Pieter-Jan De Smet sj

Terug

 

Pieter-Jan De Smet bracht het grootste deel van zijn leven als jezuïet door onder de inheemse stammen in de Verenigde Staten. William Pearsall sj vertelt het verhaal van “een heldhaftige missionaris van de oude stempel”.

Nieuwe wereld

Historici van de jezuïetenmissies in Amerika hebben de neiging zich te concentreren op de heroïsche ondernemingen van de missionarissen in Canada en Paraguay. Maar er zijn heel veel verhalen van jezuïeten uit de Nieuwe Wereld. Dit is het verhaal van een enthousiaste jonge Vlaming die, zijn tienerjaren nauwelijks ontgroeid, familie en vaderland verliet om “naar de indianen” van Noord-Amerika te gaan en die de rest van zijn leven doorbracht in hun dienst. Wat hij niet had kunnen voorzien was dat al zijn inspanningen om hun rechten te verdedigen en hun manier van leven te behouden uiteindelijk tevergeefs zouden zijn. In zijn leven was hij een apostel van vrede door stammen met elkaar te verzoenen, door over verdragen te onderhandelen met de Amerikaanse regering en door altijd in woord en daad het Evangelie te verkondigen, waar hij ook maar heen gestuurd werd.

Roeping

Pieter-Jan De Smet werd geboren op 30 januari 1801 in Dendermonde in het Vlaamse deel van wat nu België is. Zijn vader was de eigenaar van een schip-uitrustingsbedrijf en het was hem voor de wind gegaan was tijdens de Napoleontische oorlogen. De jonge Peter (om hem de Engelse naam te geven waarmee hij later bekend zou worden) groeide op in het zicht van schepen en de scheepvaart. Zijn moeder was zachtaardig en liefdevol; zijn vader liefdevol en streng. De sfeer in de familie was er een van traditionele katholieke vroomheid. Hij was een sterke, levendige en toegewijde jongen. Uiteindelijk werd hij ingeschreven in een school in Mechelen, een kleinseminarie, en het was tijdens zijn verblijf aldaar dat zijn geliefde moeder stierf. Hij was achttien jaar oud. In 1821, geïnspireerd door de prediking van een jezuïet-missionaris die op bezoek kwam en die bekend stond als de “Apostel van Kentucky”, vond hij zijn roeping. Samen met een aantal andere studenten bereidde hij zich voor om naar Amerika te vertrekken onder toezicht van enkele paters van zijn college. Zijn vader raakte op de hoogte van dit plan en stuurde Pieters oudere broer Karel om hem tegen te houden voordat hij Amsterdam en een schip kon bereiken dat Amerika als bestemming had. Maar, in plaats van Peter af te brengen van zijn plannen, gaf deze hem geld en wenste hem Gods zegen toe. Pieters vader overleed in 1827, zonder zijn zoon ooit weer te zien.

Vredesmissies

Peter begon zijn noviciaat bij de jezuïeten in White Marsh in Maryland en bleef daar tot 1823. Op aanmoediging van de Amerikaanse regering opende de Sociëteit van Jezus een missie in Florissant in de buurt van Saint Louis, Missouri. Peter werd daar naartoe gestuurd na het afleggen van zijn geloften met de bedoeling om te werken onder de inheemse Amerikaanse stammenin de regio. Omdat hij één van de jezuïeten was die deze missie opzetten, wordt Peter De Smet beschouwd als een medeoprichter van de provincie Missouri van de Sociëteit van Jezus. Hij zou tot 1833 in Florissant blijven. Het was de tijd van president Andrew Jackson en een nieuwe fase in de ontwikkeling van de republiek. Na een bezoek aan zijn geboorteland maakte de jonge priester zijn eerste rondreis door de binnenlanden van het westen; in 1837 vestigde hij de missie Saint Joseph in Council Bluffs ten behoeve van de Potawatomis. Het was in die tijd dat hij voor het eerst naar de Sioux ging in verband met vredesbesprekingen tussen de twee stammen – de eerste van zijn vele vredesmissies.

Flatheads

In 1840 begon wat de missie van zijn leven zou worden toen hij naar het noordwesten ging, naar de Flathead stammen. Al in 1831 waren sommige inheemse Amerikanen vanuit de Rocky Mountains naar Saint Louis gekomen om te vragen om “zwartrokken” naar hen te sturen. Beïnvloed door Iroquis, die nakomelingen waren van bekeerlingen door Franse missionarissen in de 17e eeuw, bleven de Flatheads delegaties naar Saint Louis sturen totdat De Smet eindelijk in 1840 naar de Rocky Mountains werd gezonden om dit mogelijke missiegebied te verkennen. Hij ging op reis door de grotendeels onbekende wildernis en werd uiteindelijk verwelkomd door de Flathead indianen die hij steeds beter zou leren kennen.Op zijn terugreis naar Saint Louis bezocht hij andere stammen waaronder de Crows en de Gros Ventres; in totaal legde hij 4.814 mijl af. In Saint Louis kreeg hij, nadat hij verslag gegeven had, de opdracht om permanente missies op te zetten in het Noordwesten. Samen met pater Nicholas Point stichtte hij Saint Mary's Mission aan de Bitterroot River, 30 mijl ten noorden van Missoula (Montana), en hij voegde de Coeur d'Alene stam toe aan zijn apostolische familie.

Reducties

In die tijd speelde De Smet met de gedachte om reducties op te zetten voor de Amerikaanse indianen naar het voorbeeld van de experimenten in het gemeenschapsleven van de jezuïeten-missionarissen in Paraguay in de eeuw ervoor. Deze gemeenschappen zouden een vaste basis bieden voor de stammen en hen in staat stellen de voordelen van de beschaving te ervaren (opgevat in Europese termen), terwijl ze konden doorgaan met op traditionele wijze activiteiten te ontplooien en in hun levensonderhoud te voorzien. Zij zouden helpen om de vrede tussen de stammen te waarborgen en hun aanspraken te versterken op gebied dat al bedreigd werd door de trek naar het westen van de Amerikaanse blanken. Om deze droom te realiseren waren middelen nodig en daarom keerde De Smet in 1843 naar Europa terug om fondsen en vrijwilligers te werven. In 1844 maakte hij een opmerkelijke reis naar de westkust van Canada aan boord van de Infatigable via de zuidelijke punt van Zuid-Amerika. Met hem reisden zes zusters van de congregatie van Notre Dame de Namur en andere vrijwilligers. Na overleg met de regionale bisschop vestigde hij het missiestation Sint-Ignatius, dichtbij de monding van de rivier de Columbia (British Columbia), met de bedoeling de Kalispels die rond de baai woonden van dienst te kunnen zijn. In die tijd werd De Smet steeds bezorgder met betrekking tot de Blackfeet, een oorlogszuchtige stam die een constante bedreiging vormde voor hun buren. In 1846, na een vijandelijk treffen tussen de Blackfeet en Crows, besloot hij persoonlijk naar de Blackfeet te gaan en na een ontmoeting met hen in Yellowstone Valley ging hij, vergezeld door de stamhoofden, naar Fort Lewis waar vredesverdragen met de andere stammen werden gesloten.

De terugkeer van De Smet naar Saint Louis in 1847 markeerde het einde van zijn tijd van “naar de indianen” gaan, in de zin van met hen te leven en te werken in hun eigen stamgemeenschappen. Dit was niet zijn eigen keuze; hij was door zijn oversten aangesteld om deel uit te maken van de onlangs opgerichte universiteit van Saint Louis. Daarnaast werd hij aangesteld als procurator (penningmeester) voor de jezuïetenprovincie die toen werd opgericht; deze positie zou hij min of meer houden tot zijn dood. Zijn missiewerk zou worden uitgevoerd door de paters Point, Mengarini, Nobili, Ravalli, de Vos, Hoeckens en anderen, die onder de inheemse Amerikanen van het noordwesten bleven leven en permanente missieposten onder hen vestigden. Het plan van de “reducties” zou nooit gerealiseerd worden.

Ontberingen

De Smet leefde tijdens zijn jaren in het Wilde Westen het leven van een klassieke missionaris. Hij heeft ongelooflijke ontberingen doorstaan waarbij hij terugviel op basisvaardigheden om het het terrein, het klimaat en de wilde dieren te overleven. Hij had ook te maken met de emotionele en psychologische stress die samengaat met een dergelijke manier van leven. In zijn omgang met inheemse Amerikanen had hij steeds tolken nodig om te communiceren – nog een bron van frustratie. Niettemin is het duidelijk dat zijn persoonlijke aanwezigheid een krachtig en positief effect had op de mensen in zijn omgeving en hoewel hij zich misschien van tijd tot tijd bedreigd voelde onder onbekende en potentieel vijandige volken, lijkt hij toch nooit te zijn behandeld met geweld van welke aard dan ook. Integendeel, hij was blijkbaar welkom en werd vertrouwd waar hij ook maar kwam.

Geschriften

Tijdens zijn reizen schreef De Smet veel brieven en hield hij dagboeken bij. Zijn proza was heel levendig ​​en hij was snel in staat om zijn geschriften gepubliceerd te krijgen; ze werden met enthousiasme ontvangen in Europa en in de Verenigde Staten. De naam Peter De Smet raakte bekend bij iedereen die geïnteresseerd was in het Amerikaanse Westen en in de manier van leven van de inheemse stammen. Hij zou op dit moment in zijn leven misschien “met pensioen” zijn gegaan, maar gelukkige omstandigheden zouden hem tot een nog publiekere rol roepen.

Onderhandelaar

Het toenemend aantal blanke kolonisten die de Grote Vlaktes overstaken op weg naar Californië en Oregon leidde tot toenemende ongerustheid onder de inheemse Amerikanen en steeds vaker tot vijandigheden tussen hen en de kolonisten. In 1851 werd een “algemeen congres van de stammen” georganiseerd door de Amerikaanse regering met het oog op het vaststellen van voorwaarden voor vrede. Het congres zou bijeenkomen in Horse Creek Valley in de buurt van Fort Laramie (Wyoming). De regering, onder de indruk van de reputatie van De Smet als onderhandelaar onder de indianen, riep zijn hulp in. Zijn oversten gingen akkoord met het verzoek en hij maakte de lange reis vanuit Saint Louis. De 10.000 inheemse Amerikanen die op deze plaats bijeenkwamen, waren – zo werd gezegd – in de ban van De Smet en de verdragen werden ondertekend. Als gevolg van dit succes vroeg de regering dat De Smet benoemd zou worden tot aalmoezenier van het Amerikaanse leger (waarin een groot aantal katholieken diende) zodat hij de vele kritieke situaties die zich in de loop van de toenemende migratie van blanke Amerikanen naar het westen voordeden, zou kunnen bezweren. In 1858 werd hij gevraagd te bemiddelen bij een geschil met de Mormonen die weigerden een gouverneur voor Utah te accepteren. Hij begeleidde generaal Harney tijdens deze expeditie; het geschil werd opgelost voordat militaire interventie nodig was, maar ondertussen waren de priester en de generaal goede vrienden geworden. De Smet werd uitgenodigd zijn vaardigheden als vredestichter in te zetten tussen de stammen in de staten Oregon en Washington die steeds nerveuzer werden door de bedreiging voor hun land en hun manier van leven. Hij heeft deze opdracht zo goed mogelijk uitgevoerd totdat de toenemende waarschijnlijkheid van een oorlog tussen de noordelijke en zuidelijke staten het nodig maakte dat hij zijn ontslag indiende.

Slavernij

Missouri was een “grensstaat”: het was een deel van de Unie, maar slavernij was er toegestaan. Net als de meeste jezuïeten werd hij gedwongen om tijdens de oorlog uiterlijk neutraal te blijven, terwijl hij innerlijk sympathiseerde met de afschaffing van de slavernij. Door de oorlog grepen sommige stammen de gelegenheid aan om hun rechten te bekrachtigen en in 1862 leidde een opstand van de Sioux tot een strafexpeditie door het leger van de Unie. De Smet had in het jaar ervoor onder de Sioux gewerkt op verzoek van de algemene overste van de jezuïeten, maar hij weigerde de uitnodiging van de overheid om deel uit te maken van een dergelijke expeditie.

Sitting Bull

In de jaren na de burgeroorlog vond de grote tragedie plaats van de Amerikaanse indianen: de Verenigde Staten bleven groeien en de blanke bevolking begon zich te vestigen op alle beschikbare land. De pioniersfamilies, zonder twijfel over hun rechten op de onontgonnen gebieden van het Amerikaanse Westen, waren voortdurend in conflict met de inheemse volken. Aan beide kanten was er in dezelfde mate sprake van moed en vastberadenheid, maar helaas trokken de inheemse Amerikanen aan het kortste eind. Verdragen werden gesloten en vervolgens verbroken. De indianen begonnen welke belofte ook maar van de blanken te wantrouwen. In deze vergiftigde atmosfeer was er weinig dat De Smet zelf kon doen. Hij werd in 1867 gevraagd om de vredescommissie van de regering te vertegenwoordigen bij de indianen en tijdens nog een andere rondreis over de Grote Vlaktes in het noordwesten sprak hij met duizenden inheemse Amerikanen namens de regering over voorstellen voor reservaten voor de indianenstammen en over vreedzaam samenleven. Tegen 1868 was hij de Bad Lands overgestoken en had hij het hoofdkamp van de geduchte Sioux bij Powder River bereikt en in aanwezigheid van 5.000 leden van die stam ontmoette hij het opperhoofd Sitting Bull. Deze was (terecht) sceptisch maar de verdragen werden opnieuw gesloten. De “Indiaanse Oorlogen” waren echter nog niet tot een einde gekomen en in 1870 was De Smet weer in onderhandeling met de Sioux. Tegen deze tijd was hij tot het inzicht gekomen dat de regering, ondanks al haar goede bedoelingen, niet in staat was om te voorkomen dat de blanke kolonisten zo veel mogelijk land in beslag namen. De vredesmissie was gedoemd te mislukken. Uiteindelijk zijn er ongeveer vijfhonderd verdragen gesloten in de periode die loopt van de stichting van de Verenigde Staten tot het begin van de 20e eeuw. Alle werden uiteindelijk verbroken. De Smet overleed op 23 mei 1873 in Saint Louis.

PaterPeter De Smet was een jezuïet met grote kwaliteiten en een held van de oude stempel. Hoewel hij soms in aanvaring kwam met zijn eigen collega's over het gebruik van geld en over zijn enigszins onafhankelijke manier van doen, werd hij door zijn collega's erkend als een model van hoe te leven volgens de geloften. Hij gaf blijk van een bijna kinderlijke opgeruimdheid in het gezicht van elke tegenslag. In zijn onvermoeibare inspanningen voor vrede vertrouwde hij volledig op geloof, hoop en liefde om het onmogelijke te bereiken. Hij probeerde het delicate evenwicht te bereiken tussen de belangen van de inheemse Amerikanen, de belangen van de Amerikaanse republiek en de belangen van de katholieke kerk. Hier moet zijn eerste en grootste zorg aan toegevoegd worden: de verspreiding van het evangelie van Christus. In dienst van deze roeping reisde hij 180.000 mijl en hij wijdde er elk moment van zijn leven aan.

William Pearsall sj