bundel opgenomen. De brieven worden gekenmerkt door een bijzonder oog voor individuele personen, waardoor zijn betrokkenheid en de spiritualiteit die hij daaraan ontleent goed wordt overgedragen aan de lezer.
Het eerste hoofdstuk is gewijd aan zijn eerste jaren als jezuïet. We vinden hier een mooi artikel uit 1990 over de gebedsschool van Ignatius, een interview uit 1988 bij zijn vertrekuit Wijk aan Zee en een zeer persoonlijke impressie van zijn ontmoetingen met de toenmalige algemene overste Pedro Arrupe. Daarin een hele mooie passage over de reactie van net als hij in Rome verblijvende jonge jezuïeten op de desavouering van diens bestuur door de paus in 1981. Zij brachten hem een aubade: ‘We zongen goed die middag. Het was echt verdomd mooi (…) wat konden we anders dan mooi zingen voor de oude baas, onze oude pater generaal …’ Een hoofdstuk is verder gewijd aan zijn rectoraat van de Krijtberg (2001-2006): een dagboek, een kerstpreek en “vragen aan de pastoor”: wat je als dienstdoende priester al niet gevraagd kan worden.
Een gemis door het boek heen is in ieder geval voor mij als historicus een heldere datering in bijvoorbeeld de inleidende stukjes. Stuyts geboortejaar komen wij niet te weten en valt ook niet te reconstrueren (hoeveel jaren kosten ‘drie verschillende middelbare scholen’?) en in welk jaar hij nu waar precies vandaan schrijft, is ook niet altijd duidelijk. De lezer die dit op een rijtje wil krijgen, moet pen en papier bij de hand houden om uit verdwaalde jaartallen en aanwijzingen als ‘drie jaar later’ of ‘het jaar daarop’ een en ander ongeveer af te leiden. In mei 2008 interviewde Gert-Jan van den Bergh hem over zijn leven tot nu toe. Twee uitspraken vielen mij daarin op: de identificatie met de orde (‘dat zijn opmerkingen van buitenstaanders waarin de orde zich niet herkent’) en verderop: ‘Ik ben nu eenmaal een “people’s person”.’ Dit laatste mag wel de rode draad van de bundel heten: Stuyt laat zich kennen als een echte ‘mensenmens’.
Lodewijk Winkeler