Hoe ziet het noviciaat van de jezuïeten eruit?

Het noviciaat van de jezuïeten vandaag

De voormalige "novicemeester" blikt terug

De voormalige “novicemeester” blikt terug

Op Paaszondag 20 april 2014 beëindigde ik een periode van 8 jaar, waarin ik novicemeester was geweest en droeg die taak over aan mijn opvolger, Brendan Callaghan. Het noviciaat zelf maakt momenteel ook een periode van verandering door. Meer dan een jaar geleden besloten de provinciaals van de Vlaamse, de Nederlandse, de Ierse en de Engelse provincies hun gezamenlijk noviciaat te verplaatsen naar Dublin. Deze verhuizing zal plaats vinden zo gauw het nieuwe gebouw op het terrein van het retraitehuis Manresa is voltooid. Dat zal waarschijnlijk ongeveer in 2016 zijn.

Monastiek

Jezuïeten die novice waren vóór het Tweede Vaticaans Concilie, herinneren zich dat noviciaat meestal als een tijd die bijna monastiek aandeed door zijn programma en dagorde. Het was gebruikelijk geen enkele nacht gedurende die twee noviciaatsjaren buitenshuis door te brengen. Dat veranderde, toen de experimenten opnieuw werden ingevoerd. Ignatius had in de Constituties bepaald dat novicen zes experimenten zouden doormaken: de volledige Geestelijke Oefeningen, een pelgrimage, werk in een ziekenhuis, eenvoudig dienstwerk in huis, kinderen en ongeletterden lesgeven en (voor hen die al priester waren) preken en biecht horen. Door de eeuwen heen waren al deze experimenten, behalve de Geestelijke Oefeningen, in onbruik geraakt. Perfectae Caritatis, het document van Vaticanum II over de vernieuwing van het religieuze leven, bracht ons terug naar onze bronnen en zo werden ook de ignatiaanse experimenten herontdekt.

Een andere belangrijke verandering in de laatste 30 jaar is het feit dat een aantal noviciaten in Europa en Noord-Amerika ten dienste van meerdere provincies waren. Bij ons begon dat, toen de Ierse provincie aansloot bij het Engelse noviciaat rond het begin van het nieuwe millennium. Een paar jaar later besloten de Vlamingen en de Nederlanders om hun novicen ook daar naartoe te sturen. Zo ontstond een noviciaat waarin vier provincies samenwerkten. Feitelijk had het noviciaat in Birmingham al eerder een internationaal karakter, omdat er geregeld novicen waren uit Guyana en Zuid-Afrika. En omdat Engels een wereldtaal is en de getallen novicen ook elders klein waren, betekende dit dat er ook af en toe novicen waren uit Rusland en Litouwen. We zijn daarin niet de enigen. Het Franse noviciaat bijvoorbeeld is er ook voor de Franstalige Belgische provincie, terwijl Oostenrijkers, Zwitsers en sommige Scandinaviërs naar het Duitse noviciaat in Neurenberg gaan.

Veranderingen

Als een jezuïet die 60 jaar geleden zijn noviciaat deed nu in Birmingham een kijkje zou nemen, welke veranderingen zou hij dan opmerken? Het meest opvallende zijn dezelfde veranderingen die ook in heel de provincie zijn waar te nemen. De novicen dragen ‘gewone’ kleren, geen jezuïetentogen; zij spreken elkaar aan bij hun voornaam en noemen elkaar geen ‘frater’; en geen enkel onderdeel van het programma is in het Latijn. Belangrijker is, dat het feit dat de experimenten een aanzienlijk deel van het programma uitmaken betekent dat de novicen slechts de helft van beide jaren in het noviciaat wonen. De rest van de tijd zijn zij verspreid over de vier provincies en daarbuiten. Maar onze oude bezoeker zou ook een aantal dingen aantreffen die hem vertrouwd zijn. Grote nadruk op het gebed (een uur, nog een half uur, tweemaal gewetensonderzoek, Heilige Mis, dankzegging, geestelijke lezing, dit alles dagelijks – en regelmatige geestelijke begeleiding) is nog steeds het hart van deze fase van onze vorming. Verder de gelegenheid om vertrouwd te raken met onze ‘manier van doen’ door de studie van de Constituties (ofschoon we tegenwoordig de volledige tekst lezen, samen met de Aanvullende Normen, en niet alleen het Summarium), de documenten van de recente Algemene Congregaties, en de geschiedenis van de Sociëteit en heiligenlevens. Een aantal ‘officies’ die moeten zorgen, dat alles soepel verloopt, zijn er natuurlijk ook nog.

Kandidaten

Ieder jaar zijn er twee of drie weekends voor kandidaten. Dan worden jonge mannen die er al enige tijd serieus aan denken deze roeping te volgen uitgenodigd om ‘te komen en te zien’ hoe het in het noviciaat eraan toe gaat en om de novicen zelf te ontmoeten en degenen die verantwoordelijk zijn voor hun vorming, en ook de rest van de communiteit. Ze krijgen een overzicht van het programma van twee jaar, zodat ze een indruk hebben wat het zou betekenen, als ze zelf zouden intreden. Dat overzicht is ongeveer het volgende.

Programma

Ieder jaar arriveert een nieuwe groep novicen – tegenwoordig zijn dat er 3-6 – op de vrijdag die vooraf gaat aan de zaterdag die valt tussen de 2e en de 8e september. (In de laatste 8 jaar deden 45 man hun noviciaat, waarvan ongeveer nog 2/3 in de Sociëteit is). De reden voor deze wat merkwaardige datumbepaling is, dat de datum van intreden wordt bepaald door het afleggen van de geloften op de dag daarna. Het eerste wat de nieuwe mannen dan ook meemaken is, dat degenen die twee jaar tevoren de eerste stappen zetten, nu zichzelf definitief aan God toewijden door hun Eerste geloften. De nieuwgekomenen beginnen dan hun eerste probatie, een periode van ongeveer 14 dagen waarin ze kennis maken met de communauteit en haar manier van leven en werken, met een manier van bidden en reflecteren, en met enige ignatiaanse sleutelteksten. Deze periode eindigt met een triduum om de vele veranderingen die ze in korte tijd ervaren hebben, te verwerken.

Tussen eind september en Kerstmis zijn de novicen van het eerste en het tweede jaar samen in het noviciaat. Er worden studies georganiseerd, over twee jaar roulerend, waarin bijvoorbeeld aandacht voor ieder van de drie geloften of voor de documenten van het Tweede Vaticaans Concilie. Veel van deze studies hebben de vorm van een seminar: de novicen krijgen artikelen te lezen, die ze daarna aan elkaar presenteren. Van het begin af aan wordt een dag per week besteed aan apostolisch werk in Birmingham. In de afgelopen jaren gingen de novicen naar een ontmoetingsplek voor vluchtelingen en asielzoekers, een bejaardenhuis dat geleid wordt door de Kleine Zusters van de Armen, een grote katholieke middelbare school en een sociaal dienstencentrum in het centrum van de stad. Het is dikwijls een verras- sing voor iemand die pas drie weken novice is, dat hij wordt behandeld alsof hij al tientallen jaren in de Sociëteit was en dat van hem verwacht wordt een antwoord te hebben op ieder probleem in de Kerk! Daar komt nog bij, dat ze op zondagmorgen naar verschillende parochies in de stad gaan om daar te helpen en ook naar een gevangenis om daar bij twee zondagsmissen te assisteren.

Kerstmis wordt, zoals in de meeste jezuïeten-communauteiten, samen gevierd, maar rond Nieuwjaar brengen de meeste novicen een paar dagen bij hun familie door. Een belangrijk aspect van de vorming in het hedendaags noviciaat is de novicen te helpen om als leden van een religieuze orde om te gaan met hun familie en ook de families te helpen aan deze nieuwe relatie te wennen. Nu de gemiddelde novice intreedt in zijn latere 20er jaren of als 30er, heeft hij meestal al een tijdje niet meer thuis gewoond. Maar het is toch vaak nog een uitdaging, vooral omdat maar weinig families enige directe ervaring hebben met het religieuze leven, om deze relaties in het goede spoor te krijgen.

Tussen Kerstmis en Pasen gaan de wegen van de eerste- en de tweedejaars uiteen. Het eerste jaar vertrekt voor de Grote Retraite vroeg in het nieuwe jaar. Tijdens mijn periode als novicemeester werd deze retraite normaal gedaan in Loyola Hall onder mijn begeleiding. Nu dit huis onlangs gesloten is, zal er naar een andere plaats moeten worden uitgezien. Als de eerstejaars daarvan terugkomen in de tweede helft van februari, hebben ze een paar dagen voor rust en reflectie, en dan worden ze op hun eerste individuele experiment gestuurd. Normaal gesproken zullen dit ervaringen zijn die wat meer gestructureerd en wat intenser gesuperviseerd worden dan de experimenten die later zullen komen. Daarom is dit eerste experiment vaak werken in een school of in een ziekenhuis. Intussen doen de tweedejaars hun ‘lange experiment’, een gelegenheid om volle drie maanden apostolisch werk te doen buiten het noviciaat. Aangezien dit samenvalt met de lenteperiode in de scholen, zullen degenen die nog niet eerder lesgaven dat nu doen. Maar in de afgelopen jaren bood het ook de mogelijkheid om andere delen van onze vier provincies te bezoeken, en zelfs de reis te ondernemen naar Zuid-Afrika en Guyana.

Alle novicen zijn terug in Birmingham twee of drie weken voor Pasen en dit biedt de gelegenheid om elkaar te vertellen wat ze gedaan hebben, in formele en meer informele bijeenkom- sten. Toen ik in de 70er jaren novice was, werd het als een beetje verdacht beschouwd, als deze uitwisseling te uitgebreid was. Men scheen het gevoel te hebben, dat als ik een slechte ervaring had gehad in mijn experiment, mijn verhaal daarover een ander zou kunnen ontmoedigen en zo zijn roeping in gevaar zou kunnen brengen. Nu bemoedig ik de novicen om ope- ner te zijn met elkaar, ofschoon ze – zoals in iedere goede geestelijke begeleiding – worden uitgenodigd vooral te blijven stilstaan bij hun ervaring van troost, zelfs als dit hen op de proef heeft gesteld.

De Goede Week is normaal weer voor apostolisch werk elders in de provincie. De retraite voor jongvolwassenen in Loyola Hall en de gezinsretraite in Stonyhurst bleken beide uitstekende experimenten te zijn. Dan komt de tweede langere periode die samen wordt doorgebracht. en die duurt tot in juni. Deze periode wordt onderbroken door een week rondtrekken, het ene jaar in de Ierse provincie, het andere jaar in de Vlaamse en Nederlandse provincie. Het trof mij iedere keer weer, hoe communauteiten en afzonderlijke mensen hun best deden om ons te verwelkomen en uitleg te geven van het werk dat ze deden en van de gedachte die erachter zat. Het was een van de grote voorrechten als novicemeester zo ontvangen te worden. Ik zal dat missen, als ik hier weg ben.

Rond het midden van juni gaan de novicen opnieuw op experiment. Dit is de enige tijd van het jaar dat het mogelijk is om een tweedejaars aan een eerstejaars te koppelen. Het is de goede tijd voor een pelgrimage. Om op weg te gaan en wellicht 500 mijl in zes weken te lopen, met weinig of geen geld op zak en niet verzekerd van onderdak, bedelend voor je eten en drinken en om een plek om te overnachten, is een intense ervaring van Godsvertrouwen, even intens als toen Ignatius bijna vijf eeuwen geleden met dit idee kwam. Wat een uitdaging is voor de novice is ook, op zijn eigen manier, een uitdaging voor de novicemeester, want ook hij zal op God moeten vertrouwen, als hij wacht op de terugkeer van hen die hij op deze wijze erop uit heeft gestuurd. Dit gebeurt, Deo volente, op tijd om samen een 8-daagse retraite te doen in de tweede helft van juli.

In augustus is er een week die wordt doorgebracht met leeftijdgenoten in Frankrijk en Duitsland, in een cyclus van drie jaar roulerend langs de verschillende noviciaten. Dit speelt een belangrijke rol bij het helpen ontdekken welke elementen in ‘onze manier van doen’ die de novicen zich tot dan toe eigen hebben gemaakt, meer universeel zijn en welke meer eigen zijn aan een afzonderlijke provincie. De Fransen bijvoorbeeld hebben (of misschien hadden?) geen toegang tot het internet in hun eerste jaar; de Duitsers waren er vroeg bij om laptops te geven aan wie in de vormingstijd zijn. De laatste twee weken van augustus worden doorgebracht op de ‘campagne’. Tegen het einde daarvan is er juist voldoende tijd om het huis klaar te maken voor de geloftendag en de aankomst van een nieuwe groep novicen. Eerstejaars novicen worden tweedejaars, en de hele cyclus begint opnieuw.

Strak schema

In deze schets van het noviciaatsprogramma vallen waarschijnlijk zowel zaken op die bleven zoals ze waren als andere dingen die ‘nieuw’ zijn. Zeker voor het halve jaar dat in het noviciaat zelf wordt doorgebracht is het dagschema niet zo verschillend als het al lange tijd was. Heel de dag volgt een strak schema vanaf het morgengebed van de Kerk, samen gebeden om 7.30 uur tot aan het tweede gewetensonderzoek ’s avonds om 22.45 uur. Het is duidelijk voor ieder die het jezuïetenleven kent zoals het geleefd wordt in het grootste deel van de Engelse provincie (en waar niet?), dat dit niet de gewone gang van zaken is. Waarom dan toch dit meer gestructureerde patroon vasthouden?

Het is zeker mogelijk zich een heel ander model van een noviciaat voor te stellen. Het zou bijvoorbeeld mogelijk zijn om degenen die aan hun vorming beginnen alleen of met tweeën in de leer te doen bij gevormde jezuïeten in een van de belangrijke apostolische werken van de provincie. De novicen zouden toch van tijd tot tijd bij elkaar kunnen komen voor een instructie over de belangrijkste aspecten van het jezuïetenleven, maar zouden in dit model het grootste deel van de tijd op een manier leven die meer de leefwijze benadert waartoe ze zich aangetrokken hadden gevoeld. Een sterk argument daarvoor is, dat – nu de mensen ouder intreden – het niet goed is voor hen om de periode van hun leven waarin ze het meest apostolisch vruchtbaar zijn, door te brengen in een tamelijk gesloten vormingsprogramma. De fasen van de vorming die volgen op de Eerste geloften zijn (tenminste voor degenen die priester gewijd zullen worden) strak bepaald door de vereisten die gesteld worden aan de vorming voor het priesterschap. Het noviciaat daarentegen biedt de mogelijkheid om wat meer plooibaar te zijn en zou deze verregaande verandering kunnen ondergaan.

Onderscheidende mensen

De reden dat dit niet gebeurde, in ieder geval niet tijdens mijn diensttijd, heeft te maken met een onderliggende vraag: waartoe wil het noviciaat iemand vormen? Een eeuw geleden was in Engeland de loopbaan van een jezuïet betrekkelijk helder. Na de priesterwijding zouden de meesten een taak krijgen op een van de colleges; een kleiner aantal zou werken in parochies of universiteiten; en sommigen zouden naar de missie gaan. Vandaag is de waaier van activiteiten veel groter, ofschoon het totale aantal jezuïeten veel kleiner is geworden. En welke eisen gesteld zullen gaan worden aan degenen die verantwoordelijk zullen zijn voor het runnen van de werken van de provincie over 20 jaar – en dat zijn dus de novicen van nu – lijkt me onmogelijk te voorspellen. Het heeft dus weinig zin om een novice voor te bereiden voor een speciaal werk of sector. Hij is eerder geroepen om iemand te zijn die diep vertrouwd is met de theorie en de praktijk van de onderscheiding, zowel individueel als gemeenschappelijk, en dan in zichzelf de ware ignatiaanse indifferentie te hebben die hem in staat stelt om de weg te gaan, die de onderscheiding hem wijst, welke dat ook is.

De doelstelling, dat de novicen werkelijk onderscheidende mensen zullen worden, bepaalt de vorm van het huidige noviciaat. Dat halve jaar waarin ze samenleven in het noviciaat volgens een vast tijdschema stelt hen in staat om te groeien in hun gebedsleven, daarbij geholpen door een regelmatige geestelijke begeleiding. Veel van deze tijd kan natuurlijk behoorlijk saai zijn, maar het vermogen om klaar te komen met de noodzaak om gewone en weinig opwindende taken gedurende een langere tijd te vervullen, is misschien een belangrijke vaardigheid voor wie dit leven vruchtbaar wil leiden. Deze weken en maanden zijn voor de novicen ook een communauteitservaring, inclusief alle gebreken, die een uitnodiging voor hen is om niet te blijven steken in een aanvankelijk idealisme en te komen tot een reële waardering van zowel de kracht als de zwakheid van hun medebroeders en te leren hoe je vruchtbaar met beide om kunt gaan.

Nuttig falen

De andere helft van ieder jaar, die besteed wordt aan experimenten, daagt de novice uit om wat hij heeft geleerd over onderscheiding in heel verschillende omstandigheden in praktijk te brengen. Hij zal waarschijnlijk zijn eigen gebedstijden moeten bepalen (niet tevoren vastgelegd en met beltekens begeleid) in soms moeilijke en veeleisende omstandigheden. Hij zal zich misschien eenzaam voelen, komend uit de sfeer van kameraadschap in het noviciaat en misschien werkend en zelfs levend met mensen die maar weinig begrijpen van de waarden, waaraan hij nu zijn leven wil wijden. In het experiment wordt misschien duidelijk dat iemand apostolische vaardigheden heeft; als dat zo is, dan is dat meegenomen. Maar een experiment, waarin de novice ‘faalt’, omdat hij zich niet in staat voelt de hoop en de dromen die hij meebracht naar dit experiment te realiseren, kan minstens even nuttig zijn om hem te helpen iemand te worden die zijn leven leeft als een antwoord op Gods uitnodiging.

Ik mag dit artikel niet eindigen zonder mijn dank uit te spreken aan de velen, jezuïeten en anderen, die hun tijd en moeite gaven om de novicen te vormen. Mijn eigen novicemeester raakte wat geïrriteerd als hem de vraag gesteld werd: ‘Hoeveel novicen heb je?’ Zijn punt was dat het niet zijn novicen zijn, het zijn onze novicen, en dat we allen in zekere zin verantwoordelijk voor hen zijn. Ik heb ervaren hoe waar dat is. De leden van de communauteit van het noviciaat, de oversten en directeurs van de werken waar de novicen naartoe werden gestuurd, al degenen die hen steunen met hun vriendschap en gebed – zij zijn allen nodig als een jonge man zijn eerste stappen zet op de weg van het leven in de provincie en in de Sociëteit. Het is zeker waar – ook al worden de rol van de novicemeester en het patroon van het noviciaat veranderd en aangepast – dat het niet mogelijk zal zijn zonder de steun van onnoemelijk veel anderen. En voor die steun, de laatste acht jaar door mij ondervonden, ben ik oprecht dankbaar.

Paul Nicholson sj

Bekijk alle nieuwsberichten

Deel