Egied Van Broeckhoven sj

Terug

34 jaar oud vond Egied Van Broeckhoven sj op 28 december 1967 de dood in de fabriek waar hij als priester-arbeider werkte. Welke Stem heeft hij gehoord, welke weg is hij gegaan?

Egied, - met roepnaam ‘Gied’ – werd geboren in Antwerpen in 1933. Zijn moeder stierf toen hij nog maar enkele dagen oud was. Wat betekent dat voor een kind? Een diep verborgen, nooit uitgesproken leed, dat wellicht aan de oorsprong lag van zijn soms weemoedige blik, en zeker van zijn spontaan aanvoelen van menselijk leed. Gied is altijd heel dankbaar geweest voor de liefde van zijn pleegouders die zich nooit tussen hem en zijn moeder hebben geplaatst.

Vanaf 1958 hield hij een ‘geestelijk dagboek’ bij waarin hij optekende wat hij zijn ‘inzichten, verlangens en ervaringen noemt. Het is het verhaal van zijn dagelijkse leven, treffend door zijn diepte én zijn eenvoud, in een taal die doet denken aan een ongeslepen diamant.

Over de tijd voor zijn intrede in de jezuïetenorde in 1950 vinden we slechts één enkele verwijzing:“Ik had een zeer diep en zuiver en echt heimwee naar God. Ik verloor me in God, zoals ik het vroeger nog deed, als de mysterieuze aantrekkelijke God aan wie men alles kan opofferen. Het was het gebed van de avonden in het bos van Schilde, van mijn intiemste verlangens op het college. “

Dit heimwee ligt aan de basis van zijn opwindende, ononderbroken zoektocht naar God. Gied speelt zelfs met de gedachte kartuizer te worden:“God trok me naar zich in mijn gebed op een onvergetelijke wijze. Het deed me natuurlijk denken aan het kartuizersleven: ik ervoer dat ik daar zo gelukkig zou zijn door daarin alles te vinden.”

Maar toen hij in 1964 priester werd gewijd stond zijn latere levensoriëntatie vast:“God heeft me laten inzien dat mijn verlangen om totaliter voor Hem te leven niet moet gerealiseerd worden in de eenzaamheid en de onthechting van een Kartuizerij,maar in het gaan naar de mensen die het verst van God verwijderd leven, dat is voormij het contemplatieve milieu dat God me schijnt aan te wijzen.”

In 1965 vestigde hij zich, samen met twee medebroeders, in een arme volksbuurt – tevens migrantenbuurt – in Anderlecht (Brussel), in de omgeving van het Zuidstation. Het werden echte wittebroodsjaren. Door de brievenbus van de woonruimte die vroeger winkel was geweest, keken kinderen met grote verbaasde ogen naar binnen. Het was de tijd van echte vriendschappen in de buurt en op het werk. Er was de ontdekking van het arbeidsmilieu en het enthousiasme van al wat nieuw is:“Zelfs als ik kon kiezen tussen het brandende braambos (Exodus 3) en Brussel, ik zou Brussel kiezen.”

Maar die realiteit is ook hard. In zijn dagboek wisselen gevoelens van dankbaarheid af met de zwaarte van het arbeidersleven en de fabriek. Hij deelt er het leven van zijn kameraden, hun noden, hun werk, hun werkverlies, hun zoeken naar een betere woning, hun koude op het bedrijf, hun gevaren…hun dood: “20 man ontslagen, ik ook. Ik was blij dat ik geen uitzondering maakte. Van iedereen afscheid nemen. Laatste handdruk.”Gied vond opnieuw werk in een grote ijzerfabriek. Maar ook hier gaat het er niet veiliger aan toe: “Twee zware bijna dodelijke ongevallen. Minstens om de veertien dagen een accident!”

Het is oktober 1967. In het dagboek verschijnt iets als een vaag voorgevoel van wat komen gaat. “Als ik hier nog lang blijf, kan het vroeg of laat mijn leven kosten” bekende hij eens. Maar hij besliste te blijven: “Ik zou niet graag anders worden behandeld dan mijn kameraden”.

Het wordt 28 december 1967. Samen met Georges, zijn werkmaat van de laatste maanden, was hij aangeduid om metalen platen van zes bij anderhalve meter op te vangen. Op dat ogenblik brak een van de steunpilaren en het hele pak, met een gewicht van verschillende duizenden kilo’s viel omver. Gied was op slag dood. Hij stierf de armen wijd over de platen geopend. Hij was juist 34 geworden. Het was ook de sterfdag van zijn moeder…

“Dit is de weg, volg hem, waarheen hij u ook leidt”. Zelf kon hij zijn leven slechts ‘besteden’, door zijn dood heeft hij het ook ‘gegeven’.

In 1970 werd het dagboek van Egied uitgegeven. In 2007 verscheen een bloemlezing uit dit dagboek.