Mark Rotsaert sj

Terug

In gesprek met Mark Rotsaert sj

Jonge medebroeders vormen, u deed het geruime tijd?

Novicemeester zijn was voor mij een heerlijke tijd. Daar heb ik het meest van genoten. Als assistent ging ik al mee naar Lyon met de tweedejaars tijdens hun studie-experiment. We verbleven er elk jaar vier maanden in het Franse noviciaat. Het was een boeiende maar niet altijd eenvoudige tijd. De jonge medebroeders werden geconfronteerd met de vraag: ‘Hoe kan een intellectueel apostolaat – zoals bij voorbeeld het lesgeven in theologie – zin geven aan iemands leven in de Sociëteit?’ Hier in Vlaanderen volgden de novicen twee dagen per week in Heverlee het GNW (Gemeenschappelijke Noviciaats Werking). Het was een meer dan gewoon programma voor novicen. Ook andere congregaties deden mee. Het bevestigde de novicen in hun keuze. Het was een goede voorbereiding om in Vlaanderen te gaan werken. Novicemeester zijn is een kans om door te geven waarvan je zelf leeft. Jonge mensen zijn open. Het is een uitdaging om met hen te werken. Wie in de Sociëteit gebleven zijn, zijn allen met spiritualiteit bezig gebleven.

Goede vorming is nodig?

Een stevige mens zijn, is vandaag nodig. Jezuïeten moeten zelfstandig voort kunnen en tegelijk in staat zijn om in een team te werken. Maar vooral, een jezuïet is iemand die door Jezus Christus gegrepen is. Hij gaat behoren tot de Sociëteit van ‘Jezus’. Jezuïeten zijn mensen die zich laten raken enerzijds door Jezus en zijn goede boodschap, en anderzijds door het mooie om hen heen en door de zorgen en problemen waarmee mensen leven. Zij laten zich raken door mensen in nood en vragen zich af: ‘Wie is de arme in mijn leven?’ Jezuïeten zijn mensen die tot liefde in staat zijn. Dit is toch de kern van de maagdelijkheid: zo van mensen houden dat ze iets kunnen proeven van Gods liefde tot hen.

Vroeg heeft u de smaak te pakken gekregen voor spiritualiteit en voor de Geestelijke Oefeningen?
De smaak voor de Ignatiaanse spiritualiteit stamt van mijn tweede jaar noviciaat. Ik ben Romaanse filologie gaan studeren, Spaans, en zo kon ik de basisteksten van Ignatius bestuderen. Tijdens mijn theologie heb ik me dan meer toegelegd op de inhoud. Waar ligt de eigenheid van Ignatius in de Geestelijke Oefeningen? Een boek dat me toen beïnvloedde was van François Varillon: Beauté du monde et souffrance des hommes. Daarin vooral het vijfde hoofdstuk: ‘Le jésuite est d’abord l’homme des exercices’.

U was in Vlaanderen de eerste die begon met de persoonlijk begeleide retraites?

Ja, in ’78 begonnen we ermee in Godsheide. Tevens werd het team vervrouwelijkt, een zuster, Mia D’Huys en een moeder met kinderen, Mary Blickman, deden de ommekeer naar de vrouwelijke begeleiding kantelen. Nieuw was ook dat we elke dag tijdens de oefeningen een uur samen gebeden hebben. Daar werd het team nog het meest gevormd, en de retraitanten ontdekten dat jezuïeten ook mensen van gebed zijn! We hielden het ook bijna dertig jaar vol om in een zogenaamd seminarie samen te komen. Jan Vanneste, Piet van Breemen en anderen namen er aan deel. We bestudeerden grote auteurs: G. Cusson, W. Peters, A. Lefrank, J. Tetlow, M. Ivans en anderen.

U werd tweemaal provinciaal?

Ja, wat me moeilijk viel, om nog even op de spiritualiteit verder te gaan, was dat ik in Brussel de bibliotheek van Godsheide miste. Na de eerste periode provinciaal maakte ik een nieuwe vertaling van de Geestelijke Oefeningen met Luc Geysels als taalkenner terzijde. Weet u, elke verbetering die hij aanbracht, was een vereenvoudiging. Als provinciaal werd ik telkens opnieuw getroffen door het vertrouwen dat medebroeders je geven, maar tegelijk dat een keure van medewerkers altijd paraat staat om je helpen met hun expertise.

Europa ligt u nauw aan het hart?

Er zit Europees bloed in mijn aderen. Ik ben een overtuigd Europeaan. Als provinciaal kwam ik veelvuldig met Europa in contact. Europa heeft een eigen model aan de wereld te bieden. We baten dit te weinig uit. De ‘founding fathers’ na de tweede wereldoorlog streefden naar verzoening door solidariteit. Met de EGKS, de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal, maakten zij van potentiële wapens een weg naar vrede. Ook dienen wij ons in te zetten voor ons eigen model als christenen binnen Europa.

En als jezuïeten in Europa? U werd voorzitter van de CEP (Conferentie van Europese Provinciaals)?

Het was een vraag van de toenmalige algemene overste Pedro Arrupe in de jaren 70 van vorige eeuw: ‘Hoe kunnen wij de Europese ambtenaren in Brussel helpen? Uit die vraag zijn enkele gemeenschappelijke werken ontstaan, zoals de Foyer Catholique Européen, het onderwijs in de katholieke godsdienst in de Europese scholen, de Kapel van de Verrijzenis te midden de Europese Instellingen, enz. Het is de taak van de voorzitter om mensen en provincies te doen samenwerken. Tien jaar lang heb ik dit mogen doen. Een uitdaging was het wel! Het is een langzaam maar zeker proces. Je tracht daarbij te overtuigen zonder op te geven. De mentaliteit is ondertussen positiever geworden. Gegeven dat er minder jezuïeten zijn, dien je meer en meer samen te werken. Er was veel vrees tegen het ‘dicteren van Brussel’. Wat kan helpen? Goede projecten van samenwerking binnen Europa. Rond migratie, rond de vormingshuizen. Tekenend is: onze medebroeders worden meer en meer in Europa gevormd en minder in de eigen provincie. Was het moeilijk om uit de verschillende Europese provincies medebroeders naar Brussel te krijgen, dan zijn de provinciaals daar nu meer toe bereid. Er zijn zoveel uitdagingen die niet door één model kunnen worden opgelost. Europa moet eigen oplossingen vinden.

U bent nu vijftig jaar jezuïet?

Hoe meer jezuïeten ik ken, hoe gelukkiger ik in de Sociëteit ben.

Recent bent u assistent van de algemene overste geworden?

Ik merk hoe er een verschuiving van zwaartepunt binnen de Sociëteit plaats vindt van Europa naar Afrika en Azië. Wat niet betekent dat Europa niet meer meetelt. Neen, wij hebben veel te geven, maar ook te ontvangen. Onze vraag is: wat kan onze speciale taak zijn binnen die wereldsociëteit?

U wordt tevens overste van de communiteit van de Gregoriaanse universiteit in Rome?

Gelukkig ken ik reeds 35 profs van dit 75 leden tellend corps. Het wordt een samenleven met verschillende culturen. Wonen in Rome zal me ook de gelegenheid geven mijn taak als assistent van de algemene overste van dichterbij te kunnen beleven. Boeiend!

Met dank aan Jezuïeten